»Gedurende een der zittingen van de vergadering van den repu

+----------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |

| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |

| |

| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |

| _cursief_. Superscript tekst is weergegeven als {superscript}. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |

| accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie). |

| |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |

| e-boek op https://www.gutenberg.org/ |

| |

+----------------------------------------------------------------+

ABRAHAM LINCOLN

GESCHETST

IN ZIJN LEVEN EN DADEN.

[Decoratieve illustratie]

NAAR HET ENGELSCH

VAN

G. W. BACON

[Decoratieve illustratie]

AMSTERDAM,

JAN LEENDERTZ.

1865.

VOORWOORD.

Weinige jaren geleden werd er in geheel Europa bijna niemand gevonden,

die den naam kende van Abraham Lincoln. En nu—Abraham Lincoln is de

naam, die op aller lippen zweeft,—Abraham Lincoln is de naam, die in

het hart leeft van ieder, die eerbied heeft voor het goede en edele en

wien het diep smart, dat een waarlijk groot man aan de menschheid

ontrukt wordt.

Wij hebben deze levensgeschiedenis met hooge ingenomenheid in onze taal

overgebragt; wij hopen, dat onze arbeid niet zonder vrucht zij: dat hij

der jeugd aantoone tot welk eene hoogte men door trouw en ijver in

zijnen arbeid stijgen kan; en dat hij iederen burger opwekte tot liefde

voor het land, waar zijne vaderen ook eenmaal voor de vrijheid hebben

gestreden.

Mogt deze levensgeschiedenis eene geringe hulde zijn aan de persoon en

aan de daden van Abraham Lincoln!

HOOFDSTUK I.

De voorouders van Lincoln.—Zijne geboorte.—Zijne ouders.—Verandering

van woonplaats.—Dood zijner moeder.—Zijn leeslust.—Hij wordt

praamschipper.—Vertrek naar Illinois.—Hij staat bekend als „de brave

Bram”.—Hij neemt als vrijwilliger dienst.

Abraham Lincoln werd op den 12{den} Februarij 1809 in geringe

omstandigheden geboren, en wel in dat gedeelte van het graafschap

Hardin, in den staat Kentucky, hetwelk later met het graafschap Larue

vereenigd is. Even als dit met Jackson, Clay, Webster en anderen, wier

namen eene eervolle plaats in de geschiedrollen van Amerika beslaan,

het geval was, werd ook hij in zijne jeugd in den smeltkroes van armoede

en ontbering gelouterd—een smeltkroes, waaruit wij als schuim of als

goud te voorschijn komen. Thomas Lincoln, zijn vader, en Abraham, zijn

grootvader, waren geboren in het graafschap Rockingham, in den staat

Virginië, werwaarts hunne voorouders, die vroeger in het graafschap

Berks, in den staat Pensylvanië, woonden, verhuisd waren. Het is

moeijelijk om het spoor van zijn geslacht verder te volgen. De Lincolns

behoorden oorspronkelijk tot de Kwakers, maar schijnen zich naderhand

aan alle gemeenschap met die secte onttrokken te hebben. De grootvader

van den man, wiens levensgeschiedenis wij in dit werkje willen

mededeelen, Abraham genaamd, had vier broeders: Isaac, Jacob, John en

Thomas. Isaac zette zich met der woon neder op eene plaats digt bij de

grensscheiding van Virginië, Noord-Carolina en Tennessee, waar zijne

afstammelingen thans nog wonen. De nakomelingen van Jacob en John houden

zich nog in Virginië op. Thomas verhuisde naar de wildernissen van

Kentucky en stierf later in dien staat, waarop zijne afstammelingen

nog verder westwaarts, naar Missouri, trokken.

In het jaar 1780 begaf hun broeder Abraham zich met zijn gezin naar

Kentucky en zette zich neêr in eene streek lands te midden der eenzame

bosschen. Gewapend met het wachtwoord van den pionnier: »Hoop en noeste

arbeid”, vatte hij het voornemen op om voor zich eene geschikte en

blijvende woonplaats in te rigten te midden der wildernis, die alleen

door wilde dieren bewoond en door Indianen bezocht werd. De uitvoering

van dit plan ging met belangrijke persoonlijke gevaren gepaard, welke

nog grootelijks vermeerderd werden door de eenzaamheid der plaats, die

hij tot zijne woning gekozen had. Hij was nog niet lang op zijne nieuwe

woonplaats geweest, of hij moest reeds deelen in het lot, dat honderden

pionniers in die dagen getroffen heeft. Een bloeddorstige wilde

vermoordde hem, terwijl hij op eenigen afstand van zijne hut aan het

werk was, en zijn gescalpeerd lijk werd den volgenden morgen door zijn

diepbedroefd gezin gevonden.

