't Was inderdaad een merkwaardig jaar, dat jaar 1572!
Na den mislukten aanval van Bossu op den Briel, mislukt door
den dapperen tegenstand der Geuzen en de kloeke daad van den
stadstimmerman, Rochus Bartelmeeuwsen Conincx, die de schutsluis van
het Brielsche Nieuwland openhakte en zoo het Maaswater de Voornsche
polders in deed stroomen, tot verderf der Spaansche soldaten, wier
dapperheid tegen dien vijand niets vermocht, hadden de gebeurtenissen
elkander verbazend snel opgevolgd. Op den eersten Paaschdag was
Vlissingen voor de zaak der vrijheid gewonnen en Vere had dat voorbeeld
gevolgd, terwijl Arnemuiden gemakkelijk door de Geuzen veroverd
werd. Wel had Treslong, die met krachtige versterkingen de Vlissingers
te hulp was gesneld, een vergeefschen aanval op Middelburg gedaan en
werd zelfs Arnemuiden door de Spanjaarden heroverd, maar Vlissingen en
Vere bleven behouden en daarmede het grootste gedeelte van Walcheren.
Van uit Vlissingen verbreidde zich de opstand over het geheele
land. Enkhuizen koos de zijde van den Prins en drie dagen later werd
het sterke Bergen, in Henegouwen, door Lodewijk van Nassau, aan het
hoofd van een afdeeling Huguenoten, bij verrassing genomen. En nu
stelde de Prins van Oranje zich aan het hoofd van den opstand en zond
jonkheer Dirk van Sonoy als zijn luitenant naar Enkhuizen.
Oranje was eerst maar weinig ingenomen geweest met de inneming van den
Briel. Een dergelijk krijgshaftig avontuur strookte weinig met zijn
voorzichtigen, bedachtzamen aard. Meer staatsman dan legeraanvoerder,
handelde hij ook in zaken van oorlog gaarne naar een wel beraamd plan
en hij was ook met zijn plannen nog niet gereed. Die waren dezelfde
als in 1568. Hij wilde òf Frankrijk òf Engeland voor de zaak der
Nederlanden winnen, ook al zouden deze landen voor de buitenlandsche
hulp, waarop hij rekende, zich zware offers moeten getroosten. Dan
wilde hij met het leger, dat hij bezig was bijeen te brengen, een
inval doen in de Zuidelijke Nederlanden. Een Fransch leger zou van het
Zuiden oprukken en een algemeene opstand zou het werk bekronen. Zóó
zou een einde worden gemaakt aan Alva's tirannie.
De onverwachte en onvoorbereide opstand kwam den Prins dus weinig
gelegen, en hoewel hij een te ervaren staatsman was om zich niet aan te
passen aan de omstandigheden en de leiding der beweging te aanvaarden,
nu hij die niet meer kon verhinderen, deed hij dat toch aanvankelijk
met groote vreeze voor den goeden uitslag. Maar Gods wegen zijn de onze
niet! Oranje's plannen zouden falen en de bondgenooten, op wier hulp
hij had gehoopt, zouden hem ontvallen. God wilde Nederland verlossen,
maar het zou geschieden door een Gideonsbende.
De bewoners van een paar geringe gewesten aan de kust der Noordzee:
visschers, matrozen, kooplieden en handwerkers,--zij zouden het
zijn, die het machtige Spanje zouden vernederen en de vrijheid,
bovenal de vrijheid om God te dienen naar de inspraak hunner harten,
zouden bevechten.
Thans, nu de Prins de beweging had erkend, nu de West-Friesche steden
zijne partij hadden gekozen, volgde heel Holland dat voorbeeld. Het
eerst ging Oudewater over. Den 19en Juni verscheen de Heer van Swieten,
aan het hoofd van een gewapende bende, voor de poorten der stad en
eischte haar op in den naam van den Prins. Hij werd zonder verzet
binnen gelaten. Twee dagen later werd Gouda zonder strijd bezet en het
kasteel, waarin zich de charterkamer van Holland bevond, gaf zich na
korten tegenstand over. Den 23sten Juni opende Leiden de poorten voor
een afdeeling ballingen en geuzen uit Gouda. De positie der Spaansche
troepen in Holland werd hachelijk. Hunne verbinding met Utrecht was
bijna afgesneden. Nog was de weg over Schoonhoven en Gorcum open, maar
in die steden lag geen Spaansche bezetting en de burgerij was zeker
niet te vertrouwen. De stedelijke regeering mocht uit voorzichtigheid
de Regeering getrouw blijven, het volk wachtte slechts op eene gunstige
gelegenheid, om zich voor de zaak der vrijheid te verklaren.
Ondertusschen bleef Lumey in den Briel vrijwel werkeloos. Aan den
strijd in Zeeland nam hij persoonlijk geen deel, en de Hollandsche
steden wilden niets van den woesten en wreeden Luikerwaal weten.
Kort na de inneming van den Briel had Marinus Brand Schiedam en
Delftshaven bezet, maar hij werd door Bossu van uit Rotterdam spoedig
verdreven. Lumey hield zich ondertusschen bezig met een onbarmhartige
priestervervolging. Inderdaad had hij aan zijne kapiteins last gegeven
"om alle papen met hunne complicen te vanghen ende deselve alhier
in den Briel te brenghen". En velen hunner kwamen dien last maar al
te goed na, Treslong zelfs niet uitgezonderd. In een brief aan de
regeering van Brouwershaven verklaarde deze, dat de Geuzen niemand
aan lijf en goed schade wilden doen, met uitzondering "van de papen,
monnijcken ende andere papistische schelmen".
Lumey's eerste slachtoffer was Hendrik Boogaard, pastoor van Helvort,
die eerst was gevlucht, maar later teruggekeerd. Op den eersten
Paaschdag werd hij door de Geuzen gevangen genomen en naar den Briel
gevoerd. Toen Lumey hem niet door bedreigingen tot afval kon bewegen,
liet hij hem hangen.
Zóó was de geest onder de Watergeuzen: een geest van wraakzucht en
vervolgingslust. En de weinige edele figuren onder de aanvoerders
waren niet in staat dien geest der overgroote meerderheid te
bedwingen. Geloofsvervolging en verdrukking, jaren lang mokkend
verdragen en eindelijk openlijk weerstaan, droegen wrange vruchten,
en de bloedige wraak, die de Geuzen namen, trof veelal onschuldigen.
