Sedert de hoogl. J. H. van Swinden het kunstig planetarium van
Eisinga beschreef, zijn ruim 70 jaren verloopen,--jaren, waarin
door sterrekundige waarneming en navorsching eene meer volledige en
naauwkeurige kennis aangaande het zonnestelsel is verkregen. Het is
derhalve niet te verwonderen, dat in de voorgaande, op nieuw in het
licht gegevene Beschrijving eenige opgaven voorkomen, waarvoor de
hedendaagsche, meer volmaakte sterrekunde andere in de plaats heeft te
stellen. Die verouderde opgaven betreffen inzonderheid het aantal der
bekende hoofd- en bijplaneten, de hoedanigheden (elementen), waardoor
de eene planetarische loopbaan van de andere onderscheiden is, alsmede
eenige eigenschappen, welke de planeten zelven aan den dag leggen.
Evenmin als wij vrijheid vonden, wezentlijke veranderingen aan te
brengen in Van Swinden's Beschrijving, en hem in de uitlegging van het
zonnestelsel op een standpunt te plaatsen, 't welk eerst 70 jaren na
de vervaardiging van Eisinga's kunstgewrocht bereikt is; evenmin meenen
wij eenige voorname opgaven te mogen achterhouden, welke soortgelijke,
minder naauwkeurige, in den tekst of in de noten voorkomende, zouden
behooren te vervangen. Wij zullen deze verbeteringen aanbrengen in
eenige beknopte overzigten, en daarmede hopen wij menigen lezer van dit
werkje, die belang stelt te vernemen, wat thans van het zonnestelsel
bekend is, eenigermate te gemoet te komen.