Dat was een zwaar verlies voor zijne weduwe, die nu met hare drie zonen

en twee dochters alleen in de wildernis achter moest blijven. Armoede

noodzaakte het gezin om uit elkander te gaan, en alle kinderen, behalve

Thomas, namen afscheid van hunne zwaarbeproefde moeder, om ergens

anders een goed heenkomen te zoeken. De tweede zoon verhuisde naar

Indiana en de overige naar andere gedeelten van Kentucky. Thomas, de

jongste zoon, was ten gevolge van de behoeftige omstandigheden, waarin

zijne moeder verkeerde, van der jeugd af een zwervende knaap en groeide

zonder opvoeding op. Hij had het in het schrijven zoo ver gebragt, dat

hij zijn naam kon zetten. In het jaar 1806, in zijn acht en twintigste

jaar, kwam hij eindelijk in Kentucky terug en trouwde met Nancy Hanks,

de moeder van het onderwerp dezer levensbeschrijving. Thomas Lincoln en

zijne vrouw waren eenvoudige lieden; zij behoorden tot de Baptisten en

hadden beiden het voorregt eener goede opvoeding moeten missen. Nogtans

wist Thomas de waarde van eene betere opvoeding, dan die hij zelf

genoten had, op prijs te stellen, en was niet ontbloot van dien eerbied,

welke uit de erkentenis van de meerdere verstandelijke begaafdheden

van anderen voortspruit. Hij was bovendien een arbeidzaam, opgeruimd,

goedhartig man. Zijne vrouw bezat een goed oordeel, een gezond verstand

en eene kinderlijke vroomheid, en was bovendien eene uitstekende hulp

voor een boschbewoner van Thomas Lincoln's stempel, en eene moeder, wier

vroomheid en liefde een grooten invloed op het lot harer kinderen moeten

uitgeoefend hebben. Te regt zegt de dichter:

„Al kiest gij zelf uw levenslot,

Één is er, die 't bestuurt:—'t is God.”

Maar hoe die God zich daartoe van het hart en de hand eener moeder

bedient, is in het leven van iederen mensch duidelijk. Van de wijze,

waarop eene moeder hare kinderen opvoedt, is hun geheel volgend

levenslot vaak afhankelijk.

Drie kinderen waren de vrucht van dit huwelijk—eene dochter, een

zoon, die reeds vroeg stierf, en Abraham. De zuster van Abraham, die

ouder was dan hij, bereikte den volwassen leeftijd en trouwde, maar

is sedert lang zonder kinderen gestorven, zoodat het onderwerp dezer

levensbeschrijving bij zijn dood broeder noch zuster meer had.

Tegelijk met zijne zuster werd Abraham eerst naar school gezonden,

toen hij den leeftijd van zeven jaren bereikt had. Maar deze weg tot

het verkrijgen van kennis moest door den jongen Lincoln reeds verlaten

worden, toen hij er nog maar weinige schreden op gedaan had, daar zijn

vader kort daarop naar een anderen staat verhuisde. Thomas Lincoln

schijnt tot deze verandering van woonplaats bewogen te zijn door een

onverbiddelijken afkeer van de slavernij, welke gruwel hem reeds vroeg

tegen de borst stuitte, ofschoon hij zelf door geboorte en afkomst

tot het Zuiden behoorde. Eene vroege bekendheid met de onheilen,

waarmede de klasse van menschen, waartoe hij behoorde, door den

invloed van die »eigenaardige instelling” bedreigd werd, gepaard aan

eene onafhankelijkheid van geest, die zich verzette tegen de diepe

vernederingen, welke hij als een »arme blanke” zou moeten ondergaan,

als hij daar bleef, waar de slavernij in al hare strengheid gehandhaafd

werd, dreven hem telkens meer noordwaarts, totdat hij eindelijk in den

herfst van 1816 een kooper voor zijne pachthoeve vond en uit den staat

Kentucky, waar de slavernij toen nog heerschte, naar het woeste en

onbebouwde, maar vrije Indiana verhuisde. Hij werd daarbij vergezeld

door zijne vrouw, zijne dochter en zijn zoon, welke laatste nu zeven en

een half jaar oud was. Het oord, waarin de rondzwervende pionnier zich

nu wilde vestigen, was in het graafschap Spencer, in den staat Indiana.

