Vier weken na dien noodlottigen dag naderden twee mannen, als Vlaamsche
boeren gekleed, en waarvan de eene veel jonger was dan de andere,
het dorp Gentbrugge. Behalve hun stevige stokken, aan de punten met
ijzer beslagen, droegen zij geen zichtbare wapenen.
Het waren Jacob Martens en Pieter de Welle. Na hunne ontsnapping had
de Welle doorgeroeid tot Callo, nadat hij inderhaast Jacobs wonde
zoo goed mogelijk had verbonden, om het bloeden te stelpen. Te Callo
hadden zij onderkomen gevonden bij een visscher, die een geloofsgenoot
bleek, en die hen gaarne een schuilplaats gaf, toen hij vernam, dat zij
vluchtelingen van het leger der Geuzen waren. Zij bleven er tot Jacob,
die door bloedverlies zeer was verzwakt, geheel was hersteld, en in
dien tijd werkte de Welle voor hen beiden, doordat hij den visscher,
hun gastheer, hielp bij zijn bedrijf. Van de marktschippers, die
op Antwerpen voeren, vernamen zij, hoe het met hunne kameraden was
afgeloopen. Het geheele Geuzenleger was vernield; vele vluchtelingen
waren in de Schelde of in de moerassen gesmoord en de Heer de Lannoy
had driehonderd gevangenen aan de boomen in den omtrek laten ophangen.
Ze hoorden er ook het rampzalig lot van Valenciennes. Ze vernamen, hoe
de ongelukkige stad, na een dapperen tegenweer, zich aan Noircarmes had
moeten overgeven en hoe deze, ondanks zijn belofte van vergiffenis,
den bevelhebber Michel Herlin en zijn zoon had laten onthoofden,
en de predikanten la Grange en Guido de Bray, met nog tweehonderd
Gereformeerden, had laten ophangen.
Eindelijk hoorden zij, dat de Landvoogdes, moedig geworden door de
overwinning harer troepen, aan de Regeering van Antwerpen den eisch had
gezonden, dat de Hervormde predikanten de stad binnen vier en twintig
uren en het gebied der Nederlanden binnen de drie dagen zouden hebben
te verlaten op straffe van de galg,--en dat de Regeering het hoofd
had gebogen, dat de predikanten hadden gehoorzaamd, en dat met hen
een groot aantal Gereformeerden, bevreesd voor de wraak der Roomsche
partij, de stad hadden verlaten, om naar Engeland of Duitschland uit
te wijken. Het scheen gedaan met de zaak der Reformatie.
Nu achtte de Welle het ook niet veilig meer, nog langer in de buurt
van Antwerpen te vertoeven. Hij sprak met Jacob af, dat zij eerst,
zoo goed mogelijk vermomd, naar Gentbrugge zouden gaan, waar de
boschwachter in zijn huisje een kleine som geld veilig verborgen had;
vervolgens zouden zij te Poperingen naar Mieke gaan zien, om dan over
Duinkerken met een of ander visschersvaartuig naar Engeland uit te
wijken en dààr betere tijden af te wachten,--zoo die ooit nog voor
de rampzalige Nederlanden mochten aanbreken.
Vóór het begin der onderneming was hun hunne soldij uitbetaald,--want
het ontbrak de aanvoerders niet aan geld. Ze waren dus in staat
eenvoudige boerenkleeren te koopen, en zoo hadden zij zich op weg
begeven, de groote wegen vermijdend, waar zij de meeste kans liepen,
krijgsvolk der Regeering te ontmoeten. Nu hadden zij het doel van hun
tocht bereikt. Het liep tegen den avond en dat achtte de Welle, die
zorgvuldig de minst bezochte voetpaden had uitgekozen, den geschikten
tijd om zijn plan te volvoeren. Dienzelfden nacht zouden zij verder
gaan, want de buurt was voor hen beiden te gevaarlijk.
Het huisje van den boschwachter lag daar, eenzaam en verlaten. Daar
stond de oude, holle boom, waarin de Welle vóór zijn vertrek den
sleutel had verborgen. Toch moesten zij zeker weten, dat er geen
verraad was, voor zij de woning binnentraden. Voorzichtig en naar
alle zijden rondziende, traden zij nader. Plotseling greep de Welle
Jacob bij den arm en deed hem stilstaan. Er was een man van achter
het huisje te voorschijn gekomen; thans stond hij voor de gesloten
vensterluiken en trachtte door de reten naar binnen te zien.
--"'t Is Daniël Tistz," bromde de Welle. "Wat zoekt de strooper hier?"
--"Hij zal ons niet verraden," meende Jacob, die zich den jongen man
herinnerde; "hij draagt immers ook het Geuzennapje."
--"Men kan anders zoo'n lossen kwant niet vertrouwen," bromde de
Welle. "Maar voor een verrader zie ik hem toch niet aan. In elk geval,
we kunnen hier niet blijven staan, jonker. Vooruit dan maar!"
Op dit oogenblik keerde de strooper zich om en zag hen. Met een luiden
uitroep snelde hij op beide mannen toe. Jacob zag, dat de jonge man
er bleek en ontdaan uitzag.
--"Goddank, dat ik je zie, de Welle!" riep hij heesch. "Daar heb ik
God om gebeden, zooals ik nog nooit gebeden heb. Man, houd je goed,
want je dochter... je Mieke..."
--"Mieke!"
De Welle werd wit als een doek. Hij greep Daniël in de borst en
schudde den sterken jongen boer woest heen en weder.
--"Mieke?" siste hij. "Wat is er gebeurd? Heb jij, roffiaan, haar..."
Maar Daniël rukte zich los.
--"Laat los, de Welle!" riep hij met een wilden lach. "Denk je, dat
ik hier zou zijn, als ik je dochter een haar had gekrenkt? Weet je
niet, dat ik wel voor haar had willen sterven, als 'k haar zóó had
kunnen redden? Mieke zit gevangen op 't slot te Poperingen! Ze is in
de handen van Titelman!"
