XVII.

De Zeeuwsche of Vlaamsche visschers of kustvaarders, die in den

morgen van den 30sten Maart 1572--Palmzondag--op de Noordzee,

ter hoogte van Duinkerken, rondzwalkten, zouden in 't Zuiden zeil

op zeil aan den horizon hebben zien opdoemen, een talrijke vloot,

die door den krachtigen Zuid-Westenwind voortgedreven, met volle

zeilen uit het Kanaal kwam stevenen. En wanneer hij aan masten en

stengen de kleuren had kunnen onderscheiden, het Oranje-blanje-bleu in

drie, zes of zelfs negen banen, dan zou hij haastig het roer hebben

gewend, om de beschermende nabijheid der zandbanken aan de kust op

te zoeken. Want die kleuren--weldra het symbool der vrijheid en der

verlossing uit vreemde dwingelandij--waren thans voor hem nog een

bedreiging; immers zij, die ze voerden, ontzagen ook de schepen en de

have van den landgenoot niet, dien zij als bewoner van de erflanden

van den Spaanschen koning als vijand beschouwden. En terwijl hij alle

zeilen bijzette, om uit het vaarwater der snel naderende schepen te

komen, zou hij wellicht met een verwensching de vuist hebben gebald

en een naam hebben gemompeld, die de zeevarenden en de bewoners der

Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche kusten sedert eenige jaren met

vreeze vervulde: de Watergeuzen!

De Watergeuzen! De ballingen, die, uit het land hunner geboorte

verdreven, op zee een toevluchtsoord hadden gezocht en in den

zeeroof een middel van bestaan, waren verbazend snel in aantal

toegenomen. Eerst eenzame zwervers, hadden zij zich weldra tot

kleine eskaders vereenigd, sterk genoeg om de vloten van gewapende

koopvaarders aan te vallen, om roof- en plundertochten te land te

ondernemen. Zoo waren zij de schrik der zeeën geworden, een gevaar

voor den handel en de scheepvaart, en de weinige Placaetschepen,

waarover Boschhuyzen, Alva's admiraal, kon beschikken, waren niet

voldoende om de vlugge, stoutmoedige kapers te bedwingen, die

in Embden en La Rochelle, in Duins en in Dover vrijhavens vonden,

waar zij hun buit te gelde konden maken, en zich van mondvoorraad en

munitie konden voorzien.

Toen was de Prins op het denkbeeld gekomen, om deze woeste, maar

dappere mannen te organiseeren en hun roofzucht dienstbaar te maken

aan de zaak der vrijheid. In 1568 had Lodewijk van Nassau de eerste

"bestellingen ter zee" uitgereikt aan Diederik van Sonoy, kaperbrieven,

die de tuchtelooze piraten tot oorlogvoerenden maakten, in den dienst

van den Prins van Oranje, een onafhankelijk Vorst des Rijks, tegen

Alva en diens aanhangers, ook tegen de Spanjaarden, al werd koning

Philips II in naam nog erkend als de wettige vorst dezer landen. De

Watergeuzen zouden zich aan een zekere tucht onderwerpen. Adriaan van

Bergues, Heer van Dolhain, werd door den Prins benoemd tot admiraal

der nieuw geschapen zeemacht en er werd een buitregeling ingevoerd:

één derde zou bestemd worden voor de krijgskas van den Prins, één

derde voor de bevelhebbers, één derde voor de bemanning der schepen.

De aanvoerders der Watergeuzen waren spoedig gewonnen voor het

plan, waardoor hun oorlogsdaden werden gewettigd en hun aantal werd

versterkt, en de besten hunner zagen zeker ook in hoe belangrijk de

genomen maatregel kon zijn voor de zaak der vrijheid. De kaperbrieven

werden uitgereikt en gretig ontvangen, maar toch werd het plan nimmer

geheel uitgevoerd, ook niet toen de onbekwame Dolhain in Augustus 1570

door Guislain de Fiennes, Heer van Lumbres, werd vervangen. Aan de

schatmeesters van den Prins werd nimmer een penning van de opbrengst

van den buit afgedragen en de Watergeuzen onderwierpen zich evenmin

aan het gezag van den hun onbekenden admiraal. Toen de stoute kapers

in Maart 1571 kun kans schoon zagen, om 31 koopvaarders, terugkeerende

uit de Oostzee, te nemen, lieten zij die niet glippen, al waren er ook

acht schepen bij, die zich veilig waanden in het bezit van brieven

van vrijgeleide, hun door Lodewijk van Nassau gegeven. Groot zijn

de verdiensten der Watergeuzen geweest voor de zaak der vrijheid,

maar door hun optreden werd de handel der Hollandsche steden, werd

de algemeene welvaart zoo benadeeld, dat een van de eerste verzoeken

der Staten-Generaal, door den Prins op 15 Juli 1572 te Dordrecht

bijeengeroepen, was, de kaperbrieven, de "bestellingen ter zee",

in te trekken, een verzoek, waaraan door Willem van Oranje wijselijk

werd voldaan.

Toch had de poging tot organisatie der ongeregelde scheepsmacht

belangrijke gevolgen. Een aantal mannen van onbesproken naam kwamen

de vloot der Watergeuzen met hunne gewapende schepen versterken. Er

werd een algemeen reglement van krijgstucht ingevoerd, en zoo goed

mogelijk werd de hand gehouden aan de bepaling, dat zich op elk schip

een predikant moest bevinden, die de godsdienstoefeningen moest leiden

en moest voorgaan in het gebed,--al is het waarschijnlijk, dat er

onder die "bedienaren des Woords" wonderlijke figuren zijn geweest.

In Maart 1572 lagen er op de reede van Duins en Dover een

vierentwintigtal Geuzenschepen voor anker, om zich uit te rusten

voor nieuwe rooftochten, toen zij van de Engelsche Regeering, die

hun tot nog toe wèlgezind was geweest, plotseling bevel kregen,

onverwijld de Engelsche havens te verlaten. Koningin Elisabeth, die

niet ongaarne zag, dat hare ruwe en rumoerige gasten den Spaanschen

handel afbreuk deden, durfde toch niet openlijk met Spanje breken. En

zoo had zij ditmaal toegegeven aan Alva's dringende vertoogen, en den

Watergeuzen het verblijf in hare havens verboden. Zóó onverwacht was

het bevel om te vertrekken gekomen, dat de meeste schepen zelfs den

tijd niet hadden, proviand in te nemen. En nu deden de kapers, wat

zij dikwijls deden, wanneer zij zich vereenigden om een of andere

onderneming te wagen. Zij besloten "admiraliteyt te maken". Een

der stoutste aanvoerders werd dan tijdelijk tot admiraal verheven

en gehoorzaamd door de andere kapiteins, tot de krijgstocht was

afgeloopen en de behaalde buit verdeeld, om dan weer uiteen te gaan

en op eigen gelegenheid hun zwervend leven voort te zetten. Ditmaal

was de keus gevallen op Graaf Willem van der Marck, Heer van Lumey,

den dapperen, maar woesten vijand der Spanjaarden en priesters, den

man, die de Nazireeërsgelofte had afgelegd, dat hem haren noch baard

zouden worden geschoren, vóór hij den dood van de graven van Egmond

en Hoorne gewroken had. Zijn hooge rang, zijn woeste dapperheid en

zijn krijgsmansgeluk maakten hem voor 't oogenblik den aangewezen

aanvoerder, al waren er onder de Geuzenkapiteins nobele en meer

bezadigde naturen, die den Luikschen edelman, wiens wilde wreedheid

zij afkeurden, ongaarne volgden.