Zoodra de koop gesloten was, begaf Thomas Lincoln zich alleen naar

Indiana, ten einde aldaar eene plaats voor eene nieuwe woning uit te

kiezen om er dan later zijn gezin heen te brengen. Daar hij eenige

kennis van het timmeren had, vervaardigde hij eene praam om daarmede

de weinige meubelen, die hij bezat, naar den noordelijken oever van de

rivier den Ohio over te brengen. De kleine Bram was hem daarbij zoo veel

mogelijk behulpzaam. De praam was spoedig gereed; en de pionnier riep

nog een laatst vaarwel toe aan zijn Abraham, die op den oever naar hem

stond te kijken, en was spoedig uit het gezigt verdwenen. Hij stapte

aan wal bij Thompson's Veerhuis, welke plaats het digtst bij de plek

lag, waar hij zich met der woon dacht te vestigen. Het district, waarin

hij zijne hut wilde bouwen, werd nog slechts door weinige kolonisten

bewoond, en het was uiterst moeijelijk om er te komen. Het werd

eindelijk zoo erg, dat hij genoodzaakt was om zich door het digtste

der bosschen een pad te banen door middel van het omhakken der boomen.

Het kostte dan ook verscheidene dagen om een afstand van vijf uren gaans

af te leggen. Thomas Lincoln plagt in lateren tijd wel eens te zeggen,

dat die reis van Thompson's Veerhuis naar het graafschap Spencer de

moeijelijkste taak van zijn moeijelijk leven geweest was.

Nadat de pionnier eene plaats voor zijne nieuwe woning uitgekozen

had, keerde hij te voet naar Kentucky terug, terwijl hij de zorg voor

zijne goederen aan een zijner nieuwe buren in Indiana opdroeg. De

toebereidselen om zijn gezin daarheen over te brengen waren spoedig

voltooid, en de landverhuizers ondernamen hunne reis, op drie paarden

gezeten, Mrs. Lincoln en hare dochter op het eene, Abraham op het

andere, en het hoofd des gezins op het derde.

Na eene vervelende reis van zeven dagen door streken, die bijna nog niet

bewoond waren, terwijl de aarde hun des nachts voor bed, de hemel voor

dak moest dienen, kwamen zij eindelijk op de plaats hunner bestemming

aan. Een bijl werd den jongen in handen gegeven, een buurman hielp

ook, en binnen weinige dagen was er eene opene ruimte gemaakt, groot

genoeg om daarop eene hut te bouwen. Al spoedig was er ook door de

onvermoeide werkzaamheid van Thomas Lincoln eene woning opgerigt, die

eene oppervlakte van omstreeks achttien vierkante voeten had. Deze was

zamengesteld uit boomstammen, die op de gebruikelijke wijze aan elkander

verbonden waren, namelijk door middel van kepen, terwijl de reten, die

er nog overgebleven waren, met takken en aarde aangevuld waren. Daarop

werden er een bed, een tafel en vier stoelen van ruwe planken gemaakt,

en zoo was dan de nederige woning gereed om hare bewoners te ontvangen.

De hut bestond uit slechts één vertrek, ofschoon de planken, die op

de ruwe dwarsbalken gelegd waren, een soort van zolder vormden. Op

dezen zolder, welke tot slaapsalet voor Abraham bestemd was, kon men

alleen door middel van een ladder komen. Wij twijfelen echter, of

een verkwikkender slaap of een aangenamer rust dan de toekomstige

President der Vereenigde Staten in deze nederige woning smaakte, na die

vermoeijende dagen, waarop hij zich met houthakken bezig gehouden had,

ooit aan het meest vertroetelde kind der weelde ten deel gevallen is.

Ofschoon Abraham gedurende den winter ijverig bezig was met houthakken,

en het overige van zijn tijd aan oefeningen in het lezen toewijdde, was

hij tevens genoodzaakt om met de buks te leeren omgaan en maakte al

spoedig groote vorderingen in het gebruik van dit gewigtig vereischte

tot het jagersbedrijf. Het werd als eene zaak van belang beschouwd, dat

jongens reeds vroeg met juistheid leerden schieten; en een knaap, die

eene aangeborene bedrevenheid had in het hanteren van de buks werd door

de kolonisten uit den omtrek als een »ontluikend genie” beschouwd.

Bedrevenheid in de behandeling van vuurwapenen werd des te meer op

prijs gesteld, omdat men door middel daarvan niet alleen wild tot

spijze, maar ook huiden van verscheidene dieren, die zeer gezocht waren,

kon bemagtigen. Deze vroege oefening in het gebruik van de buks heeft

veel bijgedragen tot de ontwikkeling van die ligchaamskracht en die

gespierdheid, waardoor Abraham Lincoln zich in lateren tijd gekenmerkt

heeft.

In den herfst van het jaar 1818 had Abraham, die nu bijna tien jaren

oud was, het ongeluk om zijne voortreffelijke moeder te verliezen. Dat

zij eene waarlijk edele vrouw geweest is, daarvan strekt het latere

leven van haren zoon tot een voldoend bewijs. Aan haar had hij dien

diepen en innigen eerbied voor het heilige, dat kinderlijk vertrouwen

op de Voorzienigheid en dat vaste geloof in de eindelijke zegepraal

der waarheid te danken. Van haar had hij die vriendelijkheid en

beminnelijkheid van karakter, welke hij op den hoogen post, door hem

bekleed, zoo treffend aan den dag gelegd heeft. Van haar had hij dien

opgeruimden geest en die zucht om anderen gelukkig te zien, welke later

zulk een kenmerkenden trek in zijn karakter uitmaakten. Ofschoon zij ook

geen kennis van boeken had, was zij toch rijk in ondervinding en in

gaven des harten. Abraham Lincoln heeft haar verlies altijd betreurd en

sprak in latere jaren nooit anders dan met den diepsten eerbied over

haar.