--"Van Titelman?"
Naar adem hijgend, met strakke, starende oogen, zag de Welle den
boogschutter aan, en ook Jacob stond verslagen. De arme Mieke in de
handen van de Inquisitie, van Titelman! Heel Vlaanderen kende hem, den
verschrikkelijken deken van Rousselaere, den fanatieken priester, voor
wien zelfs de Landvoogdes bevreesd was. In handen van Titelman,--dat
was erger dan de dood!
De Welle vermande zich.
--"Zeg op!" zei hij met schorre stem. "Wat is er gebeurd? Ze was
veilig bij haar moei te Poperingen."
--"Een stadsklerk heeft haar verraden!" zei Daniël, sidderend van
ingehouden drift. "Als ik den laffen Judas in handen krijg, breek ik
hem den nek. Hij wou naar Mieke vrijen, maar zij wou niets van hem
weten. Toen is hij uit wraak naar den geloofsrechter geloopen. Hij had
haar eens met haar bijbel en haar psalmboek verrast, het arme kind."
--"En toen...?"
--"Toen zijn de dienaars van den baljuw gekomen, en hebben haar uit
het huis gehaald. Ik was er niet. Ik zou de kerels met mijn handen
hebben geworgd, eer ze haar lief lijf aanraakten. Ze hebben haar op den
toren van 't slot gebracht, en ze zou, naar ze te Poperingen kallen,
met nog vier, die gevangen zijn om de religie, naar Rousselaere
worden gebracht."
Pieter de Welle stond daar met gebogen hoofd. Bij de laatste woorden
van den boogschutter schrikte hij op en wrong de handen met een
kermenden zucht. De beide jonge mannen zagen hem medelijdend aan. Zij
wisten, welke geruchten, ze mochten dan gegrond zijn of niet, omtrent
den pastoor van Rousselaere in omloop waren.
--"En geen redding! Och, Heere God! geen redding!" steunde de arme
vader.
Daniël Tistz keek hem met flikkerende oogen aan.
--"Misschien! Als je durft, de Welle!" zei hij driftig.
--"Durven? Denk je dan, dat mijn leven nog iets waard zou zijn,
als dàt met Mieke gebeuren moest? Zeg op, man, wat bedoel je?"
--"Kom mee naar Poperingen! Ik zal je bij wakkere kerels brengen. 't
Zijn Geuzen, die 't bij Waterloo ontkomen zijn en die zich nu
schuilhouden. Ze durven, als 't er op aan komt. Als Mieke naar
Rousselaere wordt gebracht, zullen wij 't weten, en dan, als wij
't goed aanleggen, is er kans, dat wij ze verlossen."
Gretig luisterde de Welle naar het plan, dat de wildstrooper nu nader
uiteenzette. De weg van Poperingen naar Rousselaere liep, zooals de
boschwachter ook zeer wel wist, gedeeltelijk door een bosch. Daar
zouden, op een geschikt punt, de Geuzen zich in hinderlaag leggen,
de dienaars van den inquisiteur dooden of onschadelijk maken en
de gevangenen bevrijden. De zaak was uitvoerbaar en de Welle en
Jacob waren bereid, haar te beproeven. Men zou zich terstond op
weg begeven. De aangeboren voorzichtigheid van den Vlaamschen
boer zegevierde nu echter over de smart en de angst van den ouden
boschwachter. Hij trad zijn woning binnen, terwijl hij zijn beide
metgezellen wenkte, hem te wachten. Toen hij, na een poos, weer buiten
kwam, hing er een zware lederen tasch aan zijn riem: de Welle had
zijn spaarpenningen opgegraven en nam ze mede.
Zij liepen verscheidene uren, ook nu weer de hoofdwegen vermijdende,
langs landwegen en boschpaden, die de Welle en Daniël beiden kenden.
't Was een schoon land, West-Vlaanderen in zijn frisschen lentetooi,
maar ze hadden geen oog voor het schoone, dat hen omringde. Met
krampachtig gesloten vuisten, soms onverstaanbare woorden mompelend,
dan weer den blik ten hemel slaande, als in stil gebed, schreed
de Welle voort, terwijl zijn beide metgezellen hem van tijd tot
tijd medelijdend aanzagen. Onder het gaan vertelde de strooper
aan Jacob, dat de vervolgingen wegens ketterij in de laatste weken
weder begonnen waren. Sinds den beeldenstorm hadden de inquisiteurs
zich rustig gehouden, maar de overwinningen, door de troepen der
Regeering behaald, hadden hun nieuwen moed gegeven en na den val van
Valenciennes was Titelman aanstonds begonnen, zijn bloedhonden uit
te zenden. Verscheidene personen waren, als verdacht van ketterij,
gevangen genomen en voor de geestelijke rechters gebracht. De
doodvonnissen zouden niet lang op zich laten wachten.
Men bereikte een groot bosch van eiken en beuken. De laatsten prijkten
reeds met frisch, jong groen, de eersten hadden nog hun winterloof. Het
terrein begon heuvelachtig te worden en de weg, die door het bosch
heenslingerde, was hier en daar door hooge, met zware stammen bezette
wallen omzoomd.
--"Hier zou het moeten zijn!" zeide de strooper eensklaps, terwijl
hij staan bleef.
De weg maakte hier een scherpe bocht en liep dan naar beneden. De
bodem was doorweekt door het regenwater, dat er zich had verzameld,
en de diepe karresporen, die in en uit den modderpoel leidden,
stonden vol water. Er groeide dicht struikgewas in de laagte en het
geboomte was zwaar genoeg om een geheele bende te verbergen. 't Was
een uitgezochte plaats voor een hinderlaag.