Nu ten gevolge van de gebeurtenissen in Holland de Maas geheel open
lag, werden de Watergeuzen in den Briel weer roeriger. Men wist,
dat er te Dordrecht veel aanhangers van den Prins waren en dat een
aanslag op die belangrijke stad veel kans van slagen zou hebben. Een
kleine vloot werd uitgerust en zeilde den 23sten Juni, onder bevel
van Barthold Entesz van Mentheda de Maas op, om, zoo 't kon, Dordt
voor den Prins te winnen.
De "Blauvoet" nam geen deel aan deze expeditie, maar kapitein Martens,
wien, als zoovelen zijner krijgsmakkers, het doelloos toeven in den
Briel verdroot en die geen deel wenschte te nemen aan de strooptochten
in den omtrek, waar vele Geuzenbenden zich nog aan schuldig maakten,
had zich als vrijwilliger bij de onderneming aangesloten. Dit was
althans een eerlijke krijgstocht in het belang der goede zaak, en
te dienen onder Barthold Entesz, den woesten maar dapperen Frieschen
edelman en ervaren aanvoerder, was zeker geen schande.
Zoo bevond Jacob Martens zich op het schip van Entesz, met Pieter
de Welle, die verzocht had, hem te mogen vergezellen. De verhouding
tusschen beiden was in den loop der jaren wel eenigszins veranderd. De
omstandigheid, dat Jacob Martens thans zijn eigen schip commandeerde,
had daarop weinig invloed, maar naarmate de Welle ouder werd, werd
hij somberder en meer in zich zelf gekeerd. Hij haatte de Roomsche
priesters, "de afgodische papen," zooals hij en zijne geestverwanten
ze noemden, met een bitteren en doodelijken haat. Aan roof- en
plundertochten nam de vroegere boschwachter van president Martens
geen deel, maar als er kans was, een klooster te bestormen en te
verbranden of een priester op te lichten, dan behoorde de Welle
tot de eersten. Hij las zijn bijbel, maar sinds lang waren het de
verhalen van strijd en wrake van het Oude Testament, de donkere
vloekpsalmen en de toornende profetieën tegen de Heidenen, waar hij
zich het liefst in verdiepte en hij beschuldigde in zijn hart zijn
jonker van lauwheid in het werk des Heeren, wanneer Jacob Martens,
waar hij kon, de uitspattingen van baldadigheid en wreedheid tegen
weerlooze geestelijken trachtte te verhinderen.
Gedreven door een frisschen Westenwind zeilde de flottille statig
de breede rivier op, angstig nageoogd door de Hollandsche boeren,
die de Geuzenschepen thans kenden en vreesden,--om maar al te
goede redenen. De tijd, dat het Oranje-blanje-bleu vendel door alle
landzaten als het symbool der bevrijding zou worden beschouwd, was
aanstaande,--maar hij was er nog niet!
Men voer thans Rotterdam voorbij en men behoefde niet te vreezen,
dat de schepen van Bossu de haven zouden uitloopen, om den Geuzen den
doortocht te betwisten. Alva's stadhouder had thans de handen vol en
hij kon geen manschappen missen.
Barthold Entesz staarde naar de stad, wier statige St. Laurenskerk
zich boven de lage huizen verhief.
--"Die van Rotterdam hebben ook ondervonden, wat de Spaansche trouw
beteekent," zei hij bitter tegen Jacob Martens, die naast hem stond.
--"Bossu heeft schandelijk zijn woord gebroken en de arme burgers
hebben het moeten ontgelden," stemde Jacob toe. "'t Is bitter, dat er
zooveel onschuldigen het slachtoffer worden van den oorlog. Als men
maar vocht op goede krijgsmansmanier! Die twee Spaansche hoplieden
en de zestien musketiers, die op bevel van den admiraal aan den molen
van Brielle werden gehangen, waren ook krijgsgevangen gemaakt in een
eerlijk gevecht en hun eenige misdaad was, dat zij trouw bleven aan
hun vaandel."
--"Op een harden knoest past een scherpe bijl," zei de Fries
onverschillig. "Waren de onzen in hunne handen gevallen, het was hun
niet beter gegaan. Maar ge zijt te weekhartig, jonker Martens. Dapper
genoeg in 't gevecht, kameraad," voegde hij er met ruwe hartelijkheid
bij, "maar gij zijt te week voor die vervloekte papisten! Hebt gij
en van Dorp u er ook niet tegen willen verzetten, toen Lumey dien
paap van Helvort liet hangen? Opruiming moeten wij houden onder het
goddeloos afgodisch gespuis!"
--"Soude ik niet haten, Heere, wie u haten? Ik haet ze met eenen
volkomen haet! Tot vijanden zijn ze mij, zegt de Schrift," zeide de
Welle, die achter hen stond en het gesprek had aangehoord.
Barthold Entesz knikte den ouden Geus goedkeurend toe. 't Kwam niet in
hem op, den man te berispen, omdat hij zich ongeroepen in het gesprek
van zijn meerderen mengde. De geheele organisatie der Watergeuzen,
met hun eigenaardige vermenging van alle rangen en standen, onder wie
een gewezen dijkwerker als Marinus Brand een gewichtig commandement
was toevertrouwd, terwijl jonge mannen van goeden huize dienst deden
als gewone matrozen, maakte een strenge toepassing van de krijgstucht
onmogelijk. In het gevecht gehoorzaamden allen hun aanvoerders--en
dat was de hoofdzaak.
--"Laten wij de Spanjolen bevechten als vijanden van God en van
Zijn Kerk," antwoordde Jacob. "Wij willen God den Heere tot onzen
opperkapitein nemen, dien wij hopen en niet en twijfelen, dat Zijn
volk niet verlaten zal, maar verlossen uit de tirannie en groote
benauwingen van den Duc d'Alve. Maar wij moeten geen weerlooze
priesters, geen monniken en nonnen vangen en martelen, die ons geen
leed gedaan hebben."
--"Geen leed gedaan? Zij heulen met den Spanjool! 't Zijn de bloedige
adhaerenten van Alva en zijn bloedraad," viel Entesz heftig uit. "Zij
hebben mede Gods kinderen vervolgd en getempteerd en zij bedriegen het
volk met hunne paapsche supersticiën. Laat ze hunne dolingen afzweren,
dan worden zij gespaard!"
