I. VAN HET HEMELSPLEIN.

§ 57.

Gelijk een eigenlijk gezegd planetarium de bewegingen der planeten

vertoont, en zeer dienstig is, om zich een waar denkbeeld van dezelve

te vormen, zoo ook vertoont een hemelsplein de bewegingen der vaste

sterren, den schijnbaren loop der zon en het achtereenvolgend lengen

en korten der dagen, waarvan de jaargetijden afhangen. Het is dan een

onafscheidelijk stuk van de volmaakte vertooning van het hemelsgestel,

en echter is het, zoo veel ik weet, bij geen planetarium gevoegd,

dan alleen, en dat nog zeer onvolmaakt, bij het eerste planetarium

van Roemer, zoo als wij het straks nader zullen aantoonen.

Doch, om de fraaiheid van dit hemelsplein duidelijker voor te stellen,

is het volstrekt noodzakelijk, eenige algemeene bedenkingen, over de

verschijnselen des sterrenhemels, te laten voorafgaan.

§ 58.

Wanneer wij den sterrenhemel, bijna als een halve kloot, van de kimmen

af tot boven ons hoofd uitgestrekt, beschouwen, schijnen alle de

sterren zich van het oosten, door het zuiden, waar zij hare grootste

hoogte boven de kimmen verkrijgen, naar het westen te bewegen. Die

beweging is enkel schijnbaar, en toe te schrijven aan de omwenteling

der Aarde om hare as. Wij schrijven aan de sterren eene beweging

toe, welke wij zelve hebben, maar niet gevoelen; en het komt, ten

aanzien der verschijnselen, op het zelfde uit, of de sterrenhemel

zich in vier-en-twintig uren eens omwentele, en de Aarde stil sta,

dan of de hemel onbewegelijk blijve en de Aarde zich bewege.

§ 59.

Dit is dan het eerste verschijnsel, dat wij, alle nachten de sterren

cirkels om het aspunt der Aarde zien beschrijven, en, of altijd boven

de kimmen blijven, of, op eenen bepaalden tijd, in het oosten zien

opkomen, en in het westen ondergaan. De Zon zelve, de Maan en al de

planeten leveren de zelfde verschijnselen op, met dit eenig verschil,

dat zij niet, zoo als de vaste sterren, bestendig de zelfde plaats

van den hemel behouden.

Indien de Aarde zich niet jaarlijks om de Zon bewoog, of, dat op

het zelfde uitkomt, de Zon zich niet om de Aarde scheen te bewegen,

zoude het gemelde eerste verschijnsel nimmer aan eenige verandering

onderhevig zijn: de Zon en de vaste sterren zouden alle dagen op

den zelfden tijd opkomen en ondergaan, en de zelfde plaatsen aan den

hemel beslaan; wij zouden altijd de zelfde sterren zien. Maar, vermits

de Aarde zich om de Zon beweegt, schijnt de Zon van standplaats te

veranderen, en hieruit spruiten nieuwe en gewigtige verschijnsels

voort.

§ 60.

De tijd, die tusschen twee middagen verloopt, dat is, tusschen

twee achtereenvolgende verschijningen der Zon in den meridiaan

of middaglijn, wordt een dag genoemd, en in 24 gelijke deelen,

of Zonne-uren, verdeeld. Gedurende dien tijd gebeuren er twee

dingen. Vooreerst heeft de Aarde zich ééns om hare as gewenteld, of,

dat op het zelfde uitkomt, de Zon heeft in schijn 360 gr. doorgeloopen;