De Welle bleef even staan, nam het terrein met een vorschenden blik
op en knikte even goedkeurend. Toen vervolgde hij echter weer zijn
weg, zwijgend en haastig, en de beide jonge mannen, die begrepen,
wat er in hem omging, stoorden hem niet.
Zij kwamen door het dorp Langem en hier wist Daniël den bedroefden
vader te bewegen, in de taveerne wat uit te rusten en er een potteke
bier te drinken. De Welle had liever den tocht voortgezet, maar de
strooper beet hem toe, dat de jonker niet verder kon. Inderdaad was
Jacob, die niet zooals de beide anderen aan lange dagmarschen gewoon
was en die daarbij pas van zijn wonde was hersteld, doodmoede.
Zij traden de dorpstaveerne binnen en vonden er niemand, dan een
Dominicaner monnik, die in een hoek van de gelagkamer rustig zijn
potteke dronk, terwijl hij ijverig in zijn brevier las. Daniël nam
den Witheer met booze blikken op, maar deze lette niet op hem. Na een
poos dronk hij zijn potteke leeg en borg het gebedenboek in de tasch
of beurs, die aan zijn gordel hing; tegelijk haalde hij daaruit een
papier te voorschijn, waaraan een groot, rood zegel hing. Hij bezag
het eenige oogenblikken opmerkzaam en stak het toen weder weg. De
strooper zag het en zijne oogen fonkelden.
Toen de monnik vertrokken was, niet zonder een scherpen blik te hebben
geworpen op de drie mannen, wenkte Daniël zijne beide metgezellen.
--"Dat is een van de bloedhonden van Titelman," fluisterde hij. "Ik
ken hem wel. Als hij naar Poperingen gaat, dan kunt ge er op aan,
dat hij tijding brengt van den deken. Wij moeten hem in 't oog houden."
Zij betaalden hunne vertering en volgden den monnik van verre. De
Dominicaner slofte langzaam voort, tot hij de laatste huizen van
het dorp achter den rug had. Toen sloeg hij den breeden karreweg in,
die naar het Zuiden leidde.
--"Dat gaat naar Poperingen," zei Daniël. "Die brief is van Titelman."
--"Wij moeten hem hebben," zei de Welle gejaagd.
--"Juist, kom gauw!"
Wegduikend achter een hoogen wal van eikenhakhout, kwamen zij
ongemerkt den monnik vooruit. De Welle zoowel als Daniël Tistz
kenden het landschap nauwkeurig. Zij wisten de veldwegen en bijpaden
en zoo, snel en zwijgend voortstappend, bereikten zij den grooten
karreweg weder op een uur afstands van Langem, voor nog de langzaam
voortstappende monnik in het gezicht was.
Het was een eenzame plaats. De weg liep hier door een stuk broekheide,
die zich aan weerszijden mijlen ver uitstrekte. Naar het Westen zag
men de donkere massa van een bosch.
--"Wat nu?" vraagde de strooper.
--"Wij moeten dien brief hebben!" zei de Welle, met de tanden op
elkaar geklemd.
--"Wil je dan, dat ik...?" Met een veelbeteekenend gebaar trok Daniël
zijn kruismes.
--"Je wil toch geen moord, de Welle?" vraagde Jacob.
--"Alsof er aan 't leven van zoo'n paap iets gelegen was," zei de
strooper ruw. "Zullen ze Mieke niet vermoorden en haar martelen
bovendien, als zij kunnen? Je moet niet zoo weekhartig zijn, jonker."
--"De Heere heeft gezegd: Mij is de wrake! Ik zal het vergelden!" zeide
Jacob ernstig.
--"Zóó heb ik den bijbel niet gelezen!" lachte de ander grimmig. "Wat
zeg jij, de Welle!"
--"Laat hem leven, als 't kan," gebood de koddebeier.
--"Mij is 't wel!" zei Daniël schouderophalend. "Hoewel je er hem
misschien geen dienst mee doet, jonker. Want we kunnen hem niet laten
loopen, en als hij in de handen valt van onze gezellen daarginds..."
Hij wees met een veelbeteekenden blik naar de bosschen in de verte.
--"Wat wil je dan doen?" vraagde de Welle.
--"Laat mij maar begaan," lachte Daniël. "Ik heb wel eens meer een
boschwachter onschadelijk gemaakt. En was 't niet om Mieke geweest,
de Welle... Nu, kijk maar zoo leelijk niet: ik zal niets meer
zeggen. Maar, jonker, heb je wel eens van den Duinkerkschen kneep
gehoord? Niet? Let dan eens op, dan zul je wat wonders zien. Maar
jelui beiden moet je verschuilen, want onze vriend zal nu wel zoo
dadelijk komen."
--"Achter den wal dan!" gebood de Welle, en de drie mannen verscholen
zich achter het nog dorre eikenhakhout en wachtten.
De weg was eenzaam en verlaten. Bouwlanden, waar anders nu de boeren
werkten, waren er niet in de nabijheid en de broekheide, waar 's
nachts de grauwe nevel uit opdampte en de dwaallichten flikkerden,
werd door niemand bezocht, die er niet noodig had. Heel uit de verte
klonk van tijd tot tijd het "Alahoe!" van een koewachter, die zijn
beesten langs de wegen liet grazen.
Weldra zagen zij den Witheer aankomen. De monnik stapte bedaard en
rustig voort, onbewust van het gevaar, dat hem dreigde.
--"Let op!" mompelde de strooper.
Snel sloop hij langs den houtwal, om een eind verder weer te voorschijn
te komen. Rustig, met de handen in de zakken en al fluitende, liep hij
den monnik tegemoet. In zijn onmiddellijke nabijheid gekomen, week hij
ter zijde, zoodat de Dominicaan hem rakelings voorbij moest, terwijl
hij, schijnbaar groetend, de hand aan zijn kaproen bracht. Werktuiglijk
hief de monnik de hand zegenend op, om den groet te beantwoorden.
