XI.

Toen Jacob het gebroken steenen kruis bereikte, was het reeds laat in

den middag. Het was den geheelen dag een egaal beloken lucht geweest,

een zacht grijze lentedag, en de schemering viel spoedig in. Jacob

had zich gehaast en hij maakte zich reeds ongerust, toen hij niemand

zag. Plotseling echter rezen uit een droge sloot twee donkere gedaanten

op, in wie hij de Welle en Daniël Tistz herkende.

--"Goed, dat ge er zijt, jonker," zei de laatste, terwijl hij hem

met ruwe hartelijkheid op den schouder klopte. "De Welle begon reeds

ongerust te worden en wilde u met alle geweld gaan zoeken. Ik zei

hem, dat hij zijn hoofd in den strop stak, want hij is te Poperingen

bekend als de bonte hond, maar als het lang had geduurd, was hij niet

te houden geweest."

--"Zijt ge geslaagd, jonker? Vertel op!" zei de Welle, wiens gezicht

bleek en vertrokken was van angst.

Jacob gaf haastig maar nauwkeurig verslag van zijn ervaringen.

--"Dus de schout heeft den brief van Titelman," zei de strooper

zegevierend, "en niemand weet, dat wij zijn bode hebben geknipt! En

er gaan maar twaalf dienaars mede! Dat is kinderspel! Moed, de Welle,

wij zullen Mieke verlossen!"

--"Maar die mannen zijn welgewapend!" meende Jacob.

--"Ik geef niet om hun hellebaarden en houwers," spotte Daniël. "Die

Jurriaan Jaspersz! Ik zie zijn domme tronie al voor mij, als wij

den wagen aanhouden. Met hem heb ik ook nog een oude rekening te

vereffenen. Wacht maar!"

En Daniël liet zijn zwaren eiken stok door de lucht suizen en neerkomen

op een denkbeeldigen rug en dat was de rug van Jurriaan Jaspersz,

den eersten schoutendienaar van Poperingen.

--"Daar in dien greppel hebben wij uw kleederen, jonker," zeide de

Welle; "trek nu spoedig die verwenschte pij uit. Wij houden de wacht."

Jacob verwisselde van kleederen en Daniël nam de pij en den gordel

van den monnik over den arm. Bij een diepe kolk gekomen, een weinig

ter zijde van den weg, nam de strooper een paar zware keien op, die

hij blijkbaar met opzet klaar had gelegd, wikkelde die in de pij met

het brevier en den rozenkrans van den Dominicaan, maakte alles stevig

met den gordel vast, en liet toen, na zorgvuldig naar alle kanten om

zich heen te hebben gezien, het pak in het donkere water zinken.

--"Wat doet ge?" vraagde Jacob verwonderd. "De kleederen zijn immers

het eigendom van den monnik?"

--"Hij zal ze wel niet meer van noode hebben," zeide de strooper met

een woesten lach, terwijl hij naar de grooter wordende waterkringen

keek.

Jacob hoorde het, maar hij durfde thans niet vragen naar het lot van

den Dominicaan.

Zij verlieten nu den weg en liepen langs smalle landwegen, eerst

door de hoptuinen, toen door de bouwlanden, en bereikten eindelijk de

strook broekheide, die zich langs den boschrand uitstrekte. De Welle

en Daniël, die beiden het landschap kenden, aarzelden geen oogenblik,

welk pad zij hadden te kiezen.

Bij het drassige broekveld gekomen, dat hier en daar door breede

slooten en geulen werd doorsneden, haalde Daniël uit het hooge

heidekruid drie lange polsstokken te voorschijn, die daar zorgvuldig

waren verborgen. De stokken waren aan het boveneind van een stalen

punt voorzien, en vormden zoo een halve piek, een geducht wapen,

dat later in den vrijheidsoorlog beroemd zou worden.

--"Vooruit nu!" gebood de Welle. "Jonker, loop achter mij en pas

op! 't Is hier gevaarlijke grond. Daniël, gij sluit de rij en kijk

goed uit uw oogen."

Snel ging het over den drassigen grond voorwaarts. Het water borrelde

soms op uit den veenachtigen bodem, en er waren plekken, waar men,

blijkbaar met opzet, van graszoden en takkenbossen "stappen" had

gemaakt, die een rustpunt boden aan den voet. Een vreemdeling, die

het oord niet kende, zou nimmer door het verraderlijke moeras den weg

hebben gevonden. Breede en diepe slooten moesten worden overgesprongen,

maar de donkere boschrand kwam al nader.

Eindelijk was het bosch bereikt. Langs slingerpaden en door

kreupelhout leidde Daniël Tistz, die hier in zijn element was,

zijn beide metgezellen tot diep in het hout. Eensklaps hoorde Jacob

verwonderd op. Een gedempt gezang trof zijn oor, psalmgezang.

--"Ja, jonker," zeide Daniël, die zijne verwondering bemerkte. "We

zijn hier bij een van onze schuilhoeken, waar ik een troepje Geuskens

verborgen houd, die 't te Waterloo en te Oosterweel zijn ontkomen. 't

Is een veilig plekje, en als de Welle nog boschwachter was, zou ik

't hem nooit hebben verklapt."

Nog een wending van het pad en men stond voor een breed water. Slechts

een geoefend springer kon er met een pols over komen. Het psalmgezang

klonk duidelijker en ros licht schemerde hier en daar tusschen het

jonge lentegroen door.

Daniël liet een zacht en eigenaardig gefluit hooren.

--"Zijt gij daar, Daniël?" vroeg een schorre stem.

--"Ja," zei de strooper. "Ik breng goed volk! Laat den boom zakken."

Het ritselde in de blaren en een lange boomstam, die aan een touw

kon worden op en neer gehaald, viel over de sloot heen. Daniël liep

behendig en snel over de smalle brug, die van boven slechts een weinig

was afgeplat. Jacob volgde hem en hoewel de boom zwiepte onder zijn

voet, bereikte hij toch veilig den overkant, waar ook de Welle zich

weldra bij hem voegde.