Een jaar na den dood van zijne vrouw trad Thomas Lincoln andermaal in

het huwelijk met eene zekere Sally Johnston, eene weduwe met drie

kinderen.

Abraham had het vóór den dood zijner moeder zoo ver gebragt, dat hij

kon lezen, en men zal zich wel kunnen voorstellen, dat hij de kennis,

door hem opgedaan, zou onderhouden. Van het oogenblik af, waarop hij de

eerste beginselen achter den rug had, werd hij een eerste liefhebber

van boeken, voor zooverre hij er ten minste in handen kon krijgen, en

verwierf zich onder de kolonisten uit den omtrek al spoedig naam door

zijne bekwaamheid en zijn ijver in het leeren. Tot voortzetting zijner

oefeningen werd onze jonge pionnier, toen hij omstreeks twaalf tot

dertien jaren oud was, andermaal ter school gezonden. Al vroeger had hij

leeren schrijven, welke kunst hij zich hoofdzakelijk eigen maakte door

met een stuk krijt of houtskool op hout te schrijven. In zijne nieuwe

school breidde zijne kennis zich verbazend uit, en al spoedig wist hij

al wat zijn meester hem van de rekenkunde kon leeren. Mr. Lincoln zeide,

dat hij echter met alles en alles niet langer dan een jaar op school

geweest was. Hij heeft nooit de lessen aan een gymnasium of aan eene

academie bijgewoond, en zelfs het inwendige van een gymnasium of

academie niet gezien, voordat hij een graad in de regtsgeleerdheid

verkregen had. Wat hij aan opvoeding bezat, had hij door middel van

onvermoeiden arbeid, zonder de hulp van anderen, verkregen. Hij was vrij

wat trotsch op hetgeen hij al wist, en zijn prijzenswaardige ijver deed

hem de achting zijner onderwijzers verkrijgen. Hij was vlugger in het

leeren dan de meeste jongens en bezat een stalen geheugen. Boeken waren

zijne grootste liefhebberij, en het aanschaffen van een genoegzaam getal

daarvan was iets, dat hem het meest bezig hield. Zijn vader deed wat hij

kon om ze hem te verschaffen, en wanneer hij van het een of ander boek

hoorde, dat hem verkieselijk voorkwam of waar Abraham hem om vroeg, deed

hij altijd zijn best om dit voor zijn zoon te krijgen.

Op deze wijze werd hij bekend met »De Pelgrimsreis” van Bunyan, de

»Fabelen” van Aesopus, een »Leven van Henry Clay,” en het »Leven van

Washington” door Weems. De levensgeschiedenis van Washington, die meer

gedaan heeft om jongens tot het goede te bewegen dan honderd ernstige

vermaningen, maakte een diepen indruk op Abraham, en was een van die

onmerkbare invloeden, die er toe bijdroegen om zijn karakter tot

eerlijkheid en regtschapenheid te vormen. De uitwerking daarvan blijkt

onder anderen uit het volgende verhaal, dat bestemd is om voortaan een

onafscheidelijk bestanddeel van een »Leven van Lincoln” uit te maken.

»Mr. Crawford had hem een exemplaar van het »Leven van Washington”

geleend. Op zekeren avond had hij het, naar hij meende, op eene veilige

plaats neêrgelegd, maar den volgenden morgen vond hij het met water

doorweekt liggen. Het had in zijne woning ingeregend, de regen was juist

op het boek neêrgekomen, en het boek was dus bedorven. Hoe kon hij den

eigenaar daarvan onder zulke omstandigheden onder de oogen komen? Hij

had geen geld om hem het boek te vergoeden, en ging dus regelregt naar

Mr. Crawford, liet hem het beschadigde werk zien en bood aan om voor hem

te werken, totdat hij zoo veel verdiend had als de waarde van het boek

bedroeg. Mr. Crawford nam dit aanbod aan en gaf aan Abraham het boek

voor drie dagen van onvermoeiden arbeid in eigendom. Zijne vastheid van

karakter en zijne openhartigheid deden hem de achting van de Crawfords

verkrijgen, ja, van iedereen, die hem kende.”

