§ 78.
Wanneer men dit hemelsplein met eenige andere wil vergelijken,
dient men op de teekening daarvan niet te letten; deze, immers,
behelst niets nieuws, en dergelijke treft men veelvuldig aan.
Op een hemelsplein vertoont men op een vlak, wat wij inderdaad
binnen eenen halven kloot zien. Dit kan niet geschieden, zonder de
gedaanten, afstanden enz. der voorwerpen meer of min te vervormen;
en deze vervorming, welke men, in dit geval, projectio stereographica
noemt, geschiedt volgens wiskundige regelen, welke men bij vele
schrijvers, en naar het mij voorkomt, zeer bevattelijk bij Varenius,
voorgesteld vindt [75]. Maar ik kan tevens niet voorbij aan te merken,
dat Eisinga, dit hemelsplein zullende vervaardigen, zelfs van het
bestaan dier regelen niets wist, en dat hij zich echter, met behulp
van eene globe en herhaalde passingen, zoo heeft weten te redden,
dat het hem gelukt is de waarheid voor te stellen. Wanneer men de
geschiedenis der wetenschappen nagaat, ziet men de uitvinders dus
trapswijze, en dikwerf onwis, voortgaan. Door de herhaalde vragen,
welke ik Eisinga hieromtrent gedaan heb, heb ik het vermaak genoten
van de geheele reeks der trapswijze ontwikkeling zijner gedachten over
dit stuk te leeren kennen; en ik heb meermalen de zelfde verrukking
ondervonden, als in het lezen van de geschiedenis der sterrekunde van
Bailly, in welke die vermaarde en kundige schrijver het tafereel van
des menschen verstand, in het uitvinden der sterrekunde, overheerlijk,
en, zoo als ik nu uit ondervinding zie, naar waarheid, ontvouwt.
§ 79.
Maar, wat dit hemelsplein boven alle andere, mij bekende, doet
uitmunten, is de dubbele beweging der Zon; vooreerst, in 24 u.,
met den sterrenhemel, en dan nog, bovendien, in één jaar op de
ecliptica, waaruit al de bovengemelde verschijnselen ontstaan
(§ 68). Een dergelijk stuk is, zoo veel ik weet, nimmer bij een
planetarium gevoegd. Roemer had wel zijn eerste planetarium zoo
ingerigt, dat de planeten zich op de eene oppervlakte van de doos,
waarin het raderwerk besloten was, bewogen, en er een hemelsplein op
de andere geteekend was; maar 1o was het hemelsplein onbewegelijk; 2o
had het niets met de beweging der planeten gemeen; 3o konde de cirkel,
die den gezigteinder verbeeldde, op de as van het plein draaijen,
en in den zelfden tijd draaide de Aarde op het planetarium ééns
om: zoodat een jaar op het planetarium een dag op het hemelsplein
verbeeldde, daar hier, integendeel, een dag een dag is; 4o om iets
op het hemelsplein van Roemer te kunnen zien, moest men eerst den
uurcirkel, welke, afzonderlijk bewogen konde worden, op den graad
plaatsen, in welken de Zon, op den dag, dien men verkiest, is, om
vervolgens, door de beweging des gezigteinders, de sterren, welke
men op deze of gene uren zien kan, gewaar te worden. Er wordt dan,
inderdaad, door dit hemelsplein niets meer, dan door alle andere,
die bekend zijn, aangewezen, onder welke dat van Bode, een vermaard
sterrekundige te Berlijn, zekerlijk uitmunt [76], dat in geen opzigt
voor het schoone planisphaerium van Cassini behoeft te wijken, en, tot
oplossing van al de vraagstukken, ruim zoo gemakkelijk kan gebruikt
worden [77]. Ons bewegelijk hemelsplein kan even gemakkelijk tot die
zelfde oplossing dienen, wanneer men het geheele werktuig met de hand,
zoo als boven gezegd is (§ 11), laat bewegen.
§ 80.
Dit hemelsplein overtreft dan al, en verre weg al, wat mij van dien
aard door boeken bekend is; en ik zoude durven zeggen, dat dit stuk,
in zijne eenvoudigheid, en de natuurlijke wijze, op welke alles
vertoond wordt, een geheel nieuw stuk is, indien ik mij zelven
niet bewust ware, te weinig gelezen te hebben, om over hetgene,
dat volstrekt nieuw of niet nieuw is, in het stuk van uitvindingen,
behoorlijk te kunnen oordeelen; en indien ik daarenboven niet wist,
dat de loop der Zon ook wel eens, op het een of ander kunststuk is
verbeeld geworden [78], en dat er op de astronomische uurwerken van
Straatsburg en Lyon iets dergelijks, als hier, plaats heeft. Ik zal
opgeven, wat er mij van bekend is.