Plotseling, met een bliksemsnelle beweging, schoot de arm van den
jongen Vlaming uit en omknelde den hals van zijn slachtoffer. Tegelijk
zette hij den rechtervoet vooruit, achter de beenen van den monnik,
en met een forschen ruk wierp hij den man achterover op den grond,
waar hij met een geweldigen smak neerkwam en verdoofd bleef liggen. De
Welle en Jacob, die alles gezien hadden, braken door het kreupelhout
en met hun drieën sleepten zij het bewustelooze lichaam achter den
houtwal. Driftig viel Daniël op de tasch aan en haalde er het papier
uit, dat zij den monnik hadden zien lezen. Hij reikte het de Welle
over. Deze bezag het, doch gaf het hoofdschuddend over aan Jacob.
--"Ik kan er niets van maken!" zeide hij. "Wat is het, jonker?"
Jacob doorliep het papier vluchtig.
De monnik, die als een zoutzak aan hun voeten lag, opende de oogen. Hij
keek verschrikt rond en scheen te willen opstaan.
--"Houd je gemak, pater!" zei Daniël, terwijl hij zijn gevangene
den voet op de borst zette en zijn kodde dreigend ophief. "Als je
een vin verroert of een kik geeft, zal ik je met dezen wijkwast
zegenen--voorgoed, hoor je? Lees op, jonker!"
--"Petrus Titelman," vertaalde Jacob, "onwaardig dienaar Gods, priester
en deken te Rousselaere, inquisiteur van Vlaanderen, Douai en Rijssel,
aan Mr. Willem van Bodeghem, schout van Poperingen, groetenis.
"Krachtens de macht, ons verleend, door den Eerwaarden Ruardus
Tapper, groot-inquisiteur der Nederlanden, en bij decreet van Zijne
Koninklijke Majesteit, Philips II, Koning van Spanje, van den 28sten
November 1555, zenden wij u door de hand van onzen beminden broeder
Clemens, van de orde van den H. Dominicus, last en bevel, om de door
u gevangen gehouden ketters, zoo mannen als vrouwen, den 16den April
naar Rousselaere te zenden onder veilige bewaring van uwe gewapende
dienaars, en dat tegen het vallen van den avond en zonder aan de
zaak ruchtbaarheid te geven, ten einde opschudding onder de bevolking
te voorkomen.
"Gegeven onder ons zegel, te Rousselaere, den 14den April, Anno
Domini 1566."
De drie mannen keken elkander ontsteld aan.
--"Den 16den April,--dat is morgen!" zei Pieter de Welle met gesmoorde
stem.
--"Maar de baljuw zal niets kunnen doen, nu wij Titelman's postduif
hebben opgevangen," meende Daniël.
--"Dat baat niet," zeide de Welle. "Als de gevangenen niet aankomen,
en als zijn bode niet terugkeert, dan zendt Titelman een ander,
en dan is hij meteen gewaarschuwd. Als wij alles hadden geweten,
dan hadden wij dien monnik stil moeten laten gaan. Als Daniël ten
minste zijn woord kan houden..."
--"Dat kan ik!" zei de strooper. "Maar hoe krijgen wij dien brief
naar Poperingen? Wij kunnen er dien eerwaarden pater moeilijk mede
belasten."
De drie mannen zagen elkander verslagen aan. De monnik loerde naar
hen met schichtige blikken, als een wild dier, dat in de val zit. Hij
had nog geen woord gesproken.
Plotseling spanden zich zijn trekken. Hij had in de verte een zacht
getingel gehoord, zoo zacht, dat het de drie mannen, die van geheel
andere gedachten waren vervuld, was ontgaan. Het herhaalde zich: dat
waren de bellen aan het haam van een huifkar, die daar naderde. Dààr
was redding!
Loerend tusschen zijn wimpers door keek de gevangene, zonder een lid
te verroeren, naar zijne vijanden, die fluisterend en met bezorgde
gezichten met elkander spraken. De bellen kwamen al nader en nader,
weldra zou de voerman een hulpschreeuw kunnen hooren. De monnik
steunde reeds de ellebogen tegen den grond, gereed om met een schok
zich op te richten en zijn noodgeschrei aan te heffen.
Daar klonken op eens de bellen luider en sneller: het voortsjokkende
paard had blijkbaar hevig den kop bewogen. Verrast keken de Welle en
zijne metgezellen op: met een enkelen blik had Daniël den toestand
overzien en het gevaar begrepen.
Met een sprong was hij bij den monnik.
--"Ha, wou je dat, schobbejak!" siste hij, terwijl hij den man bij
de keel greep en zijn hoofd neerdrukte in de vochtige heide.
--"Houd op! Je worgt hem!" fluisterde Jacob.
--"Laat mij maar begaan!" zei de strooper norsch.
Hij rukte zich den halsdoek af, draaide dien tot een bal ineen en
wrong hem als een prop in den mond van den gevangene, die tevergeefs
tegenspartelde. Toen, terwijl hij met de eene hand den monnik in
bedwang hield, haalde hij een dun, maar sterk touw uit den zak en
met behulp van de Welle bond hij hem de handen op den rug.
"Ziezoo, pater!" zei hij grijnzend. "Nu kunt ge ons de misse lezen! Het
belleken klinkt reeds."
De kar was nu nabijgekomen. Neergehurkt achter het hakhout bij hun
gevangene, zagen de drie Geuzen haar voorbijgaan. Een paar boeren
liepen er naast, pratend en lachend, weinig vermoedend, wat daar
achter den houtwal voorviel.
--"Wij kunnen hier niet blijven," zei de Welle, toen het gerinkel der
bellen in de verte was weggestorven. "Wij moeten dien pater eerst in
veiligheid brengen."
--"Hij zou het veiligst zijn op den bodem van een veenplas," gromde
Daniël, terwijl hij met een schuinschen blik naar Jacob zag.