Maar thans, van hunne vrijhavens in Engeland verstoken, wisten allen

wel, dat zij een stouten slag moesten wagen of anders van honger en

ellende omkomen. Er was thans een sterke vloot bijeen, men zou 's

konings "placaetschepen" in het Vlie gaan opzoeken en zoo mogelijk

nemen of vernielen, om dan de koopvaarders, uit de Oostzee komende,

buit te maken. Ja, er waren zelfs vage plannen, om een aanslag te

wagen op Enkhuizen, om zoo een steunpunt voor de vloot te verwerven

in het Vaderland, en kapitein Ellert Vliechop, de Enkhuizer burger,

had daarop in den scheepsraad krachtig aangedrongen, al commandeerde

hij maar een gewapende visschersschuit. Hij wilde van zijn vaderstad

"een jong Rotseel", een nieuw la Rochelle maken. "Wij zullen Enkhuizen

hebben," had hij verklaard, "al zou ik er voor op een rad moeten

zitten. Zij zullen daar niet veel weers doen: wij weten, dat er

veel volks daarbinnen is, ons gunstig gezind." Nu, de onderneming

was misschien niet onmogelijk,--maar eerst moest gedacht worden aan

den buit. Er moest krijgsvoorraad, er moest leeftocht zijn--en de

Oostvaarders zouden het gelag betalen.

't Was een wonderlijk mengelmoes, die vloot van vier en twintig zeilen,

die daar noordwaarts het Kanaal uitstevende, alle koopvaarders of

visschersvaartuigen, ten oorlog toegerust. Groote razeilen van tachtig

last, met zestien stukken gewapend, wisselden af met lage boeiers

of kromstevens, zonder voor- en achterkasteel, met ranke buizen met

gaffelzeilen, met gewapende visschersbooten en krapschuiten en de

vlugge vliebooten van twintig tot zestig last.

En behalve de Prinsevlag, die op alle bodems wapperde, voerde elk

vaartuig een scheepsvlag, die, indien de kapitein een edelman was, de

kleuren van zijn geslacht vertoonde. Was 't een burger, die den bodem

commandeerde, dan liet hij zijn stadsvlag waaien. En de blazoenen

der edelen en de stemmiger kleuren van de wapens der Hollandsche

steden wapperden door elkander; een symbool van de éénheid van het

Nederlandsche volk, dat weldra schouder aan schouder zou optrekken

tegen vreemde tirannie en misbruikt vorstelijk gezag.

Van den mast van een vlieboot van twintig last, zeilende in den

voortocht, wapperden de roode rozen van het geslacht Martens en

op het achterdek stond Jacob, thans "schipper naast God van zijn

schip" en commandant van zijn eigen oorlogsbodem. Hij had eenige

jaren op de "bonne Fortune" gevaren; hij had den zeeoorlog leeren

kennen, den kaperoorlog op de Noordzee, "sans trêve ni merci", waar

het de bemanning der Spaansche koopvaarders betrof. Hij had er de

eenvoudige stuurmanskunst dier dagen beoefend, en toen een gewapende

vlieboot uit Vlissingen werd buitgemaakt en naar Dover opgebracht,

had de Chevalier d'Esprenay zijn gast edelmoedig het veroverde

vaartuig aangeboden als zijn aandeel in den buit. Er waren in de

Engelsche havens Hollandsche ballingen genoeg, die zich gaarne lieten

aanmonsteren voor een kruistocht, en de naam van den jongen kapitein,

die immers bij Austruweel had gevochten en die een van de aanvoerders

was geweest der Geuzen in West-Vlaanderen, was goed bekend onder zijne

landgenooten. En sedert voer hij ter kaapvaart voor eigen rekening,

met den lastbrief van den Prins, veelal in eskader varend met zijn

vriend, jonker Frederik van Dorp, den vromen Christen-krijgsman en

met Blois van Treslong en Nicolaes Ruyckhaver. Hij behoorde met hen

tot die aanvoerders der Watergeuzen, die vermaard en bij den vijand

gevreesd waren om hun vermetelen moed, die krijg voerden volgens

de zeden van hun tijd, doch die hun naam nimmer bevlekt hebben door

daden van woeste wreedheid, als zoovelen hunner makkers.

Van de campagne van zijn goede schip "de Blauvoet" liet kapitein Jacob

Martens den blik wijden over de grauwe golven der Noordzee, thans aan

alle kanten verlevendigd door de bruine en witte zeilen en de kleurige

vlaggen der Geuzenvloot. Vóór hem stevende een groot razeil, getooid

met de kleuren van Barthold Entesz van Mentheda, den stoutmoedigen

Frieschen Geus, die den voortocht commandeerde. De schepen van jonker

Frederik van Dorp en van Nicolaes Ruyckhaver waren met een aantal

kleine vaartuigen in zijn onmiddellijke nabijheid. Overal zag men de

masten en de tuigage van de andere schepen aan den horizon opduiken,

in het midden het zware razeil met het admiraalsvaantje aan de steng,

het schip van Lumey.

De wind was gunstig, de zeilen stonden strak en de roerganger kende

zijn taak. Achter hem knarste de zware roerpen met den "luiwagen"

over het dek en de "Blauvoet" luisterde prachtig naar den druk van

het roer en stoof voort over de witgetopte golven. De bemanning, voor

't grootste gedeelte forsche, stoere kerels, waren onder het bevel

van den stuurman bezig met de zeilen en het want of maakten hunne

wapenen schoon. Pieter de Welle, die op de "Blauvoet" als constabel

diende, zag de "bassen" na, de twaalf "gotelingen" of scheepskanonnen,

waarmee het schip was gewapend.