--"Jonker, jonker," waarschuwde de Welle, "laat uw deel niet zijn met
Saul, die verworpen werd, omdat hij Agag spaarde, toen de Heere hem
had geboden Amalek te verbannen. Lezen wij niet van David, den man
naar Gods hart, dat hij de vijanden Israëls sloeg met de scherpte
des zwaards en niemand verschoonde, want het waren de vijanden van
God en van Zijn volk."
--"David was een man Gods!" riep Jacob ijverig, "maar hij leefde onder
't Oude Verbond en wij hebben het gezuiverde Evangelie. Als wij de
paapsche Inquisitie bestrijden, die eenvoudige en simpele menschen
worgt en brandt om de goede belijdenis, moeten wij niet doen als
zij. Als Christen, kapitein Entesz..."
--"Ik noeme mij geen Christen," viel Entesz norsch in, terwijl zijn
voorhoofd in dreigende rimpels trok. De beide anderen keken hem
zwijgend aan. Op de Geuzenvloot kenden allen de woeste uitbarstingen
van drift van den Frieschen edelman. Maar Entesz bedwong zich.
--"Ben ik geen Christen," zoo ging hij bedaarder voort, "of houde ik
mij niet gelijk een Christen betaamt, zoo wil ik nochtans Christus'
zaak voorstaan en mijn vaderland dienen met mijn lijf en bloed. En ik
wil naarstig het mijne doen, tot afbreck, vernielinghe ende anulacie
van den Ducq de Alba met zijne bloedige adhaerenten, om weder in
te voeren het waarachtige Woord Gods, ende dat voor allen te doen
prediken, ende alzoo te mogen genieten onzer vaderen landen ende
vrijheden, daar wij thans ballingen af zijn!"
--"Zoo dient ge dan toch de zaak der vrijheid dezer landen als de
zaak Gods?" riep Jacob levendig.
Entesz haalde de schouders op.
--"Daar zijn in een kruidtuin," zei hij rustig, "verschillende
kruiden en planten, doch niet alle zijn even gunstig en dienstig tot
medicijnen. Ben ik geen dier kruiden, dan echter ben ik de haagdoorn
en maak de hegge mede uit, die zoodanigen kruidtuin bewaart; alzoo
behoor ik derhalve noodwendig tot den kruidtuin."
--"God geve, dat gij nog eens, anders dan als de doornheg, tot den
kruidtuin moogt behooren," zeide Jacob trouwhartig.
--"Daar zeg ik Amen toe," zeide de ander ernstig. "Maar wij zullen
ondertusschen niet twisten, kapitein Martens. Tegenover den Spanjool
staan wij schouder aan schouder en dan wensch ik mij geen beter
krijgsmakker. Maar wanneer 't aankomt op het uithalen van een
papennest, zal ik dat u niet opdragen. In trouwe, daar heb ik wel
andere hulp voor;"--en hij wees op het schip, dat achter hen aan
voer. "Marinus Brand zal dat werk gaarne van u overnemen en nog meenen,
Gode een dienst te doen!"
En nu begonnen de torens van Dordrecht op te duiken boven den dijk. Het
vaarwater werd breeder en na een paar uren lag de oude koopstad, met
haar haven, die van masten wemelde, voor de Watergeuzen open. Een paar
schepen, die op stroom hadden gelegen, slipten de ankers, heschen de
bruine zeilen en trokken zich haastig terug.
--"De Dordtsche wachtschepen," zeide Barthold tot Jacob Martens. "Die
van de stad zullen nu wel weten, wie zij voor hebben."
Vóór de haven lieten de schepen der Watergeuzen het anker vallen. De
geschutpoorten waren geopend en de monden der bassen waren dreigend op
de stad en de koopvaarders aan de kaden gericht. Handbussen en pieken,
enterbijlen en houwers werden aan de bemanning uitgedeeld, voor het
geval, dat het noodig mocht blijken, geweld te gebruiken, maar eerst
moest de stad worden opgeëischt, en die eervolle, maar gevaarlijke
taak werd door Entesz van Mentheda aan Jacob Martens opgedragen.
Met de jol van het admiraalsschip liet deze zich naar den wal roeien,
en er waren er onder de op de kade saamgestroomde menigte genoeg, die
den Geus als gids wilden dienen naar het Raadhuis, waar de Vroedschap
vergaderd was.
De Magistraat zat deerlijk in verlegenheid. 't Was geen groote macht,
die de goede stad Dordt bedreigde, maar de aanvallers telden vele
geestverwanten onder het volk, ja onder de gezeten burgerij. Op
den steun der gilden noch der schutters kon men rekenen, en de
stadhouder Bossu was te Utrecht, te ver om tijdig hulp te kunnen
bieden. Kapitein Martens toonde zich een geschikt en edelmoedig
onderhandelaar en hij boezemde de erentfeste leden van de Vroedschap
vertrouwen in. Met twee hunner keerde hij terug naar het admiraalsschip
en het bleek, dat Entesz van Mentheda, trots zijn dweepzieken haat
tegen de Roomsche geestelijkheid, een te ervaren aanvoerder was,
om niet zijn driften en zijn wraakzucht te kunnen bedwingen, nu het
gold, de machtigste koopstad van Holland zonder slag of stoot te
winnen voor zijn partij. Dordrecht gaf zich over, maar het verkreeg
gunstige voorwaarden: alle regenten, beambten en geestelijken zouden
ongestoord hunne bediening blijven waarnemen, een van de kerken zou
worden afgestaan aan de Gereformeerden, maar verder zouden alle kerken,
kloosters en geestelijke gestichten gespaard blijven, de privilegiën
der stad bleven gehandhaafd, en over het algemeen zou de bestaande
orde van zaken worden bestendigd. Barthold Entesz van Mentheda deed
zijn volk landen en bleef de stad met driehonderd man bezetten en het
schijnt, dat de Friesche edelman de voorwaarden, door hem bewilligd,
getrouw is nagekomen. Hij zond kapitein Martens met een der kleinere
schepen naar den Briel, om aan Lumey de blijde tijding van den overgang
van Dordt te brengen.
Maar ondertusschen zon hij op nieuwe plannen. Gorcum lag niet ver
van Dordrecht, en het was zaak zich van die stad meester te maken,
vóór Bossu er bezetting in legde. Niet zonder bedoeling had hij
onder de mannen, met wie hij zijn krijgstocht ondernam, een aantal
Gorcumsche ballingen opgenomen, die, omdat zij in 1566 de hagepreeken
hadden bijgewoond, oproerige requesten geteekend en "vive le Geus"
geroepen, op lijfstraf uit de stad waren gebannen en wier bezittingen
waren verbeurd verklaard.