--"Zijt gij dat, Peerke?" zei Daniël.

--"Ja," klonk de schorre stem uit het duister. "Maar wie is de

derde man?"

--"Goed volk, als ik u zei, een officier uit het leger van Oosterweel,"

antwoordde de strooper ongeduldig. "Kom voor den dag en licht ons bij,

want 't is hier zoo donker als de hel."

Een rosse lichtgloed viel op het pad en een donkere gedaante, die

een stallantaarn met een smeerkaars droeg, kwam nader.

--"Hier is de ingang van het pad," zei de schorre stem. "Ik zal

jelui voorgaan."

Ze gingen een smal pad in, dat als een tunnel in het hooge struikgewas

scheen uitgehouwen. Spookachtig viel het roode licht van de lantaarn

op het jonge lentegroen, dat hen aan alle kanten omringde. Het gedempte

psalmgezang klonk duidelijker.

--"Is er van avond preeke?" vraagde Daniël.

--"Ja, Jan Machielsz, de manke predikant, heeft de broeders en zusters

voor van avond samengeroepen. Wat je hoort, is het voorgezang. De

preeke zal wel zoo aanstonds beginnen."

Een donker gevaarte doemde voor hen op uit de duisternis. Een schuur,

naar het scheen. Een mat licht drong door een paar kleine ramen,

met verweerde ruitjes.

Ze traden zachtjes de schuur binnen.

't Was een eigenaardig tafereel, dat ze daar aanschouwden, bij het

licht van een paar lantaarns en baklampen, die hier en daar waren

opgehangen.

Een dertigtal mannen en vrouwen zaten of stonden in dat gedeelte van

de wijde ruimte, dat het best was verlicht. Voor hen, in een soort

spreekgestoelte, niet zonder vernuft getimmerd van een groote ton,

stond een kleine, in het zwart gekleede man. Hij hield een opgeslagen

bijbel in de hand, en las den tekst voor, op het oogenblik, dat de

drie mannen binnentraden. Het was Deuteronomium 7 : 5.

--"Maar also sult ghi hun doen:"--zoo klonk het somber door de half

verlichte ruimte--"hare altaers sult ghi afwerpen ende hare opgerichte

beelden verbreecken ende hare bosschen sult ghi afhouwen ende hare

gesnedene beelden met vyer verbranden."

Toen volde de preek: een wilde, hartstochtelijke toespraak. 't Was

geen verkondiging van het Evangelie, ook geen woord van vertroosting

tot deze ballingen, vermoeiden en bitter bedroefden van ziele. 't

Was een woord van toorn en van wrake. De verstrooide Geuzen werden

vergeleken bij Israël, het volk Gods, dolende in de woestijn, de

Roomschen bij de Kanaänieten, vijanden van God en zijn volk, die het

plicht was te bestrijden, te verdelgen als het kon.

En Jacob zag, hoe de forsche gezichten van de ademloos luisterende

mannen zich vertrokken tot een wreeden grijns, hoe zij de vuisten

balden of krampachtig den greep van hun lang kruismes omklemden,

als zij den spreker in zijn schilderingen van hun nood en hun lijden

volgden of luisterden naar zijn aanhitsend, wraakademend woord.

't Was een vreemde, wilde groep, die daar stond geschaard om den ruwen

kansel, in het spookachtige, rosse licht der walmende olielampen. Zoo

moest eens, in den tijd der Richteren, het volk van Israël zich bij

het roode licht der toortsen hebben verdrongen om een of anderen wilden

woestijnprofeet, die hen aanporde tot opstand tegen hunne verdrukkers.

De stem van den prediker zweeg. Hij had een psalm opgegeven, den

79sten psalm, het 2de vers. Sommige der aanwezigen drongen naar de

lampen met hunne boeken, maar de meesten kenden het lied van buiten:

een der klaagliederen der verstrooide Gereformeerden dier dagen:

Ach, hoe lang sult Gij noch, o Heer geprezen,

Op ons also vergramt en verstoort wezen?

Hoe lang zal noch Uwen toorn sijn ontsteecken

Als een vyer, 't welck men met kracht siet uitbreecken?

Stort Uwen toorne swaer

Over 't volck, dat voorwaer

U niet wil kennen, Heere!

De koninckrijcken 't saem,

Sla Heer, die uwen Naem

Niet aenroepen met eere.

Onder het psalmgezang bemerkte Jacob, dat, niet ver van den prediker,

aan een van de ruw behouwen stijlen, die het dak schraagden, een

menschelijke gestalte was vastgebonden. Naderbij gekomen, zag hij, dat

het de monnik was, dien de Welle en Daniël dien morgen hadden gevangen

genomen. Hij stond daar, met gesloten oogen, het hoofd leunend tegen

den paal. Blijkbaar was hij daar vastgebonden, om hem te dwingen,

in dien toestand de godsdienstoefening bij te wonen.

Het psalmgezang hield op en de prediker nam weer het woord. Thans

was het een bittere aanklacht van de Inquisitie en haar aanhangers,

wien hij een bloedig einde en een vreeselijk oordeel voorspelde. Soms

scheen het, of hij zich opzettelijk tot de gebonden gestalte van den

monnik richtte, en dan volgden aller oogen zijn blik en richtten zich

vol haat en bloeddorst op het bleeke gezicht van den gevangene. Het

was Jacob, of er een spottende glimlach zweefde op de dunne lippen

van den Dominicaan, maar bij het onzekere, flikkerende licht kon hij

zich gemakkelijk vergissen.

De godsdienstoefening was eindelijk afgeloopen. Zoo hunne binnenkomst

die niet had doen staken, zij waren toch niet onopgemerkt gebleven. De

oudsten der aanwezigen traden met den predikant op hen toe, en

vraagden naar hun wedervaren. Weldra was het gesprek levendig en

algemeen. Dat men zou trachten de gevangenen te bevrijden stond vast;

't was maar de vraag, hoe dit zou geschieden. Er waren er, die aan

Jacob het bevel over de onderneming wilden opdragen, omdat hij een

officiersrang had bekleed in het leger van Thoulouse, maar deze was

zoo wijs, voor de eer te bedanken. Een onderneming als deze moest aan

een man van meer ervaring worden opgedragen. Eindelijk werd besloten,

dat Pieter de Welle de aanvoerder zou zijn.