't Ging ditmaal "vóór den wind" inderdaad! Jacob Martens leunde tegen

den mast en de gebeurtenissen van de laatste paar jaren, sinds hij de

"bonne Fortune" betrad, gingen voor zijn geestesoog voorbij. De poging

tot bevrijding van de verdrukte landen, die zoo moedig was ondernomen

en die zoo jammerlijk had gefaald: Heiligerlee en Jemmingen en toen

de inval van Oranje, door het veldheerstalent van Alva zonder strijd

tot mislukking gedoemd. De dood van Egmond en Hoorne, van Anthonie

van Stralen en van Bakkerzeele, en van zoovelen, edelen en eenvoudige

burgers, de slachtoffers, door wier dood de ijzeren hertog den geest

des opstands in de erflanden van zijn meester wilde breken. Toen

de invoering der nieuwe belastingen, van dien beruchten "tienden

penning", zoo kwellend voor een handeldrijvend volk, nog ongewoon,

om zich door zijn landsheer drukkende lasten te zien opgelegd. En

dan altijd weer de ijdele hoop op hulp uit Frankrijk, telkens weder

teleurgesteld. Wèl lag land en volk gekluisterd aan de voeten van

den geduchten landvoogd. Alleen op zee waren de Nederlanders vrij,

op hun Geuzenvloot! Maar wat zou 't worden, als het tot dusverre

bevriende Engeland zijne havens voor de schepen der Geuzen sloot?

En wat hemzelf betrof, hij was thans geheel aan de zaak der vrijheid

verknocht. Zijn vader was niet lang lid geweest van den Raad van

Beroerten. Alva had daar andere mannen noodig, als Vargas en Hessels,

willige werktuigen in zijn hand. En President Martens was zijn

Kerk en zijn landsheer trouw, maar hij was er de man niet naar,

om het recht te buigen, teneinde de staatkundige plannen van den

hertog te dienen. Sedert lang bekleedde hij weder zijn ouden post als

voorzitter van het Hof van Vlaanderen. Jacobs moeder was gestorven;

onverzoend met haar zoon, in haar oogen een ketter en oproermaker,

was zij heengegaan. Madeleine was gehuwd met Thierry de St. Foy, die

thans hopman was van een Waalsch vendel van Noircarmes en wien zeker

een schitterende toekomst wachtte, als beschermeling van de Croys en

echtgenoot van de rijke erfdochter der de Bettes. Ook zijn zuster was

getrouwd met een Vlaamsch edelman en woonde op diens landgoed bij

Gent. Jacob wist dit alles, want trots Alva en zijn schrikbewind,

waren er nog Hervormden genoeg in Vlaanderen en Brabant, die zich

schuil hielden, maar die toch wel in 't geheim berichten durfden zenden

aan de ballingen, die steeds waren gericht aan vaste en betrouwbare

adressen in de Engelsche havens of te la Rochelle of Emden. Allen

leefden, naar 't scheen, tevreden en gelukkig in hun vaderland,

waar 't gezag des konings was hersteld. Hij was de uitgedrevene,

de verachte Geus, de strijder voor een verloren zaak.

Er kwam plotseling beweging onder de mannen op het dek. Van het schip

van Entesz dreunde een kanonschot. Er werden vlaggen geheschen en de

groote vlieboot veranderde van koers. Zonder een bevel af te wachten,

sprongen de matrozen van de "Blauvoet" in het want en haalde de

roerganger de roerpen over naar bakboord. Ook de andere schepen

wendden den steven en zetten koers naar het Noord-Oosten.

Kapitein Martens tuurde in de richting, die de vlaggeseinen

aanduidden. Aan den grauwen horizon doken de topzeilen van twee groote

schepen uit de golven op. Koopvaarders!

Rustig gaf hij zijne bevelen. De masten van de "Blauvoet" bogen onder

den druk der zeilen, de stukken werden geladen en men maakte zich

gereed voor het gevecht, want het was mogelijk, dat de nagejaagde

schepen tegenstand zouden bieden.

Inmiddels hadden de bedreigde koopvaarders de gevreesde Watergeuzen

herkend en ze zetten alle zeilen bij, om hun vervolgers te

ontkomen. Maar de zwaar geladen vaartuigen konden de vlugge vliebooten

niet ontwijken. Ze waren thans duidelijk zichtbaar: "een Biscayer

en een Nederlandsch schip," beweerden de bevaren zeelieden onder

de Geuzen.

Van het schip van Entesz viel weer een kanonschot: een teeken voor

de vervolgden om bij te draaien. Het scheen, dat de Biscayer zich

te weer wilde stellen. De Spaansche zeelieden wisten wel, welk lot

hun wachtte, wanneer hun schip genomen werd. Toen het bleek, dat zij

hun vervolgers niet konden ontzeilen, minderden zij zeil en maakten

zich klaar voor het gevecht. De Geuzen zagen, dat de boevenetten

waren opgehaald en toen het schip bij den wind oploefde, zag men de

dreigende monden der kanonnen.

Maar 't was een ijdel vertoon; de overmacht was te sterk. Eéns brandden

de Spaansche stukken los; toen gaf Barthold Entesz het Spaansche schip

de volle laag, en de "Blauvoet" en het "Zeepaard", de vlieboot van

van Dorp, waren nu ook dicht genoeg genaderd, om hunne kanonnen te

kunnen gebruiken. Reeds maakten de Geuzen zich gereed, den Biscayer

te enteren, toen deze de vlag streek. Het Hollandsche schip, dat aan

den strijd geen deel had genomen, volgde dat voorbeeld.

Juichend sprongen de Geuzen aan boord van de beide prijsgemaakte

schepen. 't Waren inderdaad koopvaarders, die van Cadiz kwamen en

koers zetten naar Antwerpen, met een rijke lading aan boord. Het lot

van de gevangen Spanjaarden was spoedig beslist. Voor hen hadden de

Geuzen maar één wet en recht: "de voeten spoelen"! De bemanning van

't Antwerpsche schip en de schipper, Claes Vaer van Brouwershaven,

werden gerantsoeneerd, hoewel er onder de Vlaamsche en Zeeuwsche

varensgasten waren, die zich liever bij de Watergeuzen aansloten en

dienst bij hen namen, dan dat ze gevangen bleven, tot er een losprijs

voor hen was betaald.

De prijsgemaakte vaartuigen waren goed gewapend en de Geuzenschepen

telden alle een sterke bemanning. Er werd besloten, ze niet te

verbranden of te doen zinken. Ze zouden een aanwinst zijn voor

de vloot. Het Spaansche schip kreeg tot kapitein Martinus Brand,

den onderbevelhebber van Entesz, een gewezen poldergast, doch die

zich door zijn ruwe dapperheid tot zijn tegenwoordige positie had

opgewerkt. Een luitenant van Blois van Treslong kreeg het bevel

over het andere vaartuig, en, welvoldaan over den behaalden buit,

zette de vloot der Watergeuzen, thans 26 schepen sterk, weer koers

naar het Noorden.