Onder hen was een kleine, donkere kerel, Wenzel Borchmans, onder
de Geuzen bekend als "'t Swartje van Gorcum", een der roerigsten en
meest ondernemenden. Deze man had bekenden onder de bevolking van zijn
geboortestad en hij was er zeker van, dat de burgerij geen tegenstand
zou bieden. En wanneer hij zijn woeste krijgsmakkers het droevig lot
van de martelaars Barend de Naeyre en Hans van Maeseyck vertelde,
die vier jaren geleden op het schavot te Gorcum waren geworgd en
daarna verbrand, omdat zij kettersche predikaties hadden aangehoord
en kettersche predikanten hadden geherbergd, dan brandden de wilde
gezellen van begeerte, om met hen, die die daad hadden gepleegd,
af te rekenen. En zoo kon Barthold Entesz op vrijwilligers genoeg
rekenen. Den 24sten Juni was Dordrecht overgegaan en reeds den 26sten
verscheen Marinus Brand met 14 kleine vaartuigen en 150 man voor
Gorcum. Meer had Entesz er niet te missen!
Maar het was genoeg! Wel had de drost, Caspar Turc, zijn zoon naar
Utrecht gezonden, om Bossu om hulp te vragen, maar de Geuzen waren
hem te vlug. Te halfacht was Brand met zijn flottille voor de stad
gekomen en te drie uren opende de burgerij de poort voor de Geuzen. De
drost had geweigerd, zich over te geven. Met veertig gewapenden--de
geheele bezetting--trok hij zich terug in het sterke kasteel en de
aanzienlijkste Roomschen met de beide pastoors en de monniken uit
het klooster der Franciscanen vonden daar een schuilplaats.
't Was een waagstuk, die verdediging van het kasteel. Kon de drost
zich staande houden, tot de vendels van Bossu tot ontzet kwamen
opdagen, dan zouden de Geuzen moeten aftrekken. Maar de wallen en de
buitenwerken waren te uitgestrekt, om ze met een zoo kleine bezetting
te verdedigen. Toen de aanval begon, moest men zich terugtrekken in
het hoofdgebouw, een sterken toren. Maar ook daar bleek de tegenstand
vruchteloos. Waarschijnlijk vreesden de verdedigers voor hun leven,
wanneer de sterkte stormenderhand zou worden veroverd en vóór de
troepen, door Bossu gezonden, de stad hadden bereikt, gaf het kasteel
zich over.
Had men voorwaarden kunnen stellen? De Roomsche schrijver, die de
inneming van stad en kasteel uitvoerig heeft beschreven, verzekert,
dat Marinus Brand allen, die zich in de sterkte bevonden, lijfsbehoud
en vrijen aftocht had toegezegd, doch met achterlating van al hunne
bezittingen, en het is zeer waarschijnlijk, dat deze voorstelling
de ware is. De Geuzen wisten zeer goed, dat de Spaansche vendels
met geforceerde marschen naderden en er moest hun alles aan gelegen
zijn, om zich van het sterke kasteel meester te maken en zich daar te
verschansen, vóór hunne komst. En dat bleek zeker juist gezien, want
de Spanjaarden moesten onverrichter zake aftrekken. Maar wanneer een
dergelijke overeenkomst is gesloten, dan is zij zeker niet nagekomen.
Kapitein Brand was eigenlijk geen slecht mensch. Van geringe
afkomst, had hij zijn positie te danken aan zijn onverschrokken
dapperheid. Maar hij was een man van een zwak karakter, zooals uit zijn
latere geschiedenis blijkt. De wilde Watergeus, de onderbevelhebber
van Entesz van Mentheda, zou weinige jaren later terugkeeren tot de
Roomsche kerk en de wapenen voeren tegen zijn vaderland, om in het
duin bij Schagen een roemloozen dood te vinden. Thans schijnt hij niet
bij machte te zijn geweest zich door zijne woeste ondergeschikten
te doen gehoorzamen. Toen de Geuzen meester waren van het kasteel,
werden de mondeling toegestane voorwaarden niet nagekomen. De bezetting
kon ongedeerd vertrekken, evenals de meeste leeken, nadat zij alles
van waarde hadden moeten afgeven, terwijl sommigen nog een losgeld
moesten betalen. Maar de drost en drie aanzienlijke burgers, Bommer
en zijn zoon en De Koninck, die de burgerij hadden aangezet, om hunne
stad tegen de Geuzen te verdedigen, werden gevangen gehouden, evenals
de beide pastoors, de rector van het nonnenklooster en de twintig
Franciscaner monniken met hun gardiaan, den eerwaarden Leonard Pieck.
En nu hadden godsdiensthaat en wraakzucht vrij spel. "'t Swartje van
Gorcum", met zijn vrienden en geestverwanten, dreven hun baldadigen
moedwil met de gevangen geestelijken. Dien geheelen dag,--'t was
een Vrijdag--hadden de gevangenen geen eten of drinken gehad. Thans,
tegen den avond, zette men hun vleesch voor, om hen te dwingen, den
vastendag te schenden. De uitgeputte mannen bleven het gebod hunner
kerk getrouw en weigerden het hun aangeboden voedsel. Slechts één
hunner, Pontus Heuterus, een geleerd man, die later als Latijnsch
dichter en historieschrijver naam zou maken, maar die blijkbaar weinig
voelde voor het martelaarschap, at hetgeen hem werd voorgezet, terwijl
hij beweerde, dat in zulke buitengewone omstandigheden de kerkelijke
voorschriften niet golden.
't Zou dien nacht nog erger worden. Waarschijnlijk opgewonden door
het zware Gorcumer bier, drongen een aantal Geuzen andermaal de
gevangenis der geestelijken binnen en eischten geld. De oudste pastoor
en de rector van het vrouwenklooster, die terstond alles afgaven,
wat zij bij zich hadden, kwamen er genadig af. Maar de jongste
pastoor, Nicolaas van Poppel, die bij de Gorcumsche ballingen, te
recht of ten onrechte, als een ijverig ketterjager bekend stond,
en die niets bezat om de hebzucht zijner belagers te bevredigen,
werd wreed mishandeld. Men sloeg hem een strop om den hals, die over
de openstaande deur werd geslagen; zoo trok men hem telkens omhoog
en liet hem weer neerploffen, tot hij halfdood bleef liggen.