Een andere eigenaardige trek in zijn karakter moet zich, naar men

zegt, reeds geopenbaard hebben, toen hij nog op school ging. Onder

zijne schoolmakkers was hij altijd een vredestichter. Hij legde hunne

geschillen bij, trad bij de hevigste twisten als bemiddelaar op, en bij

meer dan eene gelegenheid moet hij zich tusschen een paar vechtende

jongens geworpen en den vrede hersteld hebben met gevaar van zijn eigene

veiligheid. Zeker is het, dat hij dezen karaktertrek later altijd

behouden en op eene schitterende wijze ten toon gespreid heeft. Niet het

minst merkwaardige voorbeeld leverden zijne langdurige, geduldige en

ijverige pogingen tot verzoening bij de uitbarsting van den strijd met

de Zuidelijke Staten der Unie. De geschiedenis zal er getuigenis van

afleggen, dat hij om den vrede te bewaren en de opgewondenheid van de

voorstanders der slavernij te bedaren zoo ver gegaan is als hij slechts

gaan kon, overeenkomstig zijn eed om de constitutie te ondersteunen en

te handhaven en de wetten te doen gelden.

Toen Abraham Lincoln den regel van drieën kende, was zijn schooltijd om,

en zelfs moeijelijker dagen van ligchamelijke inspanning dan die, welke

hij tot dusverre doorleefd had, waren voor hem weggelegd.

Sedert den tijd, waarop hij de school verliet, tot op dien, waarop

hij zijn negentiende jaar bereikte, was hij onophoudelijk bezig met

het moeijelijke werk van een bewoner der bosschen van het Westen van

Amerika, het omhakken van boomen, het kloven van stammen, en dergelijke

dingen, terwijl hij gedurende den avond de weinige uren, die er tot aan

bedtijd verliepen, aan het lezen van al die boeken, welke hij maar wist

te krijgen, besteedde.

Toen Abraham twintig jaren oud was, werd hij aangesteld om, tegen een

loon van tien dollars in de maand, naar New-Orleans te gaan met een

praam, beladen met goederen, welke op de plantages langs de rivier de

Mississippi moesten verkocht worden.

In die dagen waren praamschuiten en vrachtschepen op de groote

waterstroomen van het Westen en Zuid-Westen bijna de eenige middelen

tot vervoer van goederen te water, want de stoombooten waren nog in de

eerste beginselen. De schippers, die gebruikt werden om deze groote

waterwegen langs te varen, waren een onversaagd, gehard, gespierd soort

van menschen, aan velerlei gevaren blootgesteld, en bijna weerloos bij

alle verschijnselen van klimaat en water. Met geen ander bed dan het dek

van hunne schuiten en geene andere bedekking dan een deken, bragten zij

maanden en jaren van hun leven door. Zulke schuiten waren met de rijke

ladingen, die de Mississippi afzakten, bevracht. Alleen met behulp van

eigen krachten waren zij genoodzaakt om een afstand van meer dan vijf

honderd uren gaans tegen den stroom op te werken; dat was een werk, dat

natuurlijk geduchte spierkracht en ongehoorde inspanning vereischte.

Daarom werd er voor deze scheepvaart dan ook een soort van menschen

vereischt van ongewonen moed, en alleen trotsch op hunne bekwaamheid om

stormen te trotseren en ontberingen uit te staan. De jonge Lincoln was

te dien tijde bijzonder geschikt voor de moeijelijke taak, waarmede hij

zich voor een zekeren tijd wel wilde belasten. De natuur had hem bedeeld

met een krachtig ligchaam, een vlug begrip en een juist oordeel,—allen

eigenschappen, die bij eene reis met eene praam uitstekend goed te pas

konden komen.

In gezelschap van een ander (den zoon van dengene, voor wien hij

voer) ondernam de jonge Lincoln de reis. Het tooneel langs den oever

veranderde gedurig, als een beweegbaar panorama, en zij kwamen dikwijls

andere barken voorbij met eene talrijke en vrolijke bemanning, en

wisselden eenige woorden met de menschen uit de naburige dorpen en

plantages, die zich nu en dan op den oever der rivier vertoonden. Op

hunne reis werden zij door een zevental negers aangevallen, zoodat hun

leven en de hun toevertrouwde goederen in groot gevaar verkeerden; maar

daar zij een goed gebruik wisten te maken van de spierkracht, die zij

bezaten, gelukte het hun om de aanvallers af te slaan en hunne schuit

goed en wel midden in den stroom te brengen. De uitslag van de reis was

zeer naar den zin van den eigenaar der goederen, en Abraham Lincoln

kreeg behalve zijne tien dollars in de maand, een naam als iemand, die

veel aanleg voor den handel bezat.