ten tweeden is de Aarde zelve, of in schijn de Zon, in hare

jaarlijksche loopbaan voortgegaan: en vermits deze in 365 dagen en

6 u. ongeveer volbragt wordt, heeft de Zon, in die 24 uren, 59 m. 8

s. afgelegd. Dus schijnt de Zon in die 24 uren doorgeloopen te hebben

360 gr. (voortspruitende uit de omwenteling der Aarde om haren as),

en dan nog 59 m. 8 s. (voortspruitende uit de jaarlijksche beweging

der Aarde om de Zon), dat is in het geheel 360 gr. 59 m. 8 s. Waaruit

volgt, dat de 360 gr. doorgeloopen geweest zijn in 23 u. 56 m. 4 s.,

en dat dus de Aarde zich om hare as omwentelt, en al de vaste sterren

tot hare zelfde standplaatsen terugkeeren, in 23 gemiddelde Zonne-uren,

56 m. 4 s. en dus in 3 m. 56 s. tijds minder, dan de Zon noodig heeft,

om van den eenen middag tot den anderen te komen.

Dit is dan het tweede verschijnsel, dat, daar er 24 gemiddelde

Zonne-uren verloopen tusschen twee achtereenvolgende verschijningen

der Zon in den meridiaan, er maar 23 dergelijke uren met 56 m. 4

s. verloopen, tot aan de terugkomst der vaste sterren op de zelfde

plaats als des daags te voren.

§ 61.

Het derde verschijnsel, dat onmiddellijk uit het tweede volgt, is, dat

de komst der vaste sterren tot den meridiaan, het tijdstip van haren

op- en ondergang, dagelijks 3 m. 56 s. vervroegt, en dat wij derhalve

niet altijd de zelfde sterren zien. Want wij zien alleen die sterren,

welke door den glans der Zon niet verdoofd worden, dat is, die, welke,

ten opzigte der Zon, aan den anderen kant des Aardbols zijn; doch

zoo eene ster in December b.v. ten 6 u. des avonds opkomt, en ten 6

u. des morgens ondergaat, en dus den geheelen nacht door zigtbaar is,

zal zij na 183 dagen, dat is in Junij, 183 maal 3 m. 56 s., of 12 uren,

vroeger opkomen en ondergaan, dat is, ten 6 u. des morgens opkomen

en ten 6 u. des avonds ondergaan, en bij gevolg, ter oorzaak van de

tegenwoordigheid der Zon boven de kimmen, geheel onzigtbaar zijn.

§ 62.

Het vierde verschijnsel is het lengen en korten der dagen. Dit hangt

van twee oorzaken af: 1. van de verschillende declinatie der Zon (§

31) op verscheidene tijden des jaars; 2. van de verschillende ligging

der plaatsen op den aardkloot zelven.

Indien de Zon altijd in den aequator of evennachtslijn was, zouden de

dagen en nachten altijd gelijk zijn, zoo als inderdaad in het begin van

de lente en van den herfst plaats heeft. Maar de Zon beweegt zich in

eene op den aequator hellende baan, de ecliptica (§ 31); dus is de Zon

in de lente en zomer boven den aequator verheven, en in den herfst en

winter onder dezen gedaald; voor zoo verre hangt de zaak van de Zon af.

§ 63.

De breedte eener plaats op den Aardkloot is haar afstand van de

evennachtslijn; dus is de breedte van Franeker 53 gr. 15 m. en die

der pool, of van het aspunt, 90 gr., omdat de cirkelboog, die door

het aspunt en Franeker loodregt op de evennachtslijn getrokken wordt,

van den aequator af, maar 53 gr. 15 m. tot Franeker, en 90 gr. tot

de pool toe, beslaat.

§ 64.

Het toppunt (zenith) is het punt, dat loodregt boven ons verheven, en

dus 90 gr. van den gezigteinder af is; maar het toppunt van Franeker

is 53. gr. 15 m. ten noorden van de evennachtslijn gelegen (§ 63); dus

ligt onze gezigteinder 36 gr. 45 m. ten zuiden van de evennachtslijn,

en bij gevolg is het noorderaspunt der Aarde aan den zuidkant 36 gr. 45

m. plus 90 gr. of 126 gr. 45 m. en aan den noordkant maar 53 gr. 15

m., boven den gezigteinder verheven. De gezigteinder van Franeker

(en zoo ook van alle plaatsen, die tusschen de evennachtslijn en het

aspunt zijn) ligt dan schuins ten aanzien van de evennachtslijn; maar

vermits al de sterren zich evenwijdig aan de evennachtslijn bewegen,

bewegen zij zich schuins ten opzigte van den gezigteinder, dat is, zij

beschrijven cirkels, die met den gezigteinder schuinsche hoeken maken.