--"Laat hem!" gebood de Welle. "De jonker heeft gelijk. 't Is een
bloedhond, maar een moord in koelen bloede wil ik niet. We kunnen
hem meenemen naar dien schuilhoek, waarvan je hebt gesproken."
Nu kwam Jacob met een plan voor den dag. Hij zou de pij van den
Dominicaner monnik aandoen, en in die vermomming naar Poperingen gaan,
om het bevelschrift aan den baljuw te overhandigen, en, zoo mogelijk,
de inlichtingen in te winnen, die zij noodig hadden voor het slagen
van hun plan. Zijn langdurig verblijf in het Dominicaner klooster
maakte, dat hij zonder moeite zijn rol zou kunnen spelen.
Daniël nam gretig den voorslag aan en maakte zich gereed, den Witheer
van zijn scapulier en opperkleed te ontdoen. De Welle bleef met
gefronst voorhoofd naar den grond staren.
--"'t Is een gewaagd stuk, jonker!" zei hij eindelijk met gesmoorde
stem. "Als 't niet om Mieke was, dan zou ik... Maar er is toch één
bezwaar."
Hij wenkte de beide anderen ter zijde en ging fluisterend voort.
--"Hoe weet ge, of die broeder Clemens niet bij den schout bekend
is? In dat geval zou de jonker terstond gevangen genomen worden en
de schout zou dadelijk begrijpen, dat er onraad was."
--"We zullen het hem seffens vragen!" zei Daniël. "Hé, paap, zeg op:
hoe ziet de schout van Poperingen er uit?"
Hij knielde bij den monnik neder en nam de prop uit zijn mond. De
Witheer haalde diep adem, maar gaf geen antwoord. Hij sloot de lippen
vast op elkander en zag den strooper aan met een blik, waaruit haat
en verachting sprak.
--"Je zult spreken, vermaledijde paap!" siste Daniël woedend. "Jonker,
ga op den weg en houd er de wacht, dat wij niet overvallen worden."
Jacob bleef een oogenblik weifelend staan. Hij begreep, dat de beide
mannen den monnik tot spreken wilden dwingen. Het stuitte hem tegen
de borst een weerlooze te martelen,--maar Mieke, het onschuldige kind
dan? En hij zag aan de woeste blikken van Daniël, aan de vastberaden
houding van de Welle, dat de beide mannen zich door zijn tegenwerpingen
niet zouden laten weerhouden.
--"Spreek dan toch, man!" zei hij, dreigend, bijna smeekend.
De monnik vestigde zijn gloeiende blikken op den jongen man, maar
hij bleef zwijgen.
--"Ga nu toch, jonker!" riep Daniël Tistz ongeduldig.
Jacob brak door den houtwal heen en ging een eind den weg op,
tot hij een punt had bereikt, waar hij dien in beide richtingen kon
overzien. Het was een mooie, stille lentemorgen, zacht, met een beloken
lucht. Vredig en kalm strekte zich het landschap rondom hem uit; ook
de landweg was weder eenzaam en verlaten. Slechts een paar kieviten,
wier nest vermoedelijk in de nabijheid was, vlogen, luid krijschend,
in breede kringen rondom den indringer. De bremstruiken aan de zijden
van den weg maakten frissche groene scheuten, en over de heide brak
door het bruine winterkleed de zachtgroene tint van de duizenden
uitbottende heideplantjes.
Jacob liet zijne oogen over het vreedzame landschap dwalen. Wat
was Gods schepping schoon, en ach, hoe bedierven de menschen al het
schoone en goede, hun door Gods liefde geschonken, door hunne zonden
en hartstochten! Wie, die het vredige landschap, ontluikend in de
jonge lente, aanschouwde, zou hebben vermoed, dat thans in dat schoone
Vlaanderen duizenden harten klopten van bange vreeze of gloeiden van
woeste wraakzucht!
Onwillekeurig herdacht Jacob de gebeurtenissen der laatste weken. Wat
al blijde hope was daar in weinige dagen vernietigd--voorgoed naar
het scheen. Wat waren zij moedig uitgetrokken, de jonge Geuzenedelen,
om hun land te ontrukken aan het geweld van een Regeering, die een
vrij volk in boeien wilde slaan, het wilde dwingen naar den wil van
een Spaanschen koning, die niet over dat vrije volk wilde regeeren,
maar slechts wilde heerschen over een troep slaven, die nederig voor
hem kropen, die zelfs hun God slechts zóó wilden dienen en belijden,
als hij, de vorst, het hun voorschreef.
Helaas, wat was er geworden van al die schoone verwachtingen? Thoulouse
was dood! Het Geuzenleger was vernietigd! De edelen waren in
ballingschap, de strijders voor de vrijheid, die niet waren gevallen,
hielden zich schuil in bosschen en moerassen, uit vrees voor de
galg. De Inquisitie loerde overal naar haar prooi. En uit de verte,
uit Spanje, dreigde het onweer: de Koning zou komen, hij zou komen
met een groot leger, om de oproerigen te straffen en de vrijheden
des lands voorgoed te vernietigen.
Een schorre schreeuw, die van achter het hakhout kwam,
deed hem opschrikken uit zijn gepeins. Dat was blijkbaar de
monnik! Onwillekeurig deed Jacob een paar stappen in de richting
van het geluid. Weder klonk de schreeuw, feller en pijnlijker
dan zooeven. Toen volgde er een dof gemompel van stemmen. Jacob
huiverde. Men martelde den man, dat was duidelijk, en het stuitte
hem tegen de borst, daarvan getuige te moeten zijn. Een oogenblik
stond hij besluiteloos: zou hij tusschenbeide komen? En zou zijn
tusschenkomst iets baten?
Daar dook de lange gestalte van de Welle uit het hakhout op. De kleine,
helblauwe oogen van den koddebeier fonkelden.
--"Kom, jonker!" riep hij, "'t is er uit! De paap heeft gebiecht! Wij
weten, wat we noodig hebben!"