De telkens rondzwervende Thomas Lincoln had ook nu weder het plan

opgevat om zijne hut te verlaten en met eene nieuwe woning te

verwisselen; want de fabelachtige verhalen van de bekoorlijke en

vruchtbare landouwen van Illinois begonnen zich ook in de meer

oostelijk gelegene staten te verspreiden. Dien ten gevolge vaardigde

hij Dennis Hanks, een bloedverwant van zijne eerste vrouw, af om naar

Illinois te vertrekken en hem verslag te geven van de werkelijke

voordeelen, welke een verblijf in dezen staat aanbood, en zijne

meening mede te deelen omtrent de wenschelijkheid van eene verandering

van woonplaats. De verkenningstogt werd behoorlijk volbragt, en het

verslag, dat de zaakgelastigde daarvan gaf, beantwoordde volkomen aan

hetgeen door anderen medegedeeld was. Aanstonds werd er dan ook tot de

voorgenomene reis besloten. Het was niet veel meer dan twee jaren na de

reis met de praamschuit, en Abraham Lincoln was nog pas meerderjarig (21

jaren) geworden, toen Thomas Lincoln, in gezelschap van zijn gezin en de

gezinnen van de beide dochters en schoonzoons van zijne tweede vrouw,

zijne woning in Indiana verliet om naar de vruchtbare prairiën van

Illinois te trekken. Zij gingen er op wagens met ossen heen, en de

overtogt duurde ditmaal vijftien dagen.

Toen zij het graafschap Macon bereikt hadden, hielden zij eenigen tijd

halt, en nog in den loop derzelfde maand (Maart) vestigde de familie van

Lincoln zich op den noordelijken oever van de rivier de Sangamon, en wel

op eene plaats, omstreeks drie uren westwaarts van Decatur gelegen. Zij

bouwden aldaar eene houten hut, waarin de familie ging wonen. De daarop

volgende verbetering was een houten hek, lang genoeg om er tien acres

land mede te omgeven, waarbij de jonge Lincoln hielp in het kloven der

boomstammen,—dezelfde boomstammen, die later aanleiding gegeven hebben

tot scherts, liedjes en vertelseltjes. Daaromtrent wordt het volgende

voorval verhaald:

»Gedurende een der zittingen van de vergadering van den republikeinschen

staat te Decatur, werd er eene banier, aan twee zulke ruwe staken

vastgehecht en van een gepast opschrift voorzien, in de vergaderzaal

gebragt en met alle deftigheid aan dat staatsligchaam aangeboden, te

midden van een tooneel van onbeschrijfelijke geestdrift. Kort daarop

raakten dergelijke banieren in iederen staat der Unie, waarin de vrije

arbeid in eere gehouden werd, zeer in trek. Zij werden daar bij optogten

van het volk gedragen en door honderd duizenden vrije lieden als een

zinnebeeld van de zegepraal en als een roemvolle verdediging der

vrijheid en der regten van den vrijen arbeid begroet.”

Een hevige aanval van koorts trof de nieuwe kolonisten vóór het

einde van den eersten herfst na hun verblijf in Illinois. Door die

omstandigheid werden zij geducht ontmoedigd en besloten om eene

gezondere woonplaats te kiezen. Zij bleven echter gedurende den winter,

het saizoen van de »dikke sneeuw” van Illinois, in dien staat wonen.

Langer dan drie weken lag de sneeuw drie voet hoog en was het weder

ontzettend koud. Dit sleepte voor menschen zoowel als voor beesten

schadelijke gevolgen na zich, daar niemand volkomen gewapend was op

zulk eene koude weersgesteldheid. Onze pionniers waren gelukkig, daar

zij eene genoegzame hoeveelheid graan bezaten, doch zij hadden eene

onvoldoende hoeveelheid vleesch in voorraad, en de hoogliggende sneeuw

was een beletsel om veel gebruik van hunne buksen te maken. Abraham

echter was bereid om zich allerlei opofferingen te getroosten, ten einde

in de behoeften der huishouding te voorzien. Door zijne onvermoeide

pogingen gelukte het hem om genoeg wild te schieten tot voedsel voor

het gezin, ofschoon hij geen bijzonder goed jager was, daar zijne

liefhebberij voor boeken al spoedig den lust en de geestdrift had doen

bekoelen, waarmede hij de buks voor het eerst ter hand genomen had.

»Wij gingen zelden met elkander jagen,” schrijft een van zijne vroegere

kameraden daaromtrent. »Bram stond niet als een goed jager bekend, daar

de tijd, door anderen aan het jagtvermaak besteed, door hem aan het

lezen van een of ander goed boek gewijd werd.”

In dienzelfden winter deed hij een tweeden togt met eene praamschuit

naar New-Orleans. Gedurende den tijd, waarop deze reis plaats had,

vatte Offult, zijn lastgever, genegenheid voor den jongen Lincoln op en

sloot met hem eene overeenkomst tot het houden van het toezigt op een

winkel en een molen te New-Salem in Illinois. Na zijne terugkomst van

New-Orleans begaf Lincoln zich, overeenkomstig dit nieuwe kontrakt, naar

New-Salem. Dit geschiedde in Julij 1831. Hier kreeg hij al spoedig

verscheidene kennissen en vrienden en verwierf zich de achting van

allen, met welke hij zaken had, terwijl hij in het gezellige leven nog

meer bemind werd door zijne kennissen en algemeen bekend werd onder den

naam van »den braven Bram”.