§ 65.

Hoe meer nu eene ster in hare standplaats boven de evennachtslijn

verheven is, hoe hooger zij boven den gezigteinder staat; hoe grooter

boog zij dus moet beschrijven, om van den gezigteinder weder tot den

gezigteinder te geraken; hoe langer zij bij gevolg daarboven blijft

of langer zigtbaar is. Maar de Zon is des zomers 23 gr. 28 m. boven,

en des winters 23 gr. 28 m. beneden de evennachtslijn; dus blijft

de Zon hier des zomers langer boven de kimmen dan des winters en de

dagen zijn in den zomer langer dan in den winter.

§ 66.

Hieruit blijkt ook, dat al de sterren, die meer dan 36 gr. 45 m. boven

de evennachtslijn verheven zijn, te Franeker den gezigteinder nimmer

raken, en dus nooit ondergaan; zoo als b.v. de groote en kleine Beer,

Cassiopoea enz., en dat de sterren, die meer dan 36 gr. 45 m. beneden

de evennachtslijn zijn, nooit boven onzen gezigteinder verschijnen,

maar altijd onzigtbaar blijven.

§ 67.

Ons toppunt is 53 gr. 15 m. boven de evennachtslijn verheven;

des winters is de Zon 23 gr. 28 m. beneden die lijn, dus 76 gr. 43

m. van het toppunt af; maar des zomers is zij 23 gr. 28 m. boven de

evennachtslijn, dus maar 29 gr. 47 m. van het toppunt verwijderd. De

Zon nadert dan het toppunt allengskens, van den 21 December tot den

21 Junij; en verwijdert zich dan van daar, van den 21 Junij tot den

21 December. Dit is het vijfde verschijnsel.

§ 68.

Ziedaar de vijf voornaamste verschijnselen, welke de beweging der

vaste sterren en der Zon ons opleveren. Ik zal ze hier beknoptelijk

in een tafereel voordragen.

I. De sterren beschrijven dagelijks bepaalde cirkels om den as des

Aardkloots, en komen, op bepaalde tijden, op bepaalde standplaatsen

(§ 59).

II. De tijd, die tusschen twee achtereenvolgende middagen, of komsten

der Zon in den meridiaan, verloopt, is 24 uren; maar de vaste sterren

komen in 23 gemiddelde Zonne-uren 56 m. en 4 s. op de zelfde plaatsen

(§ 60).

III. De tijd der verschijning van iedere ster op eene bepaalde plaats

vervroegt dagelijks 3 m. 56 s., en dus zien wij niet altijd de zelfde

sterren op alle tijden des jaars (§ 61).

IV. De dagen worden allengskens langer van het begin des winters

tot het begin des zomers, gedurende den tijd, dat de Zon de teekenen

Capricornus enz. tot Cancer doorloopt; maar zij korten van het begin

des zomers tot het begin des winters, of gedurende dat de Zon de

teekenen Cancer enz. tot Capricornus beschrijft (§ 65).

V. Gedurende den eerstgemelden tijd nadert de Zon ons toppunt

allengskens; gedurende den laatstgemelden verwijdert zij zich van

hetzelve, en komt nader aan den gezigteinder (§ 67).

Dit zijn de vijf verschijnsels, welke een bewegelijk hemelsplein op

derzelver behoorlijke tijden, moet aanwijzen; en hieraan voldoet het

stuk, hetwelk wij thans nader beschrijven zullen, ten volle.

§ 69.