Ook de gardiaan der Franciscanen werd op dezelfde wijze gemarteld. De
Geuzen eischten, dat hij hun den verborgen kloosterschat zou wijzen,
en zij wilden hem door hun folteringen daartoe dwingen, zonder op
zijn verzekeringen, dat die schat niet bestond, acht te slaan. Ook
hem heschen zij herhaalde malen tegen de deur op en lieten hem ten
laatste zoo lang hangen tot het koord brak en het lichaam van den
gemartelde op den steenen vloer viel. Zij lieten hem voor dood liggen,
maar toen zijn beulen vertrokken waren, kwam hij weder bij.
En Marinus Brand deed niets om den moedwil van zijn manschappen te
beteugelen. Hij zond bericht naar Dordt en naar den Briel en vraagde om
nadere orders. Toch verhinderde hij niet, dat de Gorcumsche Magistraat
een bode naar den Prins van Oranje zond, die te Aldenkerken, in 't
land van Gelder, vertoefde, om aan te dringen op de nakoming van het
verdrag en de loslating der gevangenen. Zijn geheele houding teekende
besluiteloosheid.
Zijne onderhoorigen bleven de gevangen geestelijken kwellen en
zelfs mishandelen, al kwam het niet zoo ver als op dien beruchten
Vrijdagavond. Des Maandags daarop werden de Koninck en de oude Bommer
op de markt terecht gesteld en de zoon van den laatste zou het lot
van zijn vader hebben gedeeld, wanneer niet een jong meisje hem aan
den voet van het schavot had "verbeden", d. i. hem openlijk tot haar
man had begeerd. Dit was een oud recht, en hetzij omdat de Geuzen
de aloude privilegiën wilden handhaven, hetzij omdat een opgewonden
menigte gemakkelijk van het eene uiterste in het andere vervalt,
het werd door de overwinnaars geëerbiedigd en de jonge man werd in
vrijheid gesteld. Brand stond zelfs toe--iets wat Lumey nimmer zou
hebben veroorloofd--dat de oudste pastoor zijn gevangenis verliet, om
zijn veroordeelde geloofsgenooten in hun uiterste bij te staan. Toen
het vonnis was voltrokken liet men hem vrij.
De terechtstelling van deze beide mannen, wier eenige misdaad was, dat
zij zich tegen de Geuzen hadden willen verzetten, was zeker tegen de
bedongen voorwaarden en een daad van volkomen noodelooze wreedheid,
die kapitein Brand had behooren te verhinderen. Met de gevangen
geestelijken zou het echter wellicht nog goed zijn afgeloopen, zonder
de onvoorzichtigheid van Leonard Vechel en de tusschenkomst van Lumey.
Twee dagen na den dood van de Koninck en Bommer was het feest
der Annunciatie en het is weer teekenend voor Brand's houding,
dat hij pastoor Vechel toestond, in de groote kerk van Gorcum,
op dien Katholieken feestdag voor zijne gemeente te prediken. Nu
meende deze, dat alle gevaar voor hem voorbij was. Zijne zuster was
uit den Bosch te Gorcum aangekomen, om de tijding te brengen, dat
hun oude moeder ernstig ziek was en zij had van den Geuzenkapitein
een paspoort gekregen of wellicht gekocht. Nog dienzelfden middag
zou pastoor Vechel met zijn zuster de stad verlaten en in veiligheid
zijn. De boot, die hem naar Woudrichem zou overzetten, lag gereed en
daar stond het tweespan klaar, dat hem verder zou brengen.
En nu is 't zeker verklaarbaar, maar het was toch eene
onvoorzichtigheid, dat pastoor Vechel er zich niet toe bepaalde, zijn
parochianen te troosten en te bemoedigen, maar dat hij ook scherpe
woorden richtte aan het adres zijner tegenpartij,--al had die dit
dan ook ruimschoots verdiend.
Dit had reeds bij de Geuzen en bij hunne aanhangers onder de burgerij
verbittering gewekt. En toen het nu in den namiddag in de stad
ruchtbaar werd, dat de pastoor naar Woudrichem was overgestoken,
werd die verbittering woede. Pastoor Vechel was in vrijheid gesteld,
op zijne belofte, dat hij de stad niet zou verlaten. De schutters waren
borg voor hem gebleven. Dat hij van Brand een paspoort had gekregen,
wist men niet. Waarschijnlijk had deze daar geen ruchtbaarheid aan
durven geven. Men verdacht den pastoor van woordbreuk en verraad. De
verbitterde Geuzen vielen in de booten, staken de rivier over en
maakten zich van den geestelijke meester, vóór hij Woudrichem had
kunnen verlaten. Het paspoort, waarop hij zich wilde beroepen, werd
ongelezen in stukken gescheurd en hij werd als gevangene naar zijn
lotgenooten op het kasteel gebracht.
De verbittering der Geuzen had nieuw voedsel gekregen en Brand, wiens
verklaring hem nog had kunnen redden, miste den moed, om tusschenbeide
te komen.
En inmiddels was er den vorigen dag een sinistere persoonlijkheid
komen opdagen: Jan van Omal, een Luikerwaal, evenals Lumey, en diens
handlanger, een gewezen kanunnik, maar die de tucht der Roomsche
kerk slechts had verlaten, om zich over te geven aan de gemeenste
uitspattingen, waaraan hij zich ook in den Briel schuldig maakte,
een van die lage naturen, die een schande en een vloek zijn voor elke
partij, bij wie zij zich aansluiten.
En deze man was door Lumey naar Gorcum gezonden, met den last, de
gevangen geestelijken terstond naar den Briel te brengen. Zonder het
onvoorzichtig gedrag van Leonard Vechel was het waarschijnlijk wel
mogelijk geweest, dat vertrek uit te stellen, om te wachten op het
antwoord van den Prins, dat elken dag kon komen, en dat de gevangenen
zou hebben gered.
Ondertusschen ging Omal niet terstond over tot het uitvoeren van
den last, die hem was opgedragen. Het gemakkelijk succes van Brand
prikkelde hem tot jaloerschheid. Had deze met een geringe macht Gorcum
veroverd, hij, Omal, wilde op zijne beurt beproeven Zalt-Bommel in
te nemen, waar de Geuzen ook aanhangers hadden onder de burgerij. Met
een kleine vloot waagde hij de onderneming, maar de aanslag mislukte:
de Geuzen werden teruggeslagen en Omal keerde te Gorcum terug, op den
dag, dat pastoor Vechel weer bij zijne lotgenooten was gevangen gezet.