Bij de uitbarsting van den oorlog tegen de Zwarte Valken in 1832, nam

hij dienst bij een compagnie vrijwilligers en werd tot zijne groote

verwondering tot kapitein daarvan gekozen. Hij heeft dikwijls gezegd,

dat hem nooit in zijn leven iets te beurt gevallen is, dat hem zoo veel

zelfvoldoening gaf. De compagnie van den jongen Lincoln rukte kort

daarop naar Beardstown op, van waar zij binnen weinige dagen ontboden

werd naar de plaats, waar men verwachtte, dat de strijd zou geleverd

worden. Doch voordat de tijd van dienstneming verstreken was, was de

twist reeds bijgelegd en keerde hij naar New-Salem terug, zonder den

vijand gezien te hebben. Men zegt, dat hij bij het leger algemeen bemind

werd als een officier, die zijn gezag steeds wist te doen gelden, en als

een soldaat, die door dapperheid uitblonk, het gevaar verachtte en

vermoeienissen wist te verduren.

HOOFDSTUK II.

Lincoln wordt tot kandidaat voor de wetgevende vergadering benoemd.—Hij

wordt winkelier en postmeester, later landmeter.—Zijne regtsgeleerde

studiën.—Op het Congres.—De strijd over de verkiezingen in

1854.—Een belangrijk verschil in den Senaat.—Bezoek aan Kansas en

New-York.—Redevoering in het Cooper-Instituut.—Een merkwaardig

voorval.

Na de terugkomst van Lincoln uit het leger verwonderde het hem niet

weinig, toen hij vernam, dat er een voorstel van zijne vrienden en

bewonderaars uitgegaan was om hem tot lid van de wetgevende vergadering

te benoemen. Ofschoon hij nog maar negen maanden in het graafschap

gewoond had, wilde men een schrander man, een tweeden Henry Clay, op het

stembiljet zetten, en hij werd een kandidaat geacht, die wel zou slagen.

De keus viel voornamelijk op hem om de volgende reden. De generaal

Jackson had in het vorige jaar bij de verkiezingen in het graafschap

eene groote meerderheid van stemmen verkregen, en men verwachtte nu, dat

de populariteit, die Lincoln zich verworven had, een voldoende waarborg

zou zijn, dat hij wel zou slagen. De stemming over een kandidaat viel

uit, zoo als men verwacht had. Het moet een oogenblik van regtmatigen

trots geweest zijn voor den jongen man, die nog pas uit de bosschen

gekomen was, toen hij zijn behoeftig leven, in ligchaamsarbeid

doorgebragt, kon vergelijken met den toestand, waarin hij zich thans

bevond, nu hij waardig geacht werd om zitting in den raad te nemen naast

de staatslieden van zijn nieuwen staat, die gedurig in aanzien toenam.

Hij nam de aangebodene kandidatuur aan met de dankbaarheid en geestdrift

der jeugd. De uitslag der stemming viel echter niet gunstig voor hem

uit; er werden te New-Salem slechts twee honderd zeven en zeventig

stemmen op hem uitgebragt, en dit was niet te verwonderen, daar het

getal kandidaten voor het lidmaatschap van de wetgevende vergadering in

het geheel acht bedroeg. Dit was de eenige maal, dat Lincoln bij eene

dergelijke gelegenheid de nederlaag geleden heeft.

Veranderlijkheid en ondernemingsgeest zijn eigenaardige karaktertrekken

van de bewoners van het verre Westen. Ook aan Lincoln waren zij niet

geheel vreemd, en zoo vinden wij hem dan omstreeks dezen tijd als

winkelier en als dorps-postmeester werkzaam. Hij deed krachtige pogingen

om in zijn nieuw bedrijf vooruit te komen, doch gebrek aan kapitaal

noodzaakte hem eindelijk om den handelsstand te verlaten en een nieuw

arbeidsveld te zoeken.

Niet in 't minst afgeschrikt door zijn tegenspoed, wendde hij vervolgens

pogingen aan om zich de kennis der regtsgeleerdheid te verwerven. Te

dien einde leende hij eenige boeken van een vriend, en maakte zich

vertrouwd met de beginselen van het vak, waarin hij later met zoo veel

roem werkzaam geweest is.