Jacob volgde hem naar de plaats, waar de monnik lag. Daniël Tistz
lag bij den gevangene geknield. Een dun koord met knoopen was om de
slapen en het voorhoofd van den Dominicaan gebonden en daartusschen
had hij het heft van zijn kruismes gewrongen, zóó, dat hij het touw kon
toesnoeren, dat bij elken slag dichter om het hoofd van den gepijnigde
knelde, terwijl de harde knoopen door de huid drongen. Daniël maakte nu
het foltertuig los; een roode striem liep over het bleeke, bebloede
gelaat van den monnik en zijn donkere oogen puilden uit van pijn
en doodsangst.
--"Ik heb den paap eens laten proeven, hoe de stroppelkoord smaakt,
waar zijn patroon Titelman zoo gul mee is!" zei de strooper woest. "Hij
heeft alles bekend, jonker. Men kent hem niet te Poperingen. Hij is
hier pas aangekomen uit het Maastrichtsche, om den deken te helpen. Nu
de Geuzen verslagen zijn, kreeg de Inquisitie dubbel werk, zoo zei hij,
de bloedhond."
Hij gaf den monnik een verachtelijken schop. Jacob zag de donkere
oogen in het bebloede gezicht zich op hem vestigen met een blik van
angst en haat. Huiverend wendde hij zich af.
--"Kom, jonker," zei de Welle, "'t is nu geen tijd om weekhartig te
zijn. Denk aan Mieke en wat er met haar gebeuren zal, als zij eens
te Rousselaere, in de klauwen van Titelman is. Blijft ge bij uw plan,
om naar Poperingen te gaan?"
Jacob knikte toestemmend. De beide mannen maakten de touwen los,
waarmede de Dominicaan gebonden was en ontdeden hem van zijn pij,
zijn gordel en zijn tasch. Jacob verwisselde zijne boerenkleeren met
het kloostergewaad. Hij droeg in den laatsten tijd het haar kort,
als een krijgsman paste en Daniël, die in de tasch van den monnik
een schaar had gevonden, maakte hem met groote handigheid een tonsuur.
--"Ziezoo, jonker," zei hij, "nu zie je er uit als een echte paap. Je
bent in 't klooster geweest, zegt de Welle. Dat treft goed. Breng
dien brief aan den schout en zie te weten te komen, hoeveel knechten
hij zal meegeven, en laat dan de rest maar aan ons over."
--"Ge waagt uw hals, om ons te helpen, jonker," zei de Welle, "en nog
eens, als 't niet om Mieke was... Dien monnik nemen we als gijzelaar
mede, en mocht u iets overkomen, wat God verhoede, zeg dan aan zijne
gezellen, dat wij met hem zullen doen, zooals zij met u doen."
Nadat men nog had afgesproken, dat de Welle en Daniël Tistz in den
laten namiddag Jacob wachten zouden bij een gebroken steenen kruis,
dat aan den weg stond en gedurende den beeldenstorm was vernield,
namen de beide mannen afscheid van hun bode. Zij zouden met hun
gevangene dwars over de broekheide naar de bosschen trekken, waar
zich de schuilhoek der gevluchte Geuzen bevond, waarvan de strooper
had gesproken. Eerst als zij uit het gezicht waren, zou hij zijn
tocht aanvaarden. Daniël maakte het touw los, waarmede de enkels
van den monnik waren gebonden en hielp hem overeind. Eerst wilde de
Dominicaan niet loopen, maar toen de strooper hem de punt van zijn
kruismes liet voelen, schikte hij zich in zijn lot en volgde gedwee
zijne beide bewakers, die dwars door de drassige heide aanhielden op
den donkeren boschrand aan den horizon.
Toen zij ver genoeg verwijderd waren, en er geen gevaar meer was,
dat een onverwachte voorbijganger of een dwalend eierenzoeker zou
bemerken, dat zij in elkanders gezelschap waren geweest, sloeg Jacob
den weg in naar Poperingen. Hij was in een alles behalve aangename
stemming. Het tooneel, dat hij zooeven had bijgewoond, had hem pijnlijk
aangedaan. Hij was een kind van zijn tijd en die tijd was ruw en
wreed. Dat men een misdadiger door pijn tot bekentenis dwong, scheen
Jacob Martens volkomen geoorloofd. En in zijn oogen en in die van
zijne medestanders was deze monnik, het werktuig van den inquisiteur,
niets anders dan een boosdoener. Toch scheen het martelen van een
weerlooze hem een laagheid. Ook de taak, die hij op zich had genomen,
was hem weinig naar den zin. Dat 't een gewaagde onderneming was, dat
een enkele onhandigheid of onvoorzichtigheid hem in den kerker en op
't schavot zou brengen, was nog zoo erg niet. Maar in een vermomming
spionnenwerk te moeten verrichten, te moeten veinzen en bedriegen,
het strookte weinig met zijn aard. Maar hij dacht aan de arme Mieke
en aan het lot, dat haar te wachten stond, hij dacht aan de Welle,
die hem het leven had gered, en hij nam zich voor, de zaak, die hij
op zich genomen had, ten einde toe te volbrengen.
Het stuk broekland hield weldra op, om plaats te maken voor weiden,
toen voor bouwlanden, braakliggend of met winterkoren bezaaid,
en eindelijk begonnen de hoptuinen, waarom Poperingen zoo beroemd
was. Reeds lang had Jacob de torens der drie kerken, de Sint Bertinus,
de Mariakerk, en die van den Heiligen Johannes den Dooper, over het
lage land in het oog gekregen. Thans kon hij ook de trotsche gebouwen
van de beroemde abdij van Sint Bertinus in de verte zien oprijzen,
waaraan Poperingen zijn ontstaan te danken had. Want de stad was
een leen der abdij, en nog altijd werd het stadsbestuur, bestaande
uit den schout, den "amman", twee burgemeesters en twaalf schepenen,
door den abt van St. Bertinus gekozen en aangesteld.