Op Maandag den 31sten Maart bevond zich de Geuzenvloot op de hoogte

van Egmond, maar zij voer niet meer met volle zeilen, voor den wind

de koningsschepen en den begeerden buit tegemoet. Dien nacht was de

wind meer en meer gaan krimpen. 't Was buiïg, heiïg weer geworden. Een

felle Noordwester blies door het want, en moeizaam oploevend, kampend

tegen wind en stroom, kwamen de schepen maar traag vooruit. En die

tegenspoed kwam de Geuzen zeer ongelegen. De schepen waren onvoldoende

geproviandeerd voor een langen kruistocht. Er diende een besluit te

worden genomen.

Een kanonschot van het admiraalsschip dreunde over de golven, en

de seinvlaggen aan den mast riepen de kapiteins tot den scheepsraad

bijeen.

't Was een wonderlijke vergadering, die daar in de kajuit van Lumey's

schip bijeen was. Naast Blois van Treslong, Frederik van Dorp,

Adam van Haren, Frederik van Inthiema, en andere vertegenwoordigers

van den Noord-en Zuid-Nederlandschen adel, zag men er Jan Abels,

den Frieschen zeerob, den vader van Tamme Abels, die nog altijd in

zijn krapschuit de zee onveilig maakte, en mannen uit het volk, als

Ellert Vliechop en Marinus Brand. Er waren fiere krijgsmansfiguren,

als Nicolaes Ruychaver en jonker Jacob Cabelliau, maar ook zag men

er het afzichtelijk gelaat van Gautier Herlijn, den zoon van den

vermoorden predikant van Valenciennes, wien de Walen van Noircarmes

neus en ooren hadden afgesneden en die den dood zou hebben gevonden op

den brandstapel, wanneer hij niet als door een wonder aan zijn vijanden

was ontkomen. Alle standen waren in dien scheepsraad vertegenwoordigd

en bijna alle Nederlandsche gewesten hadden die stoute en kloeke mannen

geleverd, die de ellende der ballingschap hadden gekozen, liever dan

het hoofd te buigen voor geloofsdwang en vorstelijke willekeur.

Het ging er rumoerig toe in dien scheepsraad, want er was aanvankelijk

maar weinig eenstemmigheid en er was, als 't er op aankwam, niemand,

die hier zijn gezag kon laten gelden. Al de Geuzenkapiteins waren

heer en meester op hun eigen schip. Vrijwillig erkenden zij Lumey als

admiraal, als aanvoerder bij de thans op touw gezette onderneming, maar

alleen zoo lang het hun goed docht. Er waren er, die wind en stroom

wilden trotseeren en al laveerend koers wilden zetten naar het Vlie;

er waren er, die naar de Engelsche havens terug wilden keeren. Weer

anderen stelden voor, een landing te beproeven op de Hollandsche kust.

En toen nam kapitein Blois van Treslong het woord, en hij wist de

woelige schaar te doen luisteren. Wind en stroom waren hen tegen,

zoo sprak hij, en vroede mannen trachtten niet het onmogelijke te

doen. Wat kon een landing baten in het woeste en eenzame duin van

Egmond en Schoorl? Waarom het dan niet liever beproefd met een der

zeegaten, meer in het Zuiden des lands? Met de monding van de Maas bij

voorbeeld? Daar waren ook koopvaarders uit Dordrecht en Rotterdam te

kapen, die door het Brielsche diep naar zee stevenden. En daar lag aan

den breeden Maasmond den Briel, thans van Spaansche bezetting ontbloot,

nu alle troepen te Utrecht waren saamgetrokken, den Briel, de vrije

koopstad, die hij zoo goed kende. Was zijn vader niet tot vóór twee

jaren baljuw van de stad en van den lande van Voorne geweest? Waarom

zou den Briel niet het la Rochelle der Geuzen kunnen worden? Als

havenstad lag het gunstig genoeg!

Zoo sprak Blois van Treslong en zijn woorden maakten indruk,

want de rustige en ervaren krijgsman had door zijn naam en zijn

krijgsbedrijven een invloed op de vloot, die door Lumey eigenlijk met

leede oogen werd gezien. Er werd besloten, dat men den gegeven raad

zou volgen. De sloepen en jollen brachten de Geuzenkapiteins weder

naar hunne schepen en weldra klonken de luide bevelen der schippers

en stuurlieden en het gejoel der matrozen, terwijl zij in het want

klommen, om de zeilen om te brassen. De vloot wendde den steven en

gedreven door den krachtigen Noordwester, die hen zooeven nog had

tegengehouden, zetten de Geuzenschepen koers naar den mond van de Maas.

En zoo geschiedde het, dat op Dinsdag den 1sten April de schippers

van eenige koopvaarders, die, geankerd in het Brielsche Diep, op eene

gunstige gelegenheid wachtten om uit te loopen, twee vreemde razeilen

ontwaarden, die onder klein zeil langzaam den Maasmond instevenden. 't

Waren de schepen van Brandt en van Haren. En achter hen doken nog meer

masten en topzeilen uit de golven op. En het Oranje-blanje-bleu, dat

wapperde aan masten en stengen, was voor deze Nederlanders nog niet

het symbool van bevrijding, maar een dreigend teeken van naderend

onheil. De Watergeuzen! De vermetele kapers! En de verschrikte

schippers kapten de ankers en wendden den boeg, en onder zooveel

zeil als zij durfden bijzetten, voeren zij de Maas weder op, naar

Rotterdam en naar Dordrecht, om daar de tijding te brengen van de

komst der gevreesde Piraten.

Van de campagne van het goede schip "de Blauvoet" zag kapitein

Martens de grauw-gele rietbosschen langs de beide Maasoevers en den

breeden Heyndijk voorbij glijden, terwijl de zware toren van de Sint

Catharijne, Brielle's hoofdkerk, en de kleinere van Sint Pieter in

Maarland, reeds boven de dijkkruin uitstaken. Zijn hart klopte hoog

bij de gedachte aan wat de eerstvolgende uren konden brengen. Dit

was een krijgsdaad, wat men nu ging ondernemen! Dit was wat anders,

dan het nemen van koopvaarders, dan het brandschatten van kloosters

en rantsoeneeren van gevangenen! Zou het nu waarheid worden, wat de

besten onder zijn makkers, wat Lancelot van Brederode, Frederik van

Dorp en Blois van Treslong reeds lang hadden gewild? Zou men zich

meester maken van een vast punt, van een Hollandsche haven, die voor

de verstrooide ballingen het middelpunt zou worden, van waaruit zij

den strijd konden voortzetten tegen Alva's tirannie?

Terwijl hij de oogen over het dek liet gaan, waar de bemanning vroolijk

en opgewonden zich gereed maakte voor het gevecht, dat mogelijk

aanstaande was, viel zijn oog op zijn onderstuurman, door zijn makkers

"Jan Smeert de Borst" genoemd, die, tegen de verschansing geleund,

met strakke blikken staarde naar de opdoemende torens van den Briel.