Het hemelsplein is een cirkelvlak van ongeveer 28 duimen in

middellijn. De voornaamste sterren, die ooit te Franeker kunnen

gezien worden (§ 66), zijn er op geteekend. De evennachtslijn is in

graden verdeeld. De ecliptica, die hier, zoo als het op een dergelijk

stuk behoort, uitmiddelpuntig aan de evennachtslijn is, snijdt haar

in de teekens Aries en Libra, en is in teekenen verdeeld; doch zij

maakt eene sleuf in het hemelsplein, zoodat hetzelve uit twee stukken

bestaat: het buitenste, dat van den rand tot aan de ecliptica komt;

het binnenste, dat aan de ecliptica begint, en het overige, tot aan

het middelpunt, behelst. Deze twee stukken zijn wederom aan elkander

gehecht, om maar één bord uit te maken; maar de sleuf is voor de

beweging der Zon, die op een stijltje, dat door de sleuf gaat, gehecht

is, noodzakelijk. Vervolgens is het aspunt der ecliptica ook op dit

plein 23 1/2 gr. uit het middelpunt, naar Capricornus of de Steenbok,

geplaatst; uit hetzelve gaat, naar het begin van ieder teeken, eene

kromme lijn; dus wordt het plein door die lijnen, welke de lengte der

Zon en der sterren te kennen geven, in twaalf deelen gedeeld. De lijn,

die door den Kreeft en den Steenbok gaat, is alleen regt, en gaat,

zoo als het behoort, door het middelpunt van het plein. Eindelijk

zijn de beide keerkringen (tropici) en de noorder-poolcirkel op het

plein geschilderd.

§ 70.

Het hemelsplein wordt door een cirkelvlak van 19 duimen omringd;

dit vlak verbeeldt den gezigteinder, zoodat men alleen die sterren

ziet, welke op het oogenblik, dat men het stuk beschouwt, boven de

kimmen zijn.

De rand van die vlakte, of van den gezigteinder, is in 24 uren

verdeeld; doch er zijn er maar 17 geschilderd, omdat de Zon nimmer meer

dan 17 uren boven de kimmen is. De uren van den middag tot middernacht

zijn met Romeinsche letters, van boven, of van het zuider gedeelte

af, aan de regterhand geteekend; die van middernacht tot den middag

staan aan de linkerhand, van het noorder gedeelte van den meridiaan,

tot boven, of tot den middag.

§ 71.

Het middelpunt van den gezigteinder verbeeldt ons toppunt; dit is

derhalve 36 gr. 45 m. boven het middelpunt van het hemelsplein, of het

aspunt der Aarde, geplaatst, opdat dit aspunt aan den noordkant maar 53

gr. 15 m. en aan den zuidkant wel 126 gr. 45 m. van den gezigteinder

zoude af zijn, zoo als de standplaats van Franeker zulks vereischt

(§ 64).

§ 72.

Door het toppunt gaat, van 12 u. des middags tot 12 u. middernacht,

eene regte lijn, die den meridiaan verbeeldt; uit hetzelve gaan naar

den gezigteinder eenige kromme lijnen, die de acht hoofdstreken van

het kompas aanduiden, opdat men gemakkelijk zoude weten, in welk

gedeelte des hemels de Zon of de sterren, op verschillende tijden

des daags of des nachts, zijn. Eindelijk gaan er uit dat punt van

den meridiaan, hetwelk met het middelpunt van het hemelsplein, of

het aspunt der Aarde, overeenkomt, 17 regte lijnen naar de uren,

die op den gezigteinder geteekend zijn. Doch, vermits de Zon nooit

digter dan 66 1/2 gr. aan het aspunt komt, gaan al die lijnen niet

verder dan tot den 60sten graad van het aspunt af, en rusten alle

op eenen cirkelboog. De uurlijnen geven te kennen, hoe laat het is,

als de Zon zich achter dezelve bevindt. Deze lijnen, het zij regte,

het zij kromme, worden alle door zeer dunne koperdraadjes verbeeld,

die het plein niet raken, om zijne bewegingen niet te belemmeren.

§ 73.