Hij bereikte de poort, waar hij door den portier eerbiedig werd
gegroet. Het geestelijk gewaad was in eere te Poperingen. Op zijne
vragen wees men hem het huis van den schout, Mr. Willem van Bodeghem.
Deze, een stoere Vlaming, met een steenrood, breed en goedmoedig
gezicht, ontving den gewaanden bode van den deken van Rousselaere
met een zekere stugge beleefdheid. Het hinderde den eerzamen schout,
dat hij van een andere geestelijke overheid, dan van zijn Heer, den
abt van St. Bertinus, bevelen moest afwachten, en daarbij, ook de
Roomsche magistraatspersonen waren over het algemeen--tot hun eere
zij het gezegd--afkeerig van de bloedige kettervervolging en vijanden
der Inquisitie en Philips II klaagde bitter over hunne lauwheid in
een zaak, die hem zoo zeer ter harte ging.
Zoo had Mr. Willem van Bodeghem niet kunnen nalaten, om op aanwijzing
van den inquisiteur de ketters in hechtenis te nemen, die deze hem
aanwees. De plakkaten verplichtten hem er toe. Maar hij had het
ongaarne gedaan en met kwalijk verholen tegenzin ontving hij den
gewaanden monnik.
--"Veel te jong voor een speurhond van de Inquisitie!" bromde de
eerlijke Vlaming in zijn baard.
Inderdaad was Jacobs leeftijd bij deze onderneming een gevaar op
zichzelf; de gebeurtenissen der laatste maanden echter en de gevolgen
van zijn wonde deden hem ouder schijnen dan hij was.
--"Gij zijt dus broeder Clemens, van wien hier gesproken wordt," zeide
de schout, die, als leerling der kloosterschool van Sint Bertinus,
genoeg Latijn verstond, om het geschrift te lezen. "En gij zult zelf
het antwoord aan den Eerwaarden Deken overbrengen. Als ge te avond
mijn gast wilt zijn, zal mijn schrijver morgen het antwoord voor u
gereed hebben. Of misschien vernacht gij liever in de abdij?"
--"Ik zou gaarne vandaag nog terugkeeren," zeide Jacob. "Mijn boodschap
heeft haast!"
--"Ja, maar mijn schrijver is er nu niet!" zei de schout verdrietig,
terwijl hij zijn korte, stompe vingers bekeek, die er niet uitzagen,
of zij gewoon waren, de pen te voeren.
--"Het bevelschrift was niet verzegeld en de inhoud is mij bekend,"
zeide Jacob, blij, dat tot nog toe alles zoo voorspoedig ging. "Ik
kan ook een mondeling antwoord medebrengen."
--"'t Is waar," zei Mr. Willem van Bodeghem, zichtbaar verlicht,
"welnu, broeder, zeg den Eerwaarden deken, dat men er scherp op zal
letten. De gevangen ketters zullen ter bestemder tijd naar Rousselaere
worden gezonden en voor zoover het burgers van onze stad zijn, verzoek
ik den deken, hen met zachtmoedigheid te behandelen. Ik zal mijn
substituut, die hen begeleiden zal, een geschrift over hen medegeven."
--"Het gerucht wil, dat er kwaad volk in de bosschen omtrent Poperingen
huist," zeide Jacob, terwijl hij zijn best deed, een onverschillig
gezicht te zetten, "de deken wist niet, of de bedekking van uw dienaars
voldoende zou zijn, om..."
Het gezicht van den Schout werd nog rooder; de blauwe toornaderen
zwollen op zijn voorhoofd en dreunend kwam zijn vuist neer op de
massieve eikenhouten tafel.
--"Ik ken mijn plicht!" bulderde hij, "en ik behoef dien van geen
inquisiteur ter wereld te leeren! Laat de deken zich met zijn
eigen zaken bemoeien! Ik zal doen, wat 's konings plakkaten mij
voorschrijven, maar verder ben ik niemand rekenschap verschuldigd
dan mijnen heere den Eerwaarden abt van St. Bertinus!"
Jacob nam haastig afscheid. Eigenlijk had hij den wakkeren schout het
liefst de hand willen drukken. Hij had zijn rol tamelijk onhandig
gespeeld en een magistraat met scherper blik dan de eerzame Willem
van Bodeghem had al licht argwaan kunnen opvatten. Toch was zijn doel
aanvankelijk bereikt. Het bevelschrift van Titelman was in handen van
den schout en hij was er zeker van, dat het ten uitvoer zou worden
gelegd. Ook verder zou het geluk hem dienen.
Hij was moe van zijn langen tocht en hongerig en dorstig daarbij. Hij
had het gebroken kruis aan den weg gezien, waar de Welle en Daniël
Tistz hem zouden wachten, en hij berekende, dat hij nog tijd genoeg
had, om uit te rusten en wat te eten en te drinken. Het gevaar voor
ontdekking was nu zeer gering; ja, het zou zelfs argwaan kunnen wekken,
wanneer hij het stadje te haastig verliet. Hij trad dus de stadsherberg
binnen en eischte brood en bier.
Terwijl hij in een hoek van de lage, donkere gelagkamer zijn eenvoudig
maal gebruikte, trad er een man de taveerne binnen, die naar zijn
kleeding te oordeelen tot de beambten der stad moest behooren. Hij
droeg een wambuis, half geel, half blauw, op de borst waarvan het
stadswapen was gewerkt en een kaproen van dezelfde kleuren. Aan zijn
breeden riem hing een kort rapier.