Jacob Martens kende den man als een ruwen zeebonk, onversaagd in

't gevecht en altijd gereed zijn leven te wagen, wanneer het een

gevaarlijke onderneming gold. Zooals zijn bijnaam aanduidde, was

hij een liefhebber van den bierkroes en onder zijn makkers bekend om

zijn ruwe scherts en snaaksche grappen. Toch had hij soms vlagen van

somberheid en zwaarmoedigheid en op zulke tijden was het beter, hem

aan zijn lot over te laten, want dan was hij lichtgeraakt en twistziek.

Plotseling herinnerde kapitein Martens zich, dat Jan Smeert de Borst

een balling uit Brielle was. Dat verklaarde dan ook, dat de man

geen deel nam aan de bezige drukte aan boord, maar staarde naar zijn

vroegere woonplaats, die hij thans na jaren zwervens zou terugzien.

Misschien zou hij kostbare inlichtingen kunnen geven omtrent de

stad en haar vestingwerken. Hij kon ook als loods dienen, wanneer

't noodig was. Jacob Martens besloot, den man te raadplegen.

--"Stuurman Smeert de Borst!" riep hij.

De zeeman schrikte op; hij zag, dat zijn kapitein hem wenkte en met

zware schreden begaf hij zich naar het achterdek.

--"Je bent uit den Briel, stuurman," begon Jacob Martens. "Maar wat

deert je, man?" vervolgde hij; want Jan Smeert de Borst was blijkbaar

hevig aangedaan. Zijn verweerd gelaat was bleek, zijn lippen trilden

en hij wrong de vuisten krampachtig samen. Hij staarde Jacob Martens

eenige oogenblikken strak aan. Hij trachtte te spreken, maar de

woorden stokten hem in de keel.

--"Wat is er, stuurman?" herhaalde kapitein Martens deelnemend.

--"Ze hebben haar gedolven, kapitein, levend gedolven in de modder,

dààr, buiten de Noordpoort!" barstte hij eindelijk los, terwijl hij

de vuist dreigend opstak naar de stad.

--"Gedolven? Wie dan toch?" vraagde Jacob.

--"Mijn vrouw, mijn Agniete!" hijgde Jan Smeert de Borst. "O, dat ik

ze hier had, de vileinige rabauwen!"

Kapitein Martens wierp een snellen blik op masten en tuigage. Langzaam

en statig, gedreven door een sterken bries, maar tegen den stroom in,

naderde "de Blauvoet", onder klein zeil, met de andere schepen de

bedreigde stad. Hij kon den man eenige oogenblikken geven.

--"Zeg op, stuurman, en stort je hart uit! 't Zal je goed doen, man,"

zei hij hartelijk.

--"'t Was in het jaar van de beeldbrekerije, kapitein," zeide Jan

Smeert de Borst met schorre stem. "Er waren al lang veel van de nye

leere in den Briel. Dat kwam door kapelaan Andries Cornelisz. Hij

preekte in het huis van de oude joffer Rentmeesters, bij 't kerkhof, en

niemand durfde hem moeien, want er waren er van de Wet, die goed Geus

waren. De Burgemeester Cornelis Hendriksz had zelf een geuzenpredikant,

die rondreisde door het land en geld inzamelde voor den Prins, in

zijn huis gehad, dagen lang. En ik kwam er ook graag, kapitein. Ik was

maar een onverschillige kerel, kapitein, maar wat kapelaan Cornelisz

preekte, zeide mij veel en ik hoorde hem graag. En daar zag ik ook

Agniete, kapitein. Ze was non in 't klooster van Sinte Catrijne,

maar ze kwam toch ter preeke bij joffer Rentmeesters. En eens, toen

een paar rauwe gasten 't haar op straat lastig maakten, omdat zij,

een geprofeste zuster, ter preek liep, heb ik haar ontzet. En omdat de

priores haar wilde opsluiten, is zij uit het klooster weggeloopen en

woonde toen in bij joffer Rentmeesters. En ik sprak haar dikwijls, en

zoo kwam het, kapitein, dat ik haar ten hijlik vroeg. En eerst durfde

zij niet, omdat zij toch een gewijde nonne geweest was, maar kapelaan

Cornelisz zeide, dat dat Paapsche bijgeloovigheden waren en dat Sint

Paulus gezegd had, dat het hijlik eerbaar was onder allen. En zoo

trouwde hij ons in 't geheim, kapitein. En toen kwam de beeldbrekerije

ook in den Briel en ik hielp wakker mee en Schout Ewout Cornelisz en de

apotheker Willem Thomasz waren de aanvoerders. En kapelaan Cornelisz

preekte in de Sinte Catrijnekerk en het heette toen een poos, dat de

Geuzen baas zouden worden over 't heele land. Maar toen kwam Ducdalf,

en de Baljuw en de Schout en de schoolmeester Dirck Cock en koster

Jacob Jacobsz en allen, die ter preeke waren gegaan en mede hadden

gedaan aan de beeldbrekerije, vluchtten uit de stad, want de Baljuw

had laten weten, dat er bezetting zou komen, met de inquisiteurs uit

Dordt om de beeldbrekers en die van de nieuwe religie te vervolgen. En

ik vluchtte ook, en Agniete liet ik achter ..."

En de ruwe zeeman rukte wambuis en hemd open en hijgde naar lucht.

--"En waarom moest je haar achterlaten?" vraagde Jacob.

--"Ze was ziek," zei Jan Smeert de Borst met doffe stem. "Ze was ziek

en 't was een koud najaar. En wij moesten vluchten in open schuiten

en des nachts. De meester zei, dat het haar dood zou zijn. Ik wilde

blijven, maar Agniete bezwoer mij te vluchten. Ik was wel bekend in

den Briel en was al onder de voorsten geweest bij de beeldbrekerij en

het was bekend in de stad, dat ik een geprofeste nonne tot huisvrouw

had genomen. Ik zou zeker worden gevat en gehangen, misschien nog

erger,--want ik had immers een nonne gehijlikt, die het klooster was

ontloopen. Zij zou zich schuil houden en zich niet op straat laten

zien. De Heeren van den Gerechte zouden denken, dat zij met mij

was gevlucht en later zou ik haar komen afhalen. En de meester zei,

dat ik haar wille zou doen en kapelaan Cornelisz en de oude joffer

Rentmeesters zeiden hetzelfde. En ik liet mij bepraten, kapitein, en

wij ontkwamen het, des nachts, met pramen en roeibooten over de Maas.

"En toen zijn de soldaten gekomen, kapitein, en ze brachten twee

inquisiteurs mee, twee Predikheeren uit Dordt, en Baljuw van Sandwyck

was gevlucht en er kwam een ander, Heer Johan van Duvenvoirde. En die

van de nieuwe religie en allen, die ter preek waren geloopen en mee

hadden gedaan aan de beeldbrekerije, werd scherp vervolgd. En een

Judas heeft den inquisiteurs van Agniete verteld en toen hebben de

rakkers van den nieuwen Schout haar gevat en toen..."