Op het astronomisch uurwerk van Straatsburg is, volgens de beschrijving
van Du Mont, eene globe, waarop de Zon en Maan haren dagelijkschen
loop om den zodiak (of dierenriem) volbrengen; maar er wordt niet
bijgevoegd, of zij tevens haren jaarlijkschen en maandelijkschen loop
afleggen. Verder is er een groot tafereel, waar zich een sterrewijzer
vertoont, die den loop des hemels aanwijst. Uit de teekening blijkt,
dat het een hemelsplein is, waarop een horizont afgebeeld is; doch
ik kan, noch uit de teekening, noch uit de beschrijving opmaken,
of de Zon er zich in 24 u. met den hemel, en bovendien in een jaar
afzonderlijk op de ecliptica beweegt.
§ 81.
Het astronomisch uurwerk van de stad Lyon is in dit opzigt
vollediger. Zie hier, wat Du Mont er van zegt, voor zoo verre het
ons betreft [79]:
"Het eerste, dat men beschouwt, is een groot hemelsplein, op hetwelk
de bewegingen des hemels zoo wel verbeeld zijn, dat men er den loop
der sterren, en, in het algemeen, den staat des hemels, op ieder uur
des daags, duidelijk en naauwkeurig kennen kan. De Zon verschijnt er op
den dierenriem, in den graad des teekens, waar zij zijn moet, en toont,
alle dagen, haren op- en ondergang, de lengte der dagen en der nachten,
en zelfs van het schemerlicht, met eene verwonderlijke naauwkeurigheid
aan. De Maan, die er nooit verlicht schijnt, dan aan den kant, welke
naar de Zon gekeerd is, wijst daardoor, even als door den wijzer, haren
ouderdom, ongevoeligen aanwas en afgang, en eindelijk hare volheid aan.
"Een groote wijzer (alidade), welke over het geheele plein ligt,
verbeeldt de beweging des hemels (le premier mobile), geeft de beweging
der Zon op de ecliptica te kennen [80], en met hare uitersten de 24
uren des dags aan wijzende, toont zij tevens de maand, den loopenden
dag en den graad des teekens, welken de Zon op dien dag doorloopt,
aan. Maar het verwonderlijkste is, dat, terwijl die wijzer zijne
beweging van het oosten naar het westen in 24 uren volbrengt, het
geheele zamenstel en al deszelfs deelen hunne bijzondere bewegingen
behouden, en dat al de bijzondere omwentelingen, ieder op haren tijd,
zonder wanorde of verwarring, volbragt worden.
"Het grootste gedeelte der vaste sterren zijn op hare ware
standplaatsen gesteld, zoodat men ieder uur kan zien, welke boven of
beneden den horizont zijn."
Hoe uitvoerig dit alles ook zij, het blijkt, dat daar niets,
uitgezonderd de tijd van het schemerlicht, vertoond wordt, dan hetgeen
op ons kunststuk, hetzij op het hemelsplein zelf, hetzij op het
planetarium, hetzij op de Maanwijzers, van welke wij straks spreken
zullen, even goed, en, zoo veel men uit de teekening en beschrijving
van Du Mont oordeelen kan, duidelijker, naauwkeuriger en natuurlijker
aangewezen wordt.
§ 82.