En nu was het lot der gevangenen beslist. Omal wilde hen volgens het
bevel van Lumey naar den Briel vervoeren en de Gorcumsche vroedschap
durfde zich niet verzetten. In den nacht van Zaterdag op Zondag
werden de geestelijken in een open schuit ingescheept, nadat zij
door de hebzucht en de baldadigheid hunner bewakers voor een groot
deel van hunne bovenkleederen waren beroofd. 't Was zomer, ja, maar
't was kil op de rivier en verscheidene van de slachtoffers waren
hoogbejaard. Te Dordt, waar hun vaartuig een paar uren stil lag,
liet men de gevangen priesters als wilde dieren aan de nieuwsgierigen
voor geld zien. Eindelijk, des Maandagsmorgens, nog voor het openen
der poorten, kwam de schuit aan het havenhoofd van den Briel aan.
Jacob Martens lag nog te bed, in een van de door de bewoners
verlaten huizen der stad, waarin hij zijn kwartier had gevestigd,
toen Frederik van Dorp zich bij hem liet aandienen. Hij werd terstond
toegelaten. Het open en edel gelaat van den jongen krijgsman toonde
onrust en bezorgdheid.
--"Een kwade tijding, vriend Martens," zei hij somber. "Jan van Omal
is met een geheele schuit papen zooeven aangekomen, en de admiraal is
hun dadelijk tegemoet gereden, met allen, die hem wilden volgen. Ik
vreeze zeer, dat dit weer een droevige zaak van mishandeling en moord
zal worden, van menschen, die dolen en gevangen zijn in hun paapsche
supersticie, maar die men toch niet als wilde dieren mag uitroeien."
--"Als die Luikerwaal, die Omal, de hand in de zaak heeft, zal 't
wel zoo zijn," antwoordde Jacob driftig. "Die terechtstelling van den
kanunnik Berwout Jansz was een gruwel. De man werd vermoord op last
van Omal, omdat de herbergierster Marijke Fasols zijn huis begeerde
en haar dochter Omal's lief was. Het was een schande, dat de admiraal
het toestond."
--"Als Treslong, de Rijk en Ruychaver dachten als wij, konden zij
misschien iets doen," zeide van Dorp, "maar zij achten het leven
van een priester weinig, al minachten zij Omal. Ik sprak er over met
Ruychaver. Hij zei, dat de dronken verloopen kanunnik hem niet raakte,
maar dat Lumey hem steunde en dat wij in dezen tijd geen twist konden
zoeken met hem en met zijn Luikerwalen. De eendracht onder de mannen
was meer waard dan het leven van tien papen. En 't is misschien te
begrijpen, dat de oudere kapiteins er zoo over denken, nu alles op
't spel staat. Maar ga mee naar de haven! Wij dienen toch te weten,
wat er met de gevangenen gedaan wordt."
Jacob Martens had zich ondertusschen haastig gekleed. Hij gespte
den degen om en de beide jonge mannen stapten de poort uit en naar
het havenhoofd, waar de gevangen geestelijken werden ontscheept. 't
Was een droevig tooneel! Op bevel van Lumey, die te paard gezeten
de ontscheping bijwoonde, werden de gevangenen twee aan twee in een
rij geschaard en onder het gegrinnik en de schimpscheuten van de
toegestroomde Geuzen en van het Brielsche grauw zette de treurige
stoet zich in beweging. Lumey eischte, dat zij een kerklied zouden
zingen, en de moedige mannen, die den dood voor oogen hadden, hieven,
zij het dan ook met van koude en uitputting sidderende stemmen, een
"Te Deum Laudamus" aan.
Zoo ging het voort over de hobbelige keien van de havenkade, eerst naar
een galg, die buiten de poort was opgericht. De gevangenen openden
den stoet, bewaakt door Omal en hun gewapend geleide, Lumey en zijn
staf volgden te paard, en om hem verdrong zich de joelende menigte,
zich vermeiend in het lijden en de vernedering der gehate papen.
Voorzeker, het zaad van tirannie en geloofshaat, jaren lang met zoo
kwistige hand gezaaid, droeg in die dagen wrange vruchten!
Toen de gevangenen de galg zagen, die het eerste doel was van den
bangen tocht, meenden zij reeds, dat hun laatste uur was geslagen, maar
dat lag niet in de bedoeling van Lumey: hij wilde zijn slachtoffers
voor het oogenblik slechts vernederen en schrik aanjagen. Toen men
de galg was voorbij getrokken, ging het weder naar de stad, door de
Noordpoort naar de markt, waar een tweede galg was opgericht. Ook
daarlangs moesten de geestelijken zingend defileeren. Toen werden zij
allen te zamen opgesloten in een van de kelders der gevangenis. Zij
vonden er de pastoors van Heinenoord en Maasdam, die reeds vroeger
door de Geuzen waren gevangen genomen en eenige uren later kwamen
daar nog twee praemonstratenser monniken uit Middelburg bij, die den
dienst in de kerk van het dorp Monster hadden waargenomen, maar door
een stroopende bende waren opgelicht.
Met verontwaardiging en ingehouden toorn hadden Jacob Martens
en Frederik van Dorp het droevig tooneel aanschouwd. Zij konden,
de mishandeling der weerlooze geestelijken niet verhinderen. De
overgroote meerderheid der Geuzen was op de hand van Lumey en Omal,
velen, zooals Pieter de Welle en Jan Smeert de Borst uit verbittering
en wilden haat, anderen uit baldadige wreedheid. Zelfs onder de besten
van dien tijd waren er maar weinigen, die Oranje's verdraagzaamheid
konden begrijpen en waardeeren. Hadden zij zich tegen de wreede
behandeling der afgetobde monniken met geweld willen verzetten,
dan zouden hun eigen mannen hen niet hebben gevolgd.