Hij kon niet voortgaan. Twee groote tranen biggelden over zijn

verweerde wangen.

--"Gedolven! Levend begraven, daar buiten de Noordpoort!" barstte

hij eindelijk los, terwijl hij stampvoette van woede en smart.

--"De Schepenen wilden eerst niet," ging hij na eenige oogenblikken

kalmer voort. "En ook de overste van het Sinte Catrijneklooster bad

voor haar. Zij wilde haar voor haar leven in een klooster opsluiten

om boete te doen. Maar de inquisiteurs dreigden die van de Wet met

Ducdalf, als zij de plakkaten niet wilden toepassen en ze kregen hun

zin. Een Briellenaar, een man, die met mij gevaren had, en die 't ook

gewaagd had te blijven, heeft 't mij verteld. Een van de schepenen had

Agniete in stilte aangeraden te zeggen, dat zij zwanger was. Dan zou

haar leven voor 't oogenblik gespaard worden, en als de inquisiteurs

weg waren, zou 't misschien mogelijk zijn haar te redden. Maar Agniete

was goed en vroom en zij wou haar leven niet koopen met een leugen. En

toen zij de poort werd uitgeleid, zag zij er uit als een heilige en

zij bad luid, dat God haar ziel in genade mocht aannemen en voor mij,

och arme, haar man, die haar nooit terug zou zien..."

En de ruwe zeebonk wendde zich af en staarde weer strak in de richting

van de stad, welker muren nu duidelijk zichtbaar waren, met de zware

steenklomp van de Noordpoort, waar, dicht bij het havenhoofd, het

gruwzaam vonnis aan Agniete was voltrokken.

Jacob Martens had het droevig verhaal meewarig aangehoord. 't Was

maar één van de vele lijdensgeschiedenissen dier droeve dagen. Niet

tevergeefs had Arent Dircksz, de kettersche pastoor van de Lier,

gezongen:

't Onschuldig bloed, dat gij hebt vergoten,

't Onschuldig bloed roept over u wraak!

--"Wees een man, stuurman!" zei hij hartelijk. "Je huisvrouw heeft

geleden en is gestorven als martelaresse voor de waarheid,--en straks,

in Brielle, vindt je wellicht haar moordenaars."

Jan Smeert de Borst knikte zwijgend. Er lichtte een wilde gloed in

zijn kleine, donkere oogen, terwijl hij het achterschip verliet, om

zich naar het tusschendek te begeven, waar hij met Pieter de Welle

zich bezig hield met het laden van de losse kamers der bassen.

"Hebt uwe vijanden lief! Zegent hen, die u vervloeken en bidt voor

degenen, die u geweld doen en die u vervolgen."

Maar het Evangelie der liefde vond geen weerklank in het verbitterde

hart der Watergeuzen, ook niet in dat van de besten onder hen.

En middelerwijl waren op de voorste Geuzenschepen aller oogen gericht

op een roeiboot, met één enkelen roeier, die met rustige riemslagen de

"schepen van oorlogh" der gevreesde Piraten tegemoet voer.

Jan Pietersz Koppelstok, schipper en haringkooper, "een stout

en kregel kerel", als de tijdgenoot hem noemt, die ook het veer

op Maaslandsluis [7] bediende, en die reeds lang in 't geheim "de

Geuzerije" was toegedaan, had kort na zijn noenmaal de veerbel aan de

overzijde hooren luiden en was naar dien anderen oever overgestoken,

om een paar kooplieden af te halen, die zich naar den Briel wenschten

te begeven. Hij had al lang de vreemde schepen in 't oog, die daar

naderden van uit het Westen en er speelde een glimlach om zijn anders

zoo stroeven mond, toen hij die vlaggen en wimpels zag.

Maar ook zijn passagiers kregen die vaartuigen in 't oog, terwijl

de veerboot worstelde met den stroom, om straks aan 't havenhoofd

te kunnen aanleggen,--een zoo talrijke vloot koopvaarders, en dat in

dezen tijd? En natuurlijk was de vraag:

--"Wat zijn dat voor schepen?"

--"'t Zijn Watergeuzen!" antwoordde Jan Pietersz.

Watergeuzen? En dat voor den Briel, waar zij handel

hoopten te drijven? De veerman moest hen aan wal zetten, te

Maaslandsluis. Oogenblikkelijk!

En Jan Pietersz Koppelstok voldeed aan hun verlangen en roeide toen

bedaard de Geuzenschepen te gemoet.

Nog altijd waren de schepen van Martinus Brandt en Adam van Haren in

den voortocht, maar Koppelstok vraagde naar 't schip van Jonker Blois

van Treslong, die zich immers, als elk Brielenaar, die zijn brood

verdiende aan den havenkant, wel wist, op de Geuzenvloot bevond en die

zeker bij eene onderneming als deze niet zou ontbreken. En zijn gissing

bleek juist! Dat groote razeil daarginds, waarvan de zestien gotelingen

dreigend uit de geschutpoorten keken. En Koppelstok roeide er heen.

De neef van den uitgeweken Heer van Sandijck, de zoon van Baljuw Jasper

Blois van Treslong, kende zijn bezoeker wel: een stouten, ondernemenden

kerel, voor geen klein gerucht vervaard. En hij bracht hem naar

het admiraalsschip, om hem aan den graaf van Lumey voor te stellen,

als een man, "bequaem om hem te employeeren tot haer voornemen".

En zoo geschiedde het, dat, terwijl de Geuzenschepen voor Brielle

ankerden, Jan Pietersz Koppelstok als bode van Lumey de havenvliet

binnenroeide en zich langs den Hoofddijk naar de Noordpoort

begaf. Treslong's zegelring, met het in Brielle zoo welbekende wapen,

had hij mede gekregen als geloofsbrief.

In de stad had men ook reeds vernomen, wie de onverwachte bezoekers

waren en de ontsteltenis was er algemeen. De poorten werden gesloten,

de stormklok luidde van den hoogen toren van Sinte Catarijne, de

trommels roffelden in de straten en de schutters begaven zich met hunne

pieken en vuurroeren eerst naar hunne loopplaats en toen naar de muren,

en Baljuw Johan van Duvenvoirde was met de geheele Vroedschap van den

Ouden en Nieuwen Gerechte, de twee Burgemeesters, de negen Schepenen en

de twee Raden van het loopende en van het vorige jaar op het Raadhuis

bijeen, om te overleggen wat er kon worden gedaan tot afwending van

het groote gevaar, dat den Briel bedreigde. En de gedrukte stemming

werd er niet beter op, toen Koppelstok in de Raadzaal verscheen en de

Vroedschap den eisch van Lumey mededeelde: overgave der stad, om die

te bewaren voor den Prince van Orangiën, als stadhouder des Konings,

en te beschermen tegen den hertog van Alva en den tienden penning. Er

werden aan den Magistraat twee uren van beraad toegestaan.