De schoutendienaar--want het was inderdaad een van de dienaars der
Poperingsche justitie--verlangde van den waard een potteke biers en
begaf zich met hem in ijverig gesprek. Weldra begonnen de beide mannen
veelbeteekenende blikken te werpen op den gewaanden Dominicaner. Jacob
Martens voelde, dat hij bleek werd. Zou de schout toch verdenking
tegen hem hebben opgevat? Als men hem herkende, als het bleek dat hij
een van de vluchtelingen van Austruweel was, dan wachtte hem de galg!
Het baatte hem echter niet, of hij zich thans verwijderde. Het beste
was, rustig te blijven zitten en schijnbaar geen notitie van de beide
mannen te nemen.
Nadat het fluisterend gesprek der beide mannen eenige oogenblikken
had geduurd, trad de schoutendienaar op Jacob Martens toe. Deze voelde
een oogenblik zijn hart stilstaan: hij meende, dat hij verloren was.
De man nam echter beleefd zijn kaproen af, en verzocht verlof zich
bij den eerwaarden broeder neder te zetten en aan zijn tafel zijn
potteke te drinken en weldra bleek het Jacob, dat de eerzame dienaar
allerminst argwaan tegen hem koesterde, maar een gezellige praatvaer
was, die alleen door nieuwsgierigheid gedrongen zich bij hem had
gevoegd. De komst van den "inquisiteur" had opschudding verwekt in
het stille stadje. Ieder wist natuurlijk van de gevangenneming der
ketters en men sprak over hun lot met medelijden, met leedvermaak of
met een stille verwensching, al naar de partij, waartoe men behoorde.
--"De Schout ziet niet gaarne, dat de ketters worden vervolgd of aan
den lijve gestraft," zeide de schoutendienaar fluisterend en met
een gewichtig gezicht; "maar ik zeg: de plakkaten van den Koning
moeten worden gehandhaafd, anders is er geen denken aan een goede
justitie. Waarom onderwerpen de Sacramentarissen zich niet en gaan
als goede christenen naar de Mis? Dan zou niemand hen deren."
--"Ge zijt een trouw zoon der Kerk!" zeide Jacob, terwijl hij den
ander niet zonder minachting in het dikke, onbeduidende gezicht keek.
--"Dat ben ik! Zeg dat aan den deken, eerwaarde broeder. Jurriaan
Jaspersz, de eerste schoutendienaar van Poperingen, heeft een afkeer
van alle kettersche dolingen en hij haat alle ketters, beeldbrekers
en Geuzen. En wanneer, zooals de luiden kallen, de Koning komt met
een leger, om aan alle oproer en de vileynige boosheid der Geuzen een
einde te maken, dan zal de heilige Inquisitie eerst recht de handen vol
krijgen. Zeg aan den vromen pastoor Titelman, eerwaarde broeder, als
hij als hoofd van zijn dienaars een kloeken, frisschen kerel verlangt,
die niet weekhartig en laf is, dan is Jurriaan Jaspersz zijn man."
--"Ik zal u niet vergeten, Jurriaan Jaspersz," zeide Jacob, die
hartelijk meende wat hij zeide. Toch wilde hij het gesprek niet
afbreken. Hij begreep, dat hij van den praatzieken dienaar wel zou
kunnen vernemen, wat hij verlangde te weten.
--"Er zijn zes gevangenen, nietwaar?" zeide hij.
--"Ja, zes, vier mannen en twee vrouwen," zeide Jurriaan Jaspersz. "De
een is een oude klappei, maar de andere... een malsch boutje! Een
paterstuk voor den deken!"
Jurriaan Jaspersz had de laatste woorden gezegd met een
veelbeteekenenden blik en een grijnslach om den breeden mond, maar hij
schrikte terug bij den vlammenden blik, vol toorn en verontwaardiging,
waarmee de gewaande monnik hem aankeek.
--"Zeker een jonge heilige kluizenaar, pas uit het klooster," dacht
de man. "De paters zullen hem wel gauw anders leeren. Maar ik heb
mij daar leelijk versproken."
Jacob bedwong den weerzin, dien hij voor den ruwen kerel gevoelde.
--"Gij zult zeker de gevangenen begeleiden?" zeide hij. "Is er wel
voldoende bewaking? Men zegt, dat er kwaad volk in de nabijheid is."
--"O, dat heeft geen nood," zei de praatgrage schoutendienaar. "Wij
gaan met zes dienaars mede, en dan heeft de schout nog om de
zes hellebaardiers van den abt van Sint Bertinus verzocht. Dat is
bedekking genoeg! En daarbij, niemand dan wij en die van het heilig
Officie weten, dat de ketters zullen worden overgebracht."
--"En gij zult het zeker niet verklappen, nietwaar?" zeide Jacob,
die nu wist, wat hij weten wilde en opstond. Hij betaalde zijn bier
en zijn brood en maakte zich gereed te vertrekken.
--"Pas goed op uwe gevangenen, Jurriaan Jaspersz," zeide hij, met
lichte spotternij den schoutendienaar groetend.
--"Uw zegen, eerwaarde pater!" vroeg de man.
--"Als gij mededoogen hebt met ongelukkigen en uw ziel rein houdt
van onreine gedachten, zal Gods zegen op u rusten,--eer niet!" was
het koele antwoord.
De schoutendienaar staarde den vermeenden Dominicaan verbluft na.
--"Dat is een strenge pater, die Witheer," mompelde hij. "Dien zou
ik niet graag voor biechtvader hebben. Dan is onze pastoor een heel
ander man."
Intusschen haastte Jacob zich, om Poperingen te verlaten. Hij had
er nog een oogenblik aan gedacht, om te trachten, toegang tot de
gevangenen te verkrijgen, en dit zou hem waarschijnlijk zonder moeite
zijn gelukt. Hij vreesde echter, dat de arme Mieke hem zou herkennen,
en, eer hij haar kon waarschuwen, door een onvoorzichtigen uitroep
alles zou verraden. Hij zag dus liever van zijn voornemen af en haastte
zich, de afgesproken plaats te bereiken, waar de Welle en Daniël hem
zouden wachten.