Dit werkje was niet alleen geheel opgesteld, maar zelfs tot aan
deze bladzijde toe gedrukt, wanneer ik, den eersten dezer maand
Junij, het kunststuk met eenige liefhebbers uit Leeuwarden en
Harlingen beschouwende, door een derzelver onderrigt werd, dat de
kundige horologiemaker Tjeerd Radsma, te Harlingen, eenige uurwerken
vervaardigd had, op welke de dagelijksche en jaarlijksche bewegingen
der Zon vertoond worden. Er werd mij tevens gelegenheid gegeven,
om twee dezer stukken te zien, hetwelk ik niet in gebreke gebleven
ben zoo spoedig mogelijk te doen. Deze stukken komen zeer na met ons
hemelsplein overeen. Boven de gewone uurplaat is er een ring, die, even
als de horizont van ons hemelsplein (§ 70), in uren verdeeld is. In
denzelven beweegt zich een hemelsplein, op hetwelk de sterren en de
ecliptica, naar behooren, geteekend zijn. Op den rand van hetzelve zijn
de namen der maanden en der teekenen, zoo als ook de graden en dagen,
gesneden. Een Zonnetje, dat op een stijltje gehecht is, draait alle
24 u. ééns rond; maar, vermits het met het stijltje rijzen en dalen
kan, derwijze, dat het altijd op de ecliptica blijft. Vermits nu het
plein eene beweging heeft, waardoor het alle 24 u. ééns ronddraait,
en bovendien eene andere, door welke het nog dagelijks ongeveer
een graad doorloopt, blijkt het, dat het Zonnetje dagelijks met den
sterrenhemel op- en ondergaat, en, bovendien, de ecliptica in een jaar
beschrijft. Het midden van het hemelsplein wordt door een vlak, van
eene bepaalde grootte en gedaante, tot op eenen zekeren afstand van het
middelpunt bedekt. Dit vlak verbeeldt den gezigteinder. Het Zonnetje
is er, op den middag, des Zomers meer van verwijderd, dan des winters;
raakt hetzelve dagelijks, zoo des morgens als des avonds, in eene, naar
de verschillende jaargetijden, meer of min van den middag verwijderde,
plaats; en komt dus op, en gaat onder, op den behoorlijken tijd. In dit
vlak is een gat, waardoor men de lichtgestalten der Maan gewaar wordt.
Ziedaar eene zeer korte beschrijving, of liever aanwijzing, van een
stuk, hetwelk ik met zeer veel vermaak gezien heb, en dat den uitvinder
en maker eer aandoet. Het verschilt van ons Franeker hemelsplein
voornamelijk in de vier volgende stukken: 1o Door de plaatsing en
gedaante van den gezigteinder op het uurwerk zijn aldaar de sterren,
die de pool omringen, en inderdaad hier te lande nimmer ondergaan,
altijd onder den gezigteinder verborgen; daar zij, integendeel, op het
Franeker hemelsplein, even als in den hemel, altijd boven denzelven
zijn. 2o Vermits het toppunt met het middelpunt van den gezigteinder
overeenkomt (§ 64), en het Zonnetje zich op het bewuste uurwerk niet,
zoo als op het Franeker hemelsplein, binnen den hollen rand van den
gezigteinder, maar buiten om het vlak dat denzelven verbeeldt, beweegt,
blijkt het, dat, wanneer het Zonnetje des winters den gezigteinder
nadert, het ook nader aan het toppunt komt, en zich des zomers,
integendeel, van hetzelve, even als van den gezigteinder, verwijdert;
daar echter de ware Zon des zomers digter bij het toppunt, en verder
van den gezigteinder af is, dan des winters (§ 67), zoo als het ook
op het Franeker plein, overeenkomstig met de natuur, vertoond wordt (§
74). Men diende zich dan te verbeelden, dat het toppunt op het uurwerk
buiten het middelpunt van het vlak, dat als gezigteinder dient, valt;
doch dit kan met de teekening van het plein niet overeenkomen. 3o
De hoofdstreken van het kompas worden op het uurwerk niet gevonden,
maar wel op het Franeker hemelsplein (§. 72), alwaar ook 17 uurlijnen
geplaatst zijn; doch het stijltje, op hetwelk het Zonnetje gehecht is,
kan, in het uurwerk, als eene bewegelijke uurlijn aangezien worden. 4o
Eindelijk is het raderwerk, dat de beweging van het hemelsplein en
van de Zon voortbrengt, en hetwelk Radsma de vriendelijkheid gehad
heeft mij uit te leggen, verschillend van hetgene, dat de zelfde
beweging op het Franeker hemelsplein veroorzaakt; het komt mij voor,
op het laatstgemelde stuk eenvoudiger dan op het eerstgemelde te zijn.
Het is mij ongemeen aangenaam geweest, gelegenheid gehad te hebben, om
met elkander twee stukken van den zelfden aard te kunnen vergelijken,
welke beide uitgedacht en vervaardigd zijn geworden door menschen, die,
zonder eenige hulp, en zonder kennis te hebben van hetgene door anderen
reeds gedaan was, tot het uitvinden derzelve gekomen zijn, en in het
vervaardigen zeer verschillende wegen ingeslagen hebben. Eisinga had,
even weinig als ik, ooit iets van die kunststukken van Radsma gehoord,
of eenige derzelve gezien; hoewel deze kundige horologiemaker er sedert
vele jaren reeds acht gemaakt en, zoo te Harlingen als te Amsterdam,
geleverd heeft. Schoone uitvindingen hebben somtijds het ongeluk van
lang onbekend te blijven!