De achtbare Vroedschap zat deerlijk in de klem. Wat moest zij doen? De

stad verdedigen? Hoe zou zij het kunnen, met de schutters en de

gewapende burgers alleen tegen een bestorming door de krijgshaftige

Geuzen. De poorten openen? Maar hoe zou men zich verantwoorden

tegenover den stadhouder des Konings, den gevreesden hertog van Alva,

die pas in November van het vorige jaar op uitdrukkelijk verzoek

van den Magistraat, de Spaansche bezetting uit de stad had doen

wegtrekken? Zou hij de leden van de Vroedschap niet verdenken van

boos opzet, van te heulen met de Geuzen?

Hoe sterk was de vijand? De oudste Burgemeester, Jan Pietersz Nicker,

vraagde het, en Koppelstock, die het ook niet wist, antwoordde losweg:

"Wel vijf duizend!"

Vijf duizend Geuzen! Dan is tegenstand onmogelijk! En niemand valt

het in, aan de mogelijkheid van overdrijving te denken of zich af

te vragen, hoe de veerman dat zoo nauwkeurig weet. De vrees is een

slechte raadgeefster. [8]

Er diende echter wat te worden gedaan. En de twee oudste burgemeesters,

de tinnegieter Jan Pietersz Nicker en de koekebakker Claes Jansz,

besloten, als goede magistraten, naar den admiraal der Geuzenvloot

te gaan, om zoo mogelijk met hem te onderhandelen.

Onder geleide van veerman Koppelstock gingen zij de Noordpoort uit

en langs den Hoofddijk naar het havenhoofd, waar zij Lumey vonden

ingekwartierd in een van de aan het hoofd gebouwde huizen.

Indien de Brielsche burgers nog gehoopt hadden eenige gunstige

voorwaarden te kunnen bedingen, zagen zij zich weldra bedrogen. Lumey

eischte de stad op, "uiten naem van den Prince van Orangiën, als

Stadhouder des Conincks over Holland." En weer was het: twee uren

beraad!

Maar al was de Magistraat nog steeds ten Raadhuize vergaderd,

tot eene beslissing kwam het niet zoo spoedig. De stad overgeven

durfde men niet, haar verdedigen kon men niet. Eindelijk, na lang

dralen, werd besloten tot de overgave. Maar er was niemand, die het

besluit van den Magistraat aan den admiraal der Watergeuzen ging

overbrengen. De verwarring in de stad was groot. Zoo de burgers

vreesden voor hunne bezittingen, voor plundering en brandschatting,

de bewoners der talrijke conventen en kloosters, de Clarissen, de

Birgittijnen en Birgittijnessen, de Cellebroers en Cellezusters,

vreesden het ergste. Wat hadden zij van den beruchten Lumey, van de

woeste Geuzen te wachten, dan mishandeling en marteling en dood?

En zoo stroomden de kloosters ledig en de burgers zochten hunne

kostbaarste bezittingen bij elkaar en iedereen vluchtte voor het

dreigend gevaar. Waren de Piraten aan het havenhoofd ontscheept en

bedreigden zij de Noordpoort, de weg door de Zuidpoort was nog vrij

en wie het niet in zijn hart met de Geuzen hield, haastte zich een

goed heenkomen te zoeken naar Geervliet of Hellevoetsluis.

En op de schepen was het bevel gegeven, een deel der bemanning

aan land te zetten en met roeren en halve pieken, met houwers en

knijven gewapend, vielen de Geuzen in de sloepen en roeiden naar

den oever. Ook de kapiteins gingen aan wal en de eerste boot, die

"de Blauvoet" verliet, werd gestuurd door Jan Smeert de Borst.

Met een paar andere Brielsche ballingen spoedde hij zich naar de

huizen op het havenhoofd en hij vond er nog den vischafslager,

Pieter Jansz Stemboort, die niet had kunnen of willen vluchten. Zij

eischten van den man, dat hij hun de plek zou wijzen, waar Agniete

haar vonnis had ondergaan en bevend gehoorzaamde de afslager, die de

gruwelijke daad als medelijdend toeschouwer had bijgewoond. Toen zij

de plaats bereikt hadden, wenkte Jan Smeert de Borst zijn makkers te

blijven staan en alleen begaf hij zich naar het verlaten graf aan den

dijkrand, de sombere plek, die door allen werd gemeden, sedert de

weggeloopen non, die haar gelofte had verbroken om de huisvrouw te

worden van een ketter, daar den dood had gevonden. Wat hij er deed,

zagen zijn makkers niet. De ruwe gasten eerbiedigden zijn smart. Zij

lieten hem alleen en zorgden er voor, dat hij niet gestoord werd. Maar

toen hij zich weder bij hen voegde en zij zijn verwrongen trekken

zagen, omklemden zij vaster hunne wapenen en zij spraken geen woord,

maar zij keken met een woeste en dreigende uitdrukking in hun oogen

naar de veste van den Briel.

Wee den Roomschen geestelijke, hij mocht schuldig zijn aan de

vervolging der ketters of niet, die thans den Brielschen Geuzen in

handen viel!

Ondertusschen ging de middag voorbij. De twee uren van beraad,

die den Magistraat waren toegestaan, waren reeds lang verstreken

en nog altijd kwam het verwachte antwoord niet, al werden er op de

stadsmuren geen toebereidselen tot verdediging gemaakt. De booten

van de ten anker liggende schepen zetten steeds meer krijgsvolk aan

wal, en eindelijk stonden er een driehonderd gewapende Geuzen op den

Hoofddijk en op het Havenhoofd geschaard, gereed om, hetzij goedschiks,

hetzij met geweld, de stad binnen te rukken, en er waren er zelfs, die

zich waagden tot voor de poort, en de enkele burgers, die ondernamen,

zich op den muur te vertoonen, toeriepen: "of men ze zoude inlaten,

dan of zij haer zelven in helpen zouden moeten."

't Scheen wel het laatste te zullen zijn, want de avond begon reeds

te vallen en nog altijd was het antwoord er niet.

Toen was het geduld van Lumey en zijn kapiteins uitgeput. De gelande

Geuzen werden in twee afdeelingen gesplitst. De een, onder aanvoering

van Cornelis Geerlofsz Roobol, een Delftschen balling, rukte aan op

de Noordpoort, terwijl de ander, onder Blois van Treslong, de stad

omtrok, om de Zuidpoort te bereiken. Wellicht giste deze, dat er

groote kans was, dat men die niet gesloten zou vinden.