Het hemelsplein draait eens rond in 23 u. 56 m. 4 s.: dus ziet men al

de sterren in haren waren tijd bewegen, opkomen en ondergaan, of in

den meridiaan komen, zoo als de hierboven aangestipte verschijnselen

het vereischen.

Het bord, op hetwelk het stijltje, dat, door de sleuf van de ecliptica

gaande, de Zon draagt, vast is, beweegt zich in 24 u. Dus schijnt de

Zon zich dagelijks met den sterrenhemel te bewegen, haren dagboog af

te leggen, naar mate der standplaats, waarin zij zich bevindt; komt

op den behoorlijken tijd op, vervolgens in den meridiaan en gaat onder.

Ten tweeden gaan de sterren dagelijks 3 m. 56 s. rasser dan de Zon,

en vervroegen zoo veel; hetwelk het zelfde is alsof de Zon zich,

in den tegengestelden zin, van het westen naar het oosten, dagelijks

gedurende 3 m. 56 s, bewoog; vermits zij zich, door die vervroeging

der sterren, dagelijks 59 m. 8 s. verder, volgens de orde der teekenen,

op de ecliptica bevindt, en dus dezelve in één jaar doorloopt.

Men ziet dan, hoe de schijnbare dagelijksche beweging der sterren

en der Zon, en bovendien de jaarlijksche beweging der Zon te gelijk,

naauwkeurig op dit hemelsplein vertoond worden.

§ 74.

De ecliptica is, zoo als wij gezegd hebben (§ 69), uitmiddelpuntig aan

de evennachtslijn op het plein geteekend, en het plein uitmiddelpuntig

aan den gezigteinder, of het toppunt, bewegelijk; dus bevinden de

verschillende teekens der ecliptica zich, in hunne dagelijksche

omwentelingen, op verschillende afstanden van het toppunt. Het

teeken Capricornus is er het verst van af, en dus het digtst aan den

zuidelijken rand van den gezigteinder; integendeel is Cancer het naast

aan het toppunt, en het meest van den gemelden rand verwijderd. Wanneer

dan de Zon, in het einde van Junij, in Julij enz. tot het einde van

December, van Cancer naar Capricornus gaat, verwijdert zij zich van

het toppunt; doch nadert hetzelve, als zij zich in het einde van

December, in Januarij enz. tot het einde van Junij, van Capricornus

naar Cancer begeeft. Zij beschrijft dan in het eerste geval kortere en

in het tweede langere dagboogen. Het lengen en korten der dagen en de

jaargetijden worden dus ook, op hunnen behoorlijken tijd, aangewezen

(§ 67, 68).

§ 75.

Wanneer de Zon opkomt, of ondergaat, wijst zij op den oostelijken,

of westelijken, rand van den gezigteinder het uur van haren op- of

ondergang; vervolgens wijst zij, door de verschillende uurlijnen,

het uur des dags. Doch, om ook des nachts den tijd der verschijnselen

te onderscheiden, is er vlak over de Zon een wijzertje, dat, zoodra de

Zon onder is, boven den gezigteinder komt, en boven denzelven de plaats

en de beweging aantoont, welke de Zon onder den gezigteinder heeft,

en bij gevolg ook het uur des nachts op de uurlijnen aanwijst. Men

weet derhalve altijd, hetzij des daags, hetzij des nachts, hoe laat

het is, en dus op welk uur iedere ster op- of ondergaat, of in den

meridiaan komt, of op eene bepaalde plaats is.

§ 76.