Toch had hun houding op het havenhoofd en wellicht ook de uitdrukking
van hun gelaat, de aandacht getrokken van twee mannen, in de dracht
van gegoede burgers, die op eenigen afstand de ontscheping der
gevangenen hadden gadegeslagen. Het waren de beide broeders van den
gardiaan Leonard Pieck. Zoodra het in Gorcum bekend was geworden, dat
de gevangenen naar den Briel waren gevoerd, hadden zij begrepen, dat
zij alleen daar iets tot redding van hun broeder konden beproeven. Zij
hadden een snel zeiljacht gehuurd, en goed van geld voorzien waren zij
eenige uren vóór de schuit van Omal aan het havenhoofd aangekomen. Zij
waagden veel, maar Gorcum had nu immers de zijde van den Prins gekozen
en als Gorcumsche burgers achtten zij zich veilig.
Zij hadden zeer wel opgemerkt, dat de beide jonge officieren geen
teekenen van voldoening en instemming hadden gegeven bij de ontscheping
van den gardiaan en zijn lotgenooten en bij de door Lumey bevolen
beschimping der gevangenen, die door de andere Geuzen met luid gejuich
en gelach was begroet. Dit gaf hun moed, hen aan te spreken en hen
voorzichtig te vragen wat wel het lot der priesters zou zijn en of
men ook toegang zou kunnen krijgen tot den graaf van der Mark.
Natuurlijk werden zij met eenig wantrouwen aangehoord. Toen zegevierde
echter hun liefde voor hun broeder over hunne voorzichtigheid. Zij
maakten zich bekend als de broeders van den gardiaan. Hun broeder,
de Eerwaarde Leonard Pieck, had er geen schuld aan, dat de baljuw
Caspar Turc het kasteel tegen de Geuzen had verdedigd,--en misschien
zou de graaf van der Mark een rantsoen van hem willen aannemen,
een groot rantsoen! Ook voor de andere gevangenen wilden zij wel een
losprijs betalen of waarborgen, als de graaf zijne eischen niet te
hoog stelde...
Inderdaad was er bij Lumey met geld veel te bereiken, en de beide
Gorcumers schenen vermogende lieden, die er veel voor over hadden
om hun bloedverwant te redden. Zoo kon wellicht worden verhoed, dat
de zaak een treurig einde nam. De beide Geuzenkapiteins beloofden
de broeders, dat zij hun zoo mogelijk een gehoor bij den graaf van
der Mark zouden verschaffen. Wanneer zij vrijgevig waren in hun
aanbiedingen en er voor zorgden, de ijdelheid van den admiraal niet
te kwetsen, was er kans op een goeden uitslag.
Dienzelfden middag werden de gevangen geestelijken--het waren er nu
meer dan twintig--naar het raadhuis gebracht, waar Lumey, omringd
door zijne officieren, hun een verhoor afnam. Hun eenige misdaad was
hun godsdienst en hun geestelijke stand. Alleen den beiden pastoors
kon wellicht nog ten laste gelegd worden, dat zij de burgers hunner
stad hadden aangezet om aan de Geuzen weerstand te bieden.
In de groote zaal, waar anders de schepenen en de baljuw vergaderden,
om recht te spreken, zat de admiraal en monsterde met zijn stekende
zwarte oogen de ongelukkige priesters, wier lot hij in handen had,
en die nu bleek en bevend, na een bangen, slapeloozen nacht in hun
vunzigen kerker, voor hem stonden. Zijn vertrouweling, Jan van Omal,
die het best van alle aanwezigen met de gevangenen bekend was, stond
naast hem. Het zware, zwarte haar golfde neer op zijn schouders en
hij woelde met de hand in den langen baard; deze vreemde Nazireër had
immers gezworen, dat hij haren noch baard zou scheren, vóór hij den
dood van Egmond en Hoorne had gewroken. Toen hij zich een poos had
vermeid in de ontsteltenis, die zijn aanblik de weerloozen blijkbaar
inboezemde, begon hij hen met barsche stem te beschuldigen van snoode
afgoderij en het aanhangen van verdoemelijke paapsche supersticiën,
waarmee zij het volk op een doolweg brachten. Wilden zij zich bekeeren
tot de gezuiverde Gereformeerde religie en hunne paapsche dolingen
op staanden voet afzweren, dan konden zij op genade hopen.
--"Hij is zeker een fraai voorbeeld van een aanhanger der gezuiverde
Christelijke religie," fluisterde van Dorp Jacob Martens in. De
losbandigheid van hun Waalschen aanvoerder was reeds lang velen der
Hollandsche Geuzenkapiteins een ergernis.
Man voor man werd nu den gevangenen afgevraagd, of zij bereid
waren, aan den eisch van hun rechter te voldoen. Bijna allen bleven
standvastig. Een eenvoudige leekebroeder wekte de lachlust der
Geuzenkapiteins, toen hij bij wijze van geloofsbelijdenis verklaarde,
dat hij "alles geloofde, wat zijn gardiaan geloofde". Alleen Pontus
Heuterus, de geleerde monnik, die reeds vroeger had getoond, dat hij
weinig lust had in het martelaarschap, de pastoor van Maasdam en een
leekebroeder, gaven een dubbelzinnig antwoord. Zij werden van hun
lotgenooten gescheiden.
Met de anderen zou het misschien toen reeds slecht zijn afgeloopen,
wanneer Jacob Martens en Frederik van Dorp niet tusschenbeide gekomen
waren. Zij drongen naar voren en verlangden den admiraal te spreken
over een zaak van gewicht. Wrevelig stemde Lumey toe, maar zijn gezicht
helderde op, toen de beide kapiteins hem de aankomst van de broeders
Pieck mededeelden, die den gardiaan wilden redden en die blijkbaar wel
genegen waren, een goed rantsoen te betalen. Het verzoek streelde zijn
ijdelheid en wekte tevens zijn hebzucht. Twee aanzienlijke Gorcumsche
burgers, die genade kwamen vragen voor hun broeder, en die voor die
gunst grof wilden betalen! Hij liet voor 't oogenblik de gevangenen
terug brengen naar hun kerker en hij deed de Gorcumers ontbieden,
die in de Stadsherberg den uitslag hunner pogingen afwachtten.
Het scheen een oogenblik, of zij zouden slagen. Lumey scheen op hunne
voorstellen in te gaan. Toch lieten zijn trots en zijn fanatieke
haat tegen de Roomsche geestelijkheid niet toe, dat een paap aan
zijne handen zou ontkomen, zonder voor hem te bukken. Hij zon op
een uitweg. Den volgenden dag zou de gardiaan en zes der voornaamste
geestelijken opnieuw worden verhoord. Twee Gereformeerde predikanten
zouden met hen redetwisten,--vooral over de oppermacht van den
paus. Wanneer de gevangenen zich op dat punt rekkelijk toonden, dan...