Maar de zware deuren van de Noorderpoort gingen niet open en

Pietertje Baefsdochter, de portierster, was reeds lang gevlucht. Dan,

de Geuzen wisten daar raad op. Van het beddestroo en het houtwerk

der huizen buiten de poort, van oude, geteerde zeilen en touwwerk,

ijlings van de schepen aangevoerd, was er spoedig een hooge mutsaard

opgestapeld tegen de poortdeuren, de brand werd er in gestoken en

spoedig kronkelden zware rookwolken van onder het poortgewelf naar

boven en knaagden de rosse vlammen aan de oude, met ijzeren nagels

en bouten beslagen deuren.

Maar, was het plan ook goed, het ging de ongeduldige Geuzen niet

spoedig genoeg. Een aantal varensgasten kwam van de haven aangezeuld

met een ontscheepten mast, een geïmproviseerden stormram. Forsche

vuisten hielpen den zwaren balk tillen, een korte aanloop en de poort

daverde van den schok. Nog eens,--en nog eens: een der zware deuren

barstte open en met een luid "Vive le Geus!" drongen de corsaren de

stad binnen.

Treslong had ondertusschen met zijn afdeeling de Zuidpoort

bereikt, en die inderdaad open gevonden, want nog altijd waren er

vluchtelingen, die de stad, met wat zij van het hunne konden meevoeren,

ontvluchtten. Onder hen behoorde de Baljuw, Johan van Duvenvoirde,

die zes duizend gulden baar geld, de kas van het Land van Voorne,

wilde trachten te redden. Maar hij werd herkend en aangehouden en terug

moest hij, mede naar den Briel als gevangene, en het geld, dat hij

had willen redden, werd door de overwinnaars als goede prijs beschouwd.

Tot in den nacht duurde het gejoel en rumoer der triomfeerende

Geuzen. Er werd hier en daar geplunderd, maar zoo Jan Smeert de Borst

en zijne gezellen gemeend hadden, het geleden leed te wreken op de

bewoners en bewoonsters der Brielsche kloosters, dan zagen zij zich

teleurgesteld. De monniken en nonnen waren bijtijds gevlucht. Alleen

de pastoor van Sinte Catarijne was op zijn post gebleven, maar,

hetzij uit vreeze voor zijn leven, hetzij omdat hij inderdaad in het

geheim reeds een aanhanger was der "nieuwe religie", hij toonde zich

aanstonds bereid, de "papistische dolingen" af te zweren en hij werd

de eerste predikant van den Briel. Eenige heethoofden hadden in de

verwarring brand gesticht in een paar houten huizen, maar het vuur

werd door de Geuzen zelve spoedig gebluscht: men begreep, dat men de

huizen der stad beter kon gebruiken. Velen der ballingen sliepen dien

nacht weder voor het eerst sedert jaren op den vaderlandschen grond.

Maar den volgenden dag begon het verwoestingswerk in de kerken en

kloosters. De beeldenstorm van vóór zes jaren werd herhaald, maar

nu werd er voorgoed opruiming gehouden van alles wat naar "paepsche

superstitie" zweemde. En weldra stonden daar de beide kerken en

de kloosterkapellen van alles, wat aan den Roomschen eeredienst

herinnerde, beroofd, terwijl de Geuzen hun buit, "kerkelijke en

Geestelijke goeden, Cappen, Coorkleederen, Cassuiffelen ende misgewaet"

in veiligheid brachten, naar de schepen.

En nu scheen het voor een poos, alsof men het behaalde voordeel

terstond weder prijs zou gaan geven, alsof de kloeke daad, die het

begin zou blijken van de bevrijding des lands, zou uitloopen op een

gewoon kapersavontuur. Lumey wilde zich weer inschepen; hij wilde "de

Stadt en 't Land daaromtrent plonderen ende beroven, ende daermede

wederom vertrecken, want hij en achtte de plaetse niet houbaer te

zijn tegen de Spangiaerden."

Op zichzelf was er wel iets voor deze meening van den admiraal

te zeggen. De inneming van den Briel was niet het gevolg van een

goed overlegden krijgstocht, ondernomen door een wèl uitgeruste

vloot, en als een onderdeel van een zorgvuldig beraamd plan. 't

Was een coup-de-main, een verrassing, een gevolg van onvoorziene

omstandigheden, door een aantal kapers, die uit hunne vluchthavens

waren verjaagd en die feitelijk aan alles gebrek hadden en op geen

steun van buiten konden rekenen. 't Was daarenboven feitelijk een inval

in vijandelijk land, waar niemand de gehate en gevreesde zeeroovers

gunstig gezind was.

Hadden de gebeurtenissen in Holland en Zeeland zich niet zoo verbazend

snel ontwikkeld in dat merkwaardige jaar 1572, dan hadden de Geuzen,

door Bossu bedreigd in het Noorden, door Alva's troepen uit het Zuiden,

zich onmogelijk kunnen staande houden.

Maar het warme hart krijgt soms gelijk tegenover het koel redeneerend

verstand, wanneer het gehoorzaamt aan een machtiger aandrang en

als bij intuïtie den rechten weg vindt. En het was Gods wil, dat

de onoverlegde, bijna toevallige inneming van de kleine stad aan

den Maasmond, het begin zou zijn van de zegevierende worsteling ter

bevrijding van de Nederlanden.

Het plan van Lumey vond aanstonds hevigen tegenstand bij zijne

kapiteins en hij was genoodzaakt krijgsraad te beleggen. In dien

krijgsraad werd het voornemen, om den Briel op te geven, krachtig

bestreden, niet alleen door Blois van Treslong, Jacob Martens, Frederik

van Dorp en Ruychaver, de warme vaderlanders, wien het kaperbedrijf

eigenlijk tegen de borst stuitte en die er vurig naar verlangden, in

eerlijken strijd de zaak der vrijheid te dienen, maar ook mannen als

Barthold Entesz van Mentheda en Dirk Duyvel sloten zich bij hen aan.

"Wat moed konden de verlangende landzaaten, welker hoop op de beloofde

en telkens gemiste verlossing ten eynde was, overhouden,"--zoo pleitte

de laatste--"indien men dus een sleutel des lands willends uyt de

hand worp?"

"Ick voor mij,"--zoo verklaarde kapitein Jacob Simonsz de Rijck,--"heb

Godt menigmael om een graf op het strandt mijns vaderlandts

gebeden. Thands zal er mij wel een binnen de wallen gebeuren!"

En zoo werd besloten, den Briel te versterken en de stad tegen de

Spanjaarden te verdedigen. Terstond begonnen de Geuzen de wallen

te versterken en er geschut op te planten, dat ijlings ontscheept

werd. Een bode werd naar den Prins gezonden, om dien van het gebeurde

te verwittigen en de Rijck vertrok naar Engeland, om dààr de tijding

te brengen en de ballingen, die er vertoefden, op te wekken, om de

zee over te steken, en deel te nemen aan het bevrijdingswerk.

Want de kamp om de Nederlandsche vrijheid was thans in waarheid

begonnen!

Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw · 第 22 / 25 题