Terwijl eenige vrouwen werden uitgezonden om voor de nieuwaangekomenen

brood, spek en bier te halen, trad de predikant op Jacob Martens toe.

--"Ik geloof, dat ik u nog eenmaal heb ontmoet, jonker," zeide hij,

Jacob scherp aanziende.

Inderdaad had Jacob reeds geruimen tijd den indruk, dat hij het bleeke

gelaat van den kreupele en zijn donkere dweperoogen meer had gezien.

--"Ik weet het!" riep hij plotseling. "Gij, waart er bij, toen verleden

jaar de Doopersche werd verdronken."

Jan Machielsz knikte.

--"'t Is nu een jaar geleden, dat de arme Aegte Jansdochter den

martelaarsdood stierf om hare goede belijdenis. Wèl was zij, evenals

ik in die dagen, bevangen in Doopersche dolingen, doch ik geloove

vastelijk, dat de Heer hare ziele in genade zal hebben aangenomen."

--"Ja," ging de kreupele voort op Jacobs vragenden blik, "ik was

toen nog onkundig van de waarachtige, gezuiverde religie, van de

zuivere leer, zooals die ons uit Genève is verkondigd door den

godzaligen Calvinus en zijn leerling Beza. Ik was als een Apollos,

de Schrift kennende, maar die niet verstaande, maar de Eerwaarde

Dathenus was voor mij als Aquila en Priscilla en hij leide mij den

weg Gods bescheidenlijker uit. Sinds werd ik door het Consistorie

toegelaten als leeraar der Kerke in de verstrooiing en ik trek rond

van schuilhoek tot schuilhoek, om de schaapkens Christi het Woord Gods

te brengen en ook, als het zijn moet, met hen het zwaard te trekken

en hen te leiden in den strijd tegen de onbesnedenen van harte,

de Papisten en hun aanhang."

Jacob keek naar het bleeke, strakke gelaat en de donkere oogen, die

gloeiden van somber vuur, en hij begreep, hoe deze prediker in de

woestijn, door het lijden en de vervolging verbitterd, er toe kwam om,

liever dan de troost des Evangelies, de wrake Gods te prediken.

Ondertusschen hadden de vrouwen op een paar op vaatjes gelegde planken

een eenvoudig avondmaal gereed gezet. Jacob maakte zich gereed om

met den predikant, de Welle en de oudsten der kleine kolonie aan te

zitten, toen zijn oog op den monnik viel, die met zijn blikken de

spijzen verslond.

--"De man heeft honger! Heeft hij niets te eten gehad sinds van

morgen?" vraagde hij.

--"Wij hebben 't hier zelf niet te breed! Wij hebben geen brood en

bier voor zulk ongedierte!" zei een der Geuzen norsch.

--"De Papist is het vasten gewoon!" spotte een ander.

--"Hij zal gauw geen honger of dorst meer hebben. Ik denk, dat Daniël

hem heeft bewaard voor het nagerecht!" meende een ander.

--"Daniël zal geen weerlooze moorden!" zeide Jacob. "Geef den monnik

te eten, mannen! Uit barmhartigheid!"

--"Een weerlooze moorden? Barmhartigheid met dien Philistijn?"

Het was de kreupele predikant, die gesproken had. Zijn kleine, tengere

gestalte scheen te groeien, nu hij opstond en met fonkelende oogen

de hand uitstrekte naar den Dominicaan.

--"Barmhartigheid met een bloedhond van de Inquisitie? Met een dienaar

van Titelman?" ging hij voort met snijdende stem. "Weet gij, wat gij

zegt, jonker?"

"Is niet de schoolmeester Geleijn de Muler, van Oudenaarde, geworgd

en verbrand, omdat hij den bijbel las?"

"Is niet Thomas Calberg, van Doornik, levend verbrand, omdat hij uit

een verboden boek een paar godvruchtige liedekens had overgeschreven?"

"Is niet Wouter Kapel, van Dixmuyden, een godvreezend man en weldoener

der armen, wegens ketterije verbrand?"

"En is niet Robert Ogier met zijn vrouw en zijne twee zonen te Rijssel

verbrand, omdat zij niet ter misse gingen, maar in hun huis den Heere

God baden en zijn Woord lazen?"

"Dat hebben de bloedige Titelman en de zijnen gedaan! En gij spreekt

van mededoogen en barmhartigheid met dezen vijand van Gods volk? Zie

toe, dat het u niet ga als Saul, den zoon van Kis, die Agag,

den Amalekiet, spaarde, toen hij hem moest verbannen van voor het

aangezicht des Heeren!"

--"Ook onze Heere Christus bad voor zijn moordenaren!" zeide Jacob

onverschrokken.

Hij begreep den haat en de verbittering dier mannen; soms voelde hij

die zelf smeulen in zijn borst. Hij wist, dat Jan Machielsz de waarheid

had gesproken. Maar hij wilde strijden tegen die onheilige wraakzucht

en doen als zijn bijbel hem leerde. Zonder verlof te vragen nam hij

een kroes bier en bracht dien aan de lippen van den monnik. De man

dronk gretig.

Er ging een gemompel van afkeuring op onder de Geuzen en men hoorde

hier en daar de opmerking maken, "dat Daniël er nu maar een eind aan

moest maken."

--"Daniël!" riep Jacob, "wat wilt gij met hem doen?"

--"Hem houden, jonker, tot wij weten, hoe 't met Mieke gaat. Kunnen

wij haar verlossen, dan--zullen wij zien. Maar valt zij in Titelman's

klauwen,--wat zij haar doen, dat zal ik met dezen paap doen, zoo

waarachtig helpe mij God!"

--"En zoo doe mij God en zoo doe Hij daartoe, als wij allen u niet

daarin bijstaan!" zei Jan Machielsz.