De broeders van Leonard Pieck waren vol hoop. Zij zouden tot den
gardiaan worden toegelaten en zij zouden trachten hem te overreden,
in schijn op sommige minder belangrijke punten toe te geven. Wat
deerde het, of hij den onwetenden Geus misleidde?
Het twistgesprek had plaats, maar de gardiaan bleek
onverzettelijk. Zijne tegenstanders waren trouwens weinig geschikt, om
hem en de zijnen van dwaling te overtuigen. 't Waren de gewezen pastoor
van den Briel, thans predikant der stad, en een zijner ambtsbroeders,
een gewezen schipper uit Gorcum, misschien een vroom, ijverig man,
maar zeker geen godgeleerde.
Nog gaven de broeders Pieck het niet op en het blijkt wel, dat Lumey op
dat oogenblik bereid was, hen zoo ver mogelijk tegemoet te komen. Hij
stond hun toe, den gardiaan mede te nemen naar de Stadsherberg, om
hem daar te verplegen en hem de gelegenheid te geven, zich van de
geleden ontberingen te herstellen. Daar zouden zij nogmaals trachten,
hem te bewegen, zich in schijn te onderwerpen.
De beter gezinden onder de Geuzen konden dus hopen op een goeden
afloop. 't Is waar, dat er maar weinigen onder hen waren, die zich
het lot der gevangen priesters bijzonder aantrokken. 't Was een harde
tijd en de bloedige handhaving der plakkaten tegen de ketterij,
door een groot deel der Roomsche geestelijkheid toegejuicht, lag
allen nog te versch in het geheugen. Maar zij achtten de vervolging
en mishandeling der priesters een nuttelooze en noodelooze wreedheid,
krijgslieden onwaardig. De admiraal kon zich met betere dingen bezig
houden, dan met plundering en priestermoord. Dat Dordrecht en Gorcum
genomen waren was goed, maar er was meer te doen tot bevrijding des
lands en de vloot lag werkeloos voor den Briel voor anker.
De pogingen om de gevangenen te redden zouden echter falen. Wat hun
redding had moeten brengen, werd hun verderf.
Den 7den Juli, denzelfden dag, waarop de geestelijken te Brielle
waren aangekomen, had de Gorcumsche Magistraat het antwoord van den
Prins ontvangen. Het luidde zooals men hoopte en kon verwachten, want
nimmer heeft Oranje geloofsvervolging goedgekeurd, al heeft hij die
niet altijd kunnen beletten. De Prins gelastte in zijn brief alle
overheden en krijgsbevelhebbers, dat zij geen geestelijke om zijn
stand of om zijn geloof zouden lastig vallen, maar dat allen, die
tot den geestelijken stand behoorden, evenals de overige ingezetenen,
behoorden te worden beschermd en volle vrijheid zouden genieten.
De brief werd aan kapitein Brand ter hand gesteld, die er niet
weinig verlegen mee was. Zijn gedrag en dat van zijn onderhoorigen
was zeker niet geweest volgens die voorschriften. Hij liet van den
brief een afschrift maken en zond een Gorcumsch advocaat, die zeer
voor de belangen der gevangenen had geijverd, met dat afschrift en
een vrijgeleide naar den Briel. De Gorcumsche vroedschap voegde er
brieven van aanbeveling bij.
Alles scheen dus in orde,--maar men had buiten Lumey gerekend.
In den namiddag van den 8sten Juli, kort na het tweede verhoor, kwam
de bode te Brielle aan en werd terstond tot den admiraal der Geuzen
toegelaten. Lumey verkeerde in een zeer slechte stemming. Hij voegde
den bode op barschen toon toe, dat hij sedert lang allen papen, die
hem in handen vielen, den dood had gezworen, om wraak te nemen wegens
den moord op Egmond en Hoorne en tal van edelen, door de papisten
gepleegd. De Prins van Oranje had zich met de handelingen van den
Graaf van der Mark niet te bemoeien. Om zijne bevelen bekommerde hij
zich niet.
Dien avond wond hij zich meer en meer op. Hij dronk veel en dat maakte
zijne stemming niet beter. Door den brief van den Prins was zijne
ijdelheid gekwetst en zijn toorn werd nog heviger, toen hij bemerkte,
dat men hem niet den origineelen brief, maar slechts een afschrift
had gezonden. Nu Oranje zich met de zaak had bemoeid, zouden die
Gorcumers ook wel niet meer bereid zijn, een hoog rantsoen voor de
papen te betalen. Maar hier in den Briel was hij heer en meester en
hij behoefde van niemand bevelen af te wachten.
Laat in den avond liet hij nog den provoost-geweldige ontbieden, den
voltrekker van de crimineele vonnissen in het leger en op de vloot,
en gaf hem bevel, de gevangen priesters terstond uit de gevangenis
te halen en ze buiten de stad op te hangen. Jan van Omal, met een
wacht gewapende Geuzen, zou toezien, dat alles volgens zijn bevelen
geschiedde.
Het bevel werd opgevolgd. De gevangenen werden uit den kerker gehaald,
Leonard Pieck werd, tot ontzetting zijner broeders, die hem reeds gered
waanden, van zijn bed in de stadsherberg gelicht, en bij het licht van
een paar toortsen en handlantaarns trok de stoet der veroordeelden,
een en twintig in getal, door de straten van den Briel, tot buiten
de poort.
En daar werd de laffe, zwakke daad volbracht.
Er was geen galg, groot genoeg voor de een en twintig veroordeelden,
maar Omal wist raad. Buiten de poort lagen de bouwvallen van het
klooster Rugge, dat door de Geuzen was verwoest. Daar stond een
groote turfloods ledig. Daarheen werden de ongelukkigen gevoerd,
en de balken van de schuur dienden tot galg. Twee van hen redden
hun leven, door hun geloof te verloochenen; één van hen was Pontus
Heuterus. De anderen werden in koelen bloede opgehangen. Volgens den
tijdgenoot, die deze dingen beschreven heeft, stierven zij moedig, met
een gebed op de lippen,--martelaars, stervende voor hunne overtuiging,
als zoovele ketters vóór hen in den dood waren gegaan.
Maar hun dood zou een vlek werpen op den strijd der Nederlanders vóór
de vrijheid en tegen vorstelijke tirannie en geloofsdwang.
En Lumey's daad draagt bittere vruchten,--tot op dezen dag!