Uit het bijgebragte blijkt, hoe vernuftig hier alles vervaardigd

is, om de verschijnselen des sterrenhemels naauwkeurig aan te

toonen. Ik kan echter niet voorbij aan te merken, dat al de uren,

welke hier aangewezen worden, gemiddelde Zonne-uren zijn, omdat de

Zon hier eene éénvormige beweging, volgens hare middelbare snelheid,

heeft. Doch de Zon beweegt zich sneller, wanneer zij in haar naaste,

dan wanneer zij in haar verste punt is; in het eerstgemelde geval

doorloopt zij wel 61 m. 11 s. op de ecliptica, in het tweede maar 57

m. 11 s., in plaats van 59 m. 8 s., zoo als wij, volgens de middelbare

snelheid, ondersteld hebben (§ 60). Doch men telt in de zamenleving

altijd maar 24 u. tusschen den eenen middag en den anderen, hetzij

dat de Zon 61 m. 11 s., hetzij dat zij 57 m. 11 s. in dien tijd

doorloope; en men zegt altijd, dat het 12 u. is, wanneer de Zon in den

meridiaan komt. Dit noemt men den waren tijd. Wanneer de Zon 61 m. 11

s. doorloopt, verloopen er meer dan 24 gemiddelde Zonne-uren; in deze,

immers, legt de Zon maar 59 m. 8 s. af; en bij gevolg is het reeds meer

dan 12 u. gemiddelde tijd, wanneer de Zon in den meridiaan komt, of

wanneer het 12 u. ware tijd is; dus verachtert de Zon ten opzigte van

den gemiddelden tijd. Maar, wanneer de Zon maar 57 m. 11 s. doorloopt,

verloopen er minder dan 24 gemiddelde Zonne-uren, en bij gevolg is het

nog geen 12 u. gemiddelde tijd, wanneer de Zon in den meridiaan komt;

dus vervroegt dan de Zon op den gemiddelden tijd. Waaruit blijkt, dat

de ware en de gemiddelde tijd meest altijd van elkander verschillen.

Bij deze eerste oorzaak van het verschil tusschen den waren en

den gemiddelden tijd, voegt zich eene tweede: de helling van de

ecliptica op de evennachtslijn: want de weg, dien de Zon aflegt,

wordt op de ecliptica, en de tijd op de evennachtslijn gerekend; dus

moet de gemelde Zonneweg tot de evennachtslijn overgebragt worden;

maar uit oorzaak der helling van de ecliptica, zal het zelfde getal

graden van dezen cirkel dan eens een grooter (zoo als in Capricornus

en Cancer), dan eens (zoo als in Aries en Libra) een kleiner getal

graden op de evennachtslijn uitmaken, dus eenen grooteren of kleineren

boog op dezelve beslaan, en bij gevolg, zelfs met uitsluiting van de

reeds gemelde eerste oorzaak, den tijd van den eenen middag tot den

volgenden grooter of kleiner doen zijn, en een verschil tusschen den

waren en den gemiddelden tijd te weeg brengen.

Dit zijn de twee te zamen, doch somtijds tegenstrijdig werkende

oorzaken van het verschil, hetwelk meest altijd tusschen den waren en

den gemiddelden tijd plaats heeft, en van de gelijkheid, die viermaal

in het jaar, namelijk tegen den 23 December, 14 April, 15 Junij en

31 Augustus, tusschen dezelve gevonden wordt.

§ 77.

De sterrekundigen zijn gewoon tafels te gebruiken, in welke het

verschil tusschen den waren en den gemiddelden tijd, hetwelk men

vereffening des tijds (aequatio temporis) noemt, voor iederen dag,

in minuten en seconden, berekend is, omdat alle de uurwerken, eenige

kunststukken uitgezonderd, niet dan den gemiddelden tijd kunnen

aanwijzen [74]. Er moet dan ook, om den waren tijd der verschijnselen

door dit hemelsplein te kennen, eene dergelijke tafel gebruikt worden,

ten zij dat Eisinga te eeniger tijd goedvond, middelen te beramen,

om de Zon op zijn hemelsplein den waren tijd te doen aanwijzen. En

waarlijk, hij heeft reeds zoo vele zwarigheden, welke mij veel

aanmerkelijker voorkomen, overwonnen, dat ik niet twijfel, of hij zal

die, welke zich hier mogten opdoen, ook gemakkelijk te boven komen,

zoodra hij er maar op denken zal.

Beschrijving van het Rijks-Planetarium te Franeker Van 1772 tot 1780 uitgedacht en vervaardigd door Eise Eisinga · 第 32 / 61 题