--"Goed! Het mag zijn!" zei Jacob, "maar maak den monnik nu los

en geef hem eten en drinken. Wij behoeven van de Inquisitie geen

wreedheid te leeren."

Een oogenblik aarzelde de strooper.

--"Je zult je zin hebben, jonker," zei hij eindelijk. "Je hebt vandaag

veel voor Mieke gewaagd en dat vergeet ik niet. Maar wat je om dien

vermaledijden paap geeft, begrijp ik niet."

Door Daniël geholpen, maakte Jacob thans den monnik los van den paal

en liet hem op een der ruwe banken nederzitten. Het duurde eenigen

tijd, voor de gevangene het gebruik van zijn armen terugkreeg. Toen

viel hij aan op het brood en het bier, dat men hem voorzette en at en

dronk gulzig, maar zonder een woord van dank. Zoodra hij verzadigd

was, leunde hij het hoofd in de handen, en scheen in te slapen. Op

de enkele vragen, die men hem deed, gaf hij geen antwoord.

Daniël haalde gemelijk de schouders op. Zijne makkers hadden onder

een afkeurend gemompel aangezien, dat de gevangene werd losgemaakt en

klaarblijkelijk gaf hij hun in zijn hart gelijk. Om er zich althans van

te verzekeren, dat zijn prooi hem niet zou ontsnappen, bond hij hem de

voeten weder en bevestigde het touw aan een ijzeren ring in den wand.

Toen alles voor den volgenden dag was bepaald, scheidde men. Het bleek

Jacob, dat er, behalve de schuur, waarin zij zich bevonden, nog eenige

hutten op het eiland waren, dat de vluchtelingen tot schuilplaats

diende. Voor hem en zijne metgezellen werden bossen stroo gebracht,

waarvan spoedig een goed nachtleger werd gespreid. Voor men zich

ter ruste legde, zag Jacob hoe de Dominicaan weder stevig werd

gebonden. Men gaf ook hem echter wat stroo, om op te slapen.

Den volgenden morgen was alles in de kolonie der vluchtelingen druk

in de weer.

Na een korte morgengodsdienstoefening gingen allen aan den

arbeid. Eenige mannen en vrouwen verlieten het eiland en gingen in

verschillende richtingen het bosch in of langs de smalle paden, die

door het veen liepen. Zij moesten de vluchtelingen van levensmiddelen

voorzien. Jan Machielsz verklaarde Jacob, dat dit op verschillende

wijzen geschiedde. Sommigen gingen wild stroopen in het bosch, anderen

kregen bij geloofsgenooten giften van veldvruchten, eieren en vleesch,

terwijl er ook waren, die zich niet ontzagen, de hoeven der kloosters

te plunderen en het vee te rooven.

Een ander deel der mannen hield zich bezig met het in orde brengen

van hunne wapenen, die nog dienzelfden avond dienst zouden moeten

doen. Sommigen, die vluchtelingen waren van Watrelos en Austruweel,

hadden de hunne medegebracht. Men zag tenminste in het kamp

eenige korte handbussen en een paar pieken. Er waren leden van de

schuttersgilden, die hunne handbogen en armborsten nazagen of pijlen

en bouten maakten. De meeste Geuzen waren echter gewapend met recht

op den stok gesmede zeisen, een verschrikkelijk wapen in krachtige

handen, dat zij thans ijverig slepen en wetten.

Er was zelfs blijkbaar een klein arsenaal aanwezig, want men bood

terstond aan, Jacob van wapenen te voorzien. Hij kreeg een zeer goeden

degen en een paar pistolen: zware, lompe vuurwapenen met lontsloten,

die, als zij eenmaal waren afgeschoten, niet zoo spoedig weer te laden

waren, maar die toch in een gevecht van man tegen man nuttig konden

zijn. De Welle weigerde elk ander wapen, dan een zware "gepinde kodde",

de met stalen punten bezette knots, waaraan hij gewoon was.

Tegen den middag werd er een korte krijgsraad belegd, waaraan alle

weerbare mannen deelnamen. De holle weg in het bosch bij Langem,

dezelfde plaats, die door Daniël was aangewezen als geschikt voor een

hinderlaag, werd gekozen om het plan ten uitvoer te brengen. Men kon

die plek, dwars door de bosschen heen, onopgemerkt bereiken, en als

men de gevangenen eenmaal bevrijd had, kon men met alle pogingen tot

vervolging spotten, want op de donkere boschpaden, die de Geuzen zoo

uitstekend kenden, zou men hen nimmer durven volgen.

Het zou donker zijn, als de huifkar op de bepaalde plaats aankwam

en men moest zeker zijn van zijn slag. Daarom zond de Welle een paar

jonge lieden met eenige bossen stroo vooruit. Zij moesten droge takken

sprokkelen en daarvan, tegen het vallen van den avond aan den kant

van den weg een mutsaard maken om en over het stroo. Zóó zou men, op

het gewenschte oogenblik, een helder brandend vuur kunnen ontsteken,

dat voldoende licht zou verspreiden.

Te vijf uren begaf men zich op weg. Jan Machielsz had allen, die aan

den tocht deelnamen, in de schuur, die het middelpunt was der kleine

kolonie, verzameld en Gods zegen op de onderneming afgesmeekt. Een

traan biggelde langs de gerimpelde wangen van Pieter de Welle, toen

de predikant zijn Mieke aan God opdroeg, bij Wien veel verlossing

was, en Hem smeekte, de onschuldigen te rukken uit de klauwen van

den wreeden Titelman. Ook Daniël had ontroerd het hoofd gebogen.

Niemand lette op den monnik, die nog altijd gebonden in de schuur

lag en wiens armen slechts werden losgemaakt, als men hem eten en

drinken bracht. Niemand zag, hoe hij met half gesloten oogen loerde

naar den biddenden predikant en de forsche, gewapende mannen, die

ontroerd naar zijne woorden luisterden.

Na het gebed begaven zich allen op weg, ook Jan Machielsz, die niet in

het kamp had willen blijven. De plaats, waar men zich in hinderlaag zou

leggen, was ongeveer twee uren van de kolonie verwijderd. Alle weerbare

mannen gingen mede, want voor een aanval op het kamp behoefde men niet

te vreezen: er waren geen soldaten in de buurt gelegerd en de afgelegen

plek was slechts aan weinigen bekend, en die weinigen--eenvoudige

lieden, die in het bosch of het veen woonden--waren vrienden van de

vluchtelingen, en zouden hen niet verraden.

De bewaking van het kamp was opgedragen aan Peerke, een stevigen

kerel uit Diest, die te Watrelos een kogelwond in het been had

gekregen, welke nog niet geheel genezen was. Voor lange tochten was

hij ongeschikt en hij moest zich dus met den post van portier tevreden

stellen, dien hij al grommende waarnam.

Nu was Peerke een trouw makker, op wien men in alle opzichten kon

rekenen, zoolang hij niet in de buurt van een kanne biers was. Jan

Machielsz en Daniël wisten dat zeer goed; maar daar er op dat oogenblik

op het eiland niets was dan een ton dun bier, die men van een brouwer

te Diest had gekregen, meenden zij van dien kant veilig te zijn: aan

dat dunne, scherpe vocht zou Peerke zich zeker niet bedrinken. Wat de

aanvoerders echter niet wisten, was, dat Peerke van een van de Geuzen,

die geholpen had bij de plundering van een klooster, een vaatje zoete

malvesye had gekocht, dat hij zorgvuldig in den grond had begraven, met

de bedoeling er zich te gelegener tijd eens rustig aan te goed te doen.

Die gelegen tijd scheen Peerke thans gekomen. Het zou uren duren,

eer de bende haar schuilhoek weder kon bereiken, en hij had dus den

tijd aan zich. De vrouwen waren met haar kinderen in de hutten en

hij was met den gevangen monnik alleen in de schuur.

Nu was Peerke op zijn manier een man van geweten en hij wou zich

niet bedrinken, vóór hij wist, dat alles veilig was. Toen het geluid

van de voetstappen zijner makkers was weggestorven, begon hij den

monnik stevig de handen op den rug te binden. Daarop nam hij zijn

hellebaard en strompelde het eiland om, om zich te overtuigen, dat

er inderdaad geen gevaar dreigde. Toen had hij, naar hij meende,

zijn plicht volbracht; hij groef het kostbaar vaatje op en torste

het naar de schuur, sloeg de stop uit het spongat en terwijl hij met

welgevallen den geur van den wijn opsnoof, verzekerde hij den monnik,

dat dit nu een patersvaatje was, dat hij, Peerke, op de gezondheid

van den paus en van alle papen zou gaan leegdrinken.

Toen nam hij zijn tinnen kroes, zette zich in een gemakkelijke houding

bij de ruw opgemetselde schouw en begon met lange teugen te drinken,

terwijl hij van tijd tot tijd ophield, om zijn gevangene mede te

deelen, dat het kostelijk smaakte en dat de paters wel wisten, wat

goed was.

De monnik zat roerloos, met gesloten oogen, tegen den paal geleund,

waar Peerke hem had neergekwakt. Hij gaf geen enkel teeken, dat hij

de spotternijen van den Geus verstond.

Maar de krachtige wijn bleek te sterk voor het hoofd van Peerke,

die slechts aan het zware, Vlaamsche bier gewend was. Weldra werd hij

bijzonder vroolijk; hij begon te zingen: een zonderling mengelmoes van

psalmen en luchtige liedjes en hij werd eindelijk zoo welgemutst, dat

hij een kroes van den wijn nam en daarmee op den monnik toewaggelde.

--"Ik breng 't je, paap," zei hij met dubbelslaande tong. "Jij kunt

het ook niet helpen, dat je een papist bent."

De monnik had even het hoofd omgewend, maar hij bedacht zich en dronk

met gretige teugen.

--"Dat smaakt anders dan slootwater, hè?" zei Peerke. "Weet je

wat?" ging hij voort, op goedigen dronkemanstoon, "je moet niet

teruggaan naar dat vermaledijde klooster. Als je tegen de jongens

zegt, dat je geen papist meer wilt zijn, dan zullen ze je losmaken

en dan kon je bij ons een goed leven hebben. Dan zal ik een sneege

deern voor je opschommelen, en Jan Machielsz zal jelui trouwen. Dat

is beter voor een flinken borst."

De Dominicaan antwoordde niet.

--"Je bent een stuursche compaan," zei Peerke boos, "en je laat mij

maar alleen kallen. Ik krijg weer dorst, maar jij krijgt niets meer,

als je niet praten wilt."

Hij waggelde weer naar zijn vaatje en vulde zijn kroes. Hij werd

steeds luidruchtiger en zijn goede luim van zooeven was weldra geheel

voorbij. Hij werd twistziek en eischte, dat de monnik met hem mee

zou zingen.

--"Komaan, paap," schreeuwde hij; "dat 's je voor en als ze je niet

meezingt, sla ik je de ribben kapot. Komaan!"

"Wie wil hooren een nieu liet!

"Luystert toe, ik salt u singen,

"Wat daer t' Antwerpen is gesciet."

--"Je, je z... zingt niet mee, verdoemde paap? Wacht, ik z... zal je

l... leeren!"

Hij stond op, maar struikelde over het vaatje en viel met een slag op

den grond. Een paar malen beproefde hij op te staan, maar tevergeefs;

zijn schelden werd een onverstaanbaar gemompel en weldra bewees een

zwaar gesnork, dat de dronkaard zijn roes uitsliep.

Nu kwam er beweging in de roerlooze gestalte van den monnik. Zijn

felle zwarte oogen keken schichtig rond en vlogen toen van den slaper

naar het vuur.

Loopen kon hij niet, want zijne voeten waren stijf bijeengebonden,

maar hij liet zich op zijne zijde vallen, wentelde zich om en om en

rolde zoo naar het vuur. Hij koos een plek uit, waar een groote turf

geheel was doorgebrand, toen draaide hij zich nogmaals om, met den

rug naar den vuurhaard, en, achteruitschuivende, hield hij zonder

aarzelen zijn gebonden handen tegen het brandende stuk veen. De reuk

van het brandende touw, gepaard met een afschuwelijken stank van het

geschroeide vel en vleesch vervulde de schuur. De monnik was vaalbleek;

het angstzweet parelde op zijn voorhoofd en hij liet een dof gekreun

hooren, maar hij liet niet af, al klemde hij de dunne lippen tusschen

de tanden, om het niet uit te brullen van de pijn.

Nog een oogenblik en met inspanning van alle krachten rukte de monnik

het half doorgebrande touw los en wikkelde haastig de smeulende einden

van zijn polsen. Kreunend bleef hij liggen, terwijl hij de armen

langzaam heen en weer bewoog, om den bloedsomloop te herstellen. De

rest was gemakkelijk. Het zakmes van Peerke stak in de lederen scheede

uit den zak van den wijden broek en was binnen het bereik van de

hand van den monnik. In een oogenblik had hij het touw doorgesneden,

waarmede zijne voeten waren geboeid. Zijn eerste werk was nu naar de

deur der schuur te strompelen, en die te sluiten met den zwaren boom,

zoodat hij niet kon worden overvallen. Toen liep hij langzaam heen

en weder, tot ook zijn beenen weer hun vroegere kracht en lenigheid

hadden terug gekregen en ondertusschen verslond hij gretig het brood

en het spek, dat voor het avondeten van zijn bewaker was bestemd,

en dronk nog eenige teugen van den krachtigen wijn. Hij doopte een

paar lappen in een pot met melk, dien hij vond, en wikkelde die om

zijn verschroeide polsen. Toen was hij gereed om te vluchten.

Hij ging naar Peerke en nam het mes, dat hij had laten liggen. Een

oogenblik stond hij besluiteloos bij den snorkenden dronkaard. Het

mes trilde in zijne hand en een wreede, woeste trek kwam op het

bleeke gezicht. Daar viel zijn oog op den kroes, dien de slaper hem

goedhartig had toegereikt en het strakke gezicht werd zachter.

--"Libera nos a malo!" [3] prevelde de monnik, terwijl hij het mes

wegstak.

Hij ging naar de deur, nam den boom weg en tuurde even voorzichtig

naar buiten. Toen liep hij vastbesloten het smalle pad af, dat van de

schuur naar de gracht voerde. Een paar kinderen, die hij tegenkwam,

gingen schreeuwend op de vlucht.

De monnik snelde voort. Achter zich hoorde hij de schelle stemmen der

vrouwen en hij begreep, dat hij zich moest haasten. De knuisten dier

kloeke Vlaamsche wijven waren niet te verachten en zij waren zeer wel

in staat, hem tegen te houden. Hij kwam aan de breede gracht. Zonder

te aarzelen sprong hij in het water en met een paar slagen had hij

den overkant bereikt. Toen, zonder zich om de scheldwoorden der

hem vervolgende vrouwen te bekommeren, sloeg hij den weg in, die de

uitgetrokken bende had genomen, wier breed spoor gemakkelijk te volgen

was. Zoo kwam hij veilig door het moeras. Hij was doornat en rilde van

de koude in de vochtige voorjaarslucht, doch hij draafde verder, steeds

het spoor der Geuzen volgende, tot hij in de verte de hooge boomen

zag, die langs den karreweg naar Poperingen stonden. Toen sloeg hij

rechtsaf en springend en soms wadend door de plassen van den broekigen

grond bereikte hij den weg. Eenige oogenblikken rustte hij uit, om

op adem te komen en zijn doornatte kleederen zoo goed mogelijk uit

te wringen. Toen stapte hij ijlings voort in de richting van de stad.

Intusschen was de bende, onder aanvoering van de Welle en Daniël Tistz

op de plaats aangekomen, waar men, volgens afspraak, de gevangenen

met hun geleide zou opwachten. De jongens, die vooruitgezonden waren,

hadden niets verdachts bespeurd. Zij hadden zich ijverig geweerd:

aan beide kanten van den hollen weg hadden zij een mutsaard gemaakt

van stroo en droge takken, die in een oogenblik kon worden aangestoken.

De Welle en Daniël begonnen nu hunne mannen hun posten aan te

wijzen. Twee handbusschutters werden met smeulende lonten bij de mijten

geplaatst, met den last om die, op een bepaald sein, aan te steken. De

andere Geuzen, die met bussen, handbogen en armborsten gewapend waren,

werden op de hellingen ter weerszijden van den hollen weg verdekt

opgesteld, om de hellebaardiers van het escorte in bedwang te houden,

terwijl de met pieken en zeisen gewapenden zich in twee partijen

verdeelden, en post vatten in de laagte, waar zij zich in greppels en

achter boomen verscholen. De bedoeling was om den wagen aan te houden

in het laagste gedeelte van den hollen weg, waar de paarden moeite

zouden hebben, de zware huifkar door de modder te trekken. Bij het

licht der ontstoken houtvuren zou men de bewakers achteruitdringen en

ontwapenen. Wie zich verzette, zou worden neergestooten. Dan zou men

de gevangenen bevrijden en met hen, langs de welbekende sluipwegen,

vluchten naar den schuilhoek der Geuzen, aan den boschrand, waar men

voorloopig in veiligheid zou zijn. Dan wilde de Welle met zijn dochter

uitwijken naar Engeland en Jacob had besloten, hem te vergezellen.

Een oogenblik was het rumoerig geweest in het bosch, toen de Geuzen

hunne posten bezetten, maar weldra was alles stil, want de leiders

hadden hun mannen de grootste omzichtigheid aanbevolen. Schildwachten

waren uitgezet aan beide zijden van het pad, hoewel men geen verraad

te duchten had, en een paar kloeke jongens waren een eind den weg op

gezonden, om de nadering van den wagen te berichten.

Jacob stond met de Welle en Daniël Tistz dicht bij een der

mutsaarden. Het was reeds zeer donker, want de lucht was nog steeds

betrokken. Men zag maan noch sterren heenschemeren door het jonge

lentegroen der boomen. 't Was stil in het bosch. Men hoorde niets dan

dat eigenaardig murmelen van den wind in de boomtoppen, de eigen stem

der wouden, die de stilte nog schijnt te vermeerderen. Het naargeestig

krassen van een boschuil klonk uit de takken boven hun hoofd.

Daniël huiverde.

--"Een kwaad voorteeken," mompelde hij; "als ik nog een papist was,

zou ik een kruis slaan."

--"Wees stil, ongeluksprofeet!" beet hem de Welle toe, die

zenuwachtiger werd, naarmate het oogenblik naderde, waarop men den

wagen kon verwachten, en die ongeduldig heen en weer liep. Ook Jacob

had moeite rustig te blijven; telkens meende hij eenig gerucht te

hooren op den weg, het kraken der raderen of het klappen van de zweep

en dan betastte hij zenuwachtig de kolf van zijn pistolen. De angst

van de Welle en de gedachte aan het lot, dat de arme Mieke te wachten

stond, als het opzet mislukte, misten ook op hem hunne uitwerking niet.

Het was nu zeer donker. Hier en daar zag men een vurig punt: de

smeulende lont van een busschieter. Jacob kon de gestalte van Daniël,

die toch vlak naast hem stond, nauwelijks onderscheiden.

Plotseling boog de strooper zich voorover en luisterde aandachtig. Zijn

geoefend oor had iets vernomen, dat Jacob was ontgaan. Een oogenblik

later hoorde men haastige voetstappen.

--"Hier!" riep de Welle.

Een gedaante dook uit de duisternis op; 't was een van de jongens,

die als spionnen waren uitgezonden. Hijgend vertelde de knaap, dat

de wagen er aankwam.

--"Zijn er soldaten bij, jongen?" vraagde de Welle.

--"Veel!" verzekerde de knaap, "wel vijftig!"

--"Onmogelijk!" zei Daniël ongeloovig. "Je hebt ze niet kunnen tellen,

Tist. 't Is te donker!"

Neen, geteld had de knaap ze niet. Maar hij was den wagen tegemoet

geloopen tot buiten het dorp, waar geen boomen stonden en daar was

het zoo donker niet. Hij was zeker, dat er een groot aantal soldaten,

vijftig of zestig wel, bij de kar waren.

--"De jongen is gek," meende de strooper. "Waar zou de schout van

Poperingen opeens zooveel soldaten vandaan halen?"

--"Je hebt je toch niet vergist, jonker?" vraagde de Welle met een

licht trillende stem.

--"Zeker niet," antwoordde Jacob. "Die schoutendienaar sprak van een

twaalftal hellebaardiers. Meer waren er niet!"

--"Ik begrijp het niet," zei de oude boschwachter heesch. "Als die

jongen gelijk heeft..."

Hij voltooide zijn zin niet en ook de beide anderen zeiden niets. Zij

wisten, wat hij bedoelde: hun geheele bende was slechts een twintigtal

mannen sterk.

Maar nu hoorde men flauw in de verte de klets van de zweep van den

voerman. Een zacht fluiten, dat hier en daar herhaald werd, gaf aan

de in hinderlaag liggende Geuzen het teeken, om zich gereed te houden.

Het kraken van de wielen van de huifkar, het klotsen van zware

voetstappen, het kletteren van wapenen, eerst flauw, dan duidelijker

en duidelijker aankomend door het donkere bosch. Op den weg een

flikkerend licht, op en neer dansend, zwaaiend en schokkend: de

lantaarn van de kar, die aan den disselboom opgehangen, den weg voor

het tweespan verlichtte.

Het beslissend oogenblik was daar.

In ademlooze spanning zag Jacob het zwaaiende licht nader en nader

komen, en, terwijl hij staarde, meende hij op de hellingen boven zich

een onverklaarbaar gedruisch te hooren, het kraken van takken, het

ritselen van dorre blaren. Een paar nachtvogels vlogen krijschend op.

Hij had geen tijd, om zich rekenschap te geven van die geheimzinnige

geluiden, want de wagen had nu het laagste punt van den weg bereikt en

de pooten der paarden klotsten in het modderige water. De Welle bracht

den koehoorn, die aan een koord om zijn hals hing, aan den mond en het

holle geluid klonk door het bosch. Een rood vlammetje verscheen aan

den kant, waar de mutsaard stond. Het droge stroo vatte vuur; roode

en gele vlammen lekten naar boven en een rossige gloed verlichtte de

donkere stammen en wierp zijn schijnsel op den wagen en de mannen,

die hem begeleidden.

--"Vive le Geus!" klonk het uit twintig schorre kelen en een troep

mannen, met pieken en omgesmede zeisen gewapend, sprong van achter

de boomen te voorschijn en versperde den weg.

Maar wat was dat?

Een zware losbranding op de helling boven hen, donderend voortrollend

door de boschlanen, nog een--en nog een! Roode vuurtongen,

uitschietende uit de duisternis--en een paar van de schutters der

Geuzen, die, door den gloed der opvlammende houtmijten beschenen,

een voortreffelijk mikpunt aanboden, zonken ineen. Op den weg klonk

een luid commando en de verbijsterde aanvoerders zagen een half

vendel soldaten, die zich in goede orde met gevelde pieken om den

wagen schaarden.

--"Vive le Roy! Slaet dood de Geuzen!" klonk het uitdagend.

Het toeval was den monnik gunstig geweest. Hij had niet alleen den

wagen met zijn escorte kunnen ophouden, maar hij had ook een half

vendel van het voetvolk van Egmond ontmoet, dat zich van Rijssel naar

zijne kwartieren in Zeeuwsch-Vlaanderen begaf. Toen de jonge luitenant,

die den troep commandeerde, hoorde wat er gaande was, had hij niet

alleen terstond aangeboden, den wagen met de gevangenen veilig naar

Rousselaere te geleiden, maar hij had zelfs een plan gemaakt, om de

Geuzen in hun eigen strik te vangen, en hun een geduchten slag toe

te brengen.

De monnik had goed geluisterd. Hij kende het plan, want men had het

in zijn bijzijn besproken, en niemand had er aan gedacht, zich in

acht te nemen voor den hulpeloozen gevangene. De schoutendienaars

uit Poperingen kenden de plek, door den Dominicaner beschreven, en de

luitenant had de zes arquebusiers, die zich bij zijn troep bevonden,

de helling doen beklimmen, zoodat zij op het beslissende oogenblik

met hun vuurroeren de aanvallers in den rug konden bestoken.

Eén oogenblik stond de Welle het tooneel beneden hem met verwilderden

blik aan te staren. Hij werd door het volle licht van een der

mutsaards beschenen en een kogel snorde hem langs het hoofd, uit een

der Spaansche vuurroeren. Maar de gevangenen in den wagen konden hem

daar ook zien en herkennen. Een schreeuw klonk van de kar, de huik

van een der ineengedoken gestalten viel af en Mieke stond rechtop,

met uitgestrekte armen, naast den voerman.

--"Vader!" gilde zij; "vader! hulp!"...

Het meisje maakte een beweging, als wilde zij van de kar springen,

maar een donkere gedaante kwam achter uit den wagen te voorschijn,

een lange, magere arm werd om haar heen geslagen, en dwong haar terug

op haar bank. Een bleek, vertrokken gezicht keek hoonlachend op naar

de Geuzen.

--"Hel en verdoemenis! De monnik!" siste Daniël. "Wacht, Judas!"

Met een ruk had hij den armborst aan den schouder, de pees klonk, en

met een bout in de keel tuimelde de monnik achterover. Niemand dan de

schutterkoning van Poperingen had, bij dit onzekere licht, het schot

kunnen wagen, zonder gevaar te loopen het jonge meisje te treffen.

Maar de hulpschreeuw van zijn dochter had de Welle gewekt uit zijn

verbijstering, die hem een oogenblik had doen weifelen, toen hij zich

zoo onverwachts geplaatst zag tegenover een zoo geduchte overmacht.

--"Vive le Geus! Slaet dood!" schreeuwde hij, en door Jacob en Daniël

gevolgd, sprong hij in den hollen weg, om zich aan het hoofd der

zijnen te stellen.

En nu volgde er een verwoed gevecht. De soldaten namen den wagen in

hun midden en maakten met gevelde speren front tegen de aanvallers,

terwijl de Geuzen hen van twee kanten bestookten, en door verwoede

aanvallen trachtten door hunne gelederen heen te breken.

Het woeste geschreeuw der vechtende mannen, het wapengekletter,

soms overstemd door den doffen knal van een pistool of een bus, het

gegil en geschrei der gevangen vrouwen en het kermen der gekwetsten,

vervulden het bosch met een woest rumoer.

Zonder orde, maar met woeste dapperheid, drongen de Geuzen telkens

weder op en trachtten den wagen te bereiken, maar telkens werden zij

teruggeslagen, terwijl de musketiers, op de hellingen geposteerd,

hunne vuurwapenen weder hadden geladen en door eene onverwachte

losbranding een paar der aanvallers buiten gevecht stelden.

De strijd in den hollen weg was kort maar hevig, en de uitslag kon

niet twijfelachtig zijn. De Geuzen werden teruggedrongen; een achttal

hunner was dood of gewond.

Daar zonk de Welle, die in de voorste rij met den moed der wanhoop had

gevochten en met zijn gepinde kodde reeds drie soldaten had neergeveld,

door een kogel getroffen, neer. Op het gezicht van den val van hun

aanvoerder, ontzonk den Geuzen de moed. Zij deinsden achteruit.

--"De gewonden, mannen! Neemt de gewonden mee!" riep Jacob Martens,

die begreep, dat de aanslag mislukt was.

Een paar zeisdragers volgden hem, en, met hunne wapens zwaaiende,

maakten zij een oogenblik ruim baan. De Welle en nog twee anderen

werden haastig opgenomen en weggedragen. Toen vluchtten de Geuzen en

waren weldra buiten het schijnsel der vlammen en in het donkere bosch,

waar zij alle paden kenden en waar de soldaten hen niet durfden volgen.

Allen waren gevlucht, behalve Daniël. Even buiten den lichtkring, half

verborgen achter een beukenstam, stond de strooper en staarde naar de

huifkar, waar een paar der stadshellebaardiers zich thans bezig hielden

met het lijk van den monnik, die tusschen de verschrikte gevangenen was

neergezegen. Op de voorste bank zat Mieke. Toen zij de Welle had zien

vallen, had zij een gil gegeven. Thans keek zij met strakke, wanhopige

blikken naar het donkere geboomte, waarin zij hem had zien wegdragen.

Een siddering ging door het lichaam van den strooper.

Wild keek hij om zich heen. Achter zich hoorde hij de stemmen der

aftrekkende Geuzen, die hem toeriepen te vluchten. Vóór zich zag hij

de huifkar, waar thans de soldaten zich om verdrongen, die zoo goed

mogelijk hun gewonde makkers verzorgden, en het doodsbleeke meisje,

dat hij en zijn makkers aan haar lot moesten overlaten--Mieke in de

handen van Titelman!

Vaster omklemde Daniël zijn gespannen armborst, er kwam een woeste

blik in zijn starende oogen en hij klemde de lippen op elkander.

--"Nooit!" steunde hij. "Dan liever..."

Hij bracht den kruisboog aan den schouder.

--"Mieke!" schreeuwde hij. Het meisje zag om.

Het staal van den armborst klonk. Met een flauwen kreet, dwars door

het hoofd geschoten, zonk Mieke achterover.

Een paar soldaten, die den schreeuw hadden gehoord, drongen het

bosch in, maar zij hoorden slechts een akeligen lach uit het donkere

geboomte opklinken.

De wildstrooper was verdwenen.

Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw · 第 16 / 25 题