Ondertusschen verwaarloosde hij ook zijne overige studiën niet. Hij

oefende zich ijverig in de spraakkunst, terwijl hij al meer en meer

gelegenheid kreeg om zijne lectuur uit te breiden, dan tot dusverre het

geval geweest was. Het was zijne gewoonte om uittreksels te maken van

ieder boek, dat hij las,—eene gewoonte, die strekte om hem het gelezene

des te dieper in het hoofd te doen prenten, alsook om hem vaardigheid in

het stellen te geven.

Hij had het nog niet zeer ver in de studie der regtsgeleerdheid gebragt,

toen hij in kennis kwam met John Calhoun, later president van de

Wetgevende Vergadering van Lecompton (Kansas), die hem het voorstel deed

om zich toe te leggen op het landmeten. Lincoln nam dit voorstel aan en

maakte terstond een begin met het beoefenen dezer wetenschap, zoowel

in de theorie als in de praktijk. Hij ging met Mr. Calhoun dikwijls

opmetingen in den omtrek doen en vestigde zich al spoedig als landmeter.

Hierin was het geluk hem meer dienstig dan tot dusverre het geval

geweest was. Hij wijdde zich aan zijn vak met zijn gewonen ijver en

zijne gewone standvastigheid, en kreeg spoedig overvloed van werk. Hij

maakte zelfs naam in zijn vak, maar beoefende dit niet veel langer dan

een jaar.

Na verloop van dien tijd, in Augustus 1834—twee jaren, nadat Lincoln

voor het eerst kandidaat voor de Wetgevende Vergadering gesteld was,

en toen hij nog pas den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt

had—werd hij andermaal tot kandidaat voor de Wetgevende Vergadering van

Illinois benoemd. Het vooruitzigt op de zegepraal was nu veel zekerder

dan vroeger, want Abraham Lincoln was een zeer populair man geworden.

Hij was de eerste geweest om dienst te nemen, de laatste om de dienst te

verlaten, zoodat men hem beschouwde als iemand, die zich als militair

onderscheiden had. Hij was een uitstekend landmeter, een vrij goed

regtsgeleerde, in één woord, een man in zijn opkomst, in den westerschen

zin des woords. Wat meer zegt, hij was algemeen geacht om zijn gezond

verstand, zijne grootheid van ziel en zijne onberispelijkheid van

wandel.

De hoop op een voor Lincoln gunstigen uitslag der stemming werd thans

niet teleurgesteld. De dag der verkiezing kwam; er werd een groot aantal

stemmen uitgebragt en Lincoln met eene groote meerderheid verkozen.

Op deze wijze begon het politieke leven van den nederigen en edelen man,

die eindelijk den hoogsten eerepost kreeg, welke het Amerikaansche volk

kan begeven. Ten gevolge van zijne verkiezing nam hij zitting in de

Wetgevende Vergadering van Illinois.

Gedurende de eerste zitting nam hij het besluit om de studie der

regtsgeleerdheid voort te zetten. In deze vergadering maakte hij kennis

met zijn ambtgenoot, John T. Stuart. Hij werd driemalen als lid van de

Wetgevende Vergadering herkozen, namelijk in 1836, in 1838 en in 1840.

Wij behoeven wel niet te zeggen, dat hij zich met ijver van de hem

opgedragene taak kweet. Dat hij met een gunstigen uitslag werkte voor

de belangen van hen, die hem verkozen hadden, is zeker. De scherpziende

en praktische mannen, die gewoonlijk de »eerste kolonisten” van eene

landstreek uitmaken, waren er geen menschen naar om zich door den schijn

te laten misleiden; zij beoordeelden den boom naar zijne vruchten, en

dat Lincoln zoo dikwijls herkozen is, mag wel als een bewijs aangemerkt

worden, dat hij trouw is gebleven aan zijn ijver en braafheid. Het was

gedurende de uitoefening der pligten, aan zijn ambt verbonden, dat hij

voor het eerst in kennis kwam met Steven A. Douglas. Weinig konden de

beide mannen toen gissen, in welke betrekking zij binnen kort tot

elkander en tot hun land zouden staan. Douglas was, even als Lincoln,

zelf de bewerker van zijne fortuin. De staat Illinois ontving hen

beiden in een nederigen stand, en deed hun, als eene welverdiende eer,

eene loopbaan van staatkundigen roem intreden, welke nooit uit de

historiebladen van Amerika zal uitgewischt worden.

Lincoln verkreeg in 1836 een regtsgeleerden graad, begaf zich in April

1837 naar Springfield, en begon de regtsgeleerde praktijk in vereeniging

met Mr. Stuart.

Wij willen eene enkele bijzonderheid uit zijn leven als advokaat

mededeelen. Er was een moord gepleegd. Een jong man, Armstrong genaamd,

de zoon van hoogbejaarde ouders, waarvoor Abraham Lincoln vele jaren

geleden gewerkt had, werd van het plegen dier misdaad beschuldigd. Hij

werd in hechtenis genomen en verhoord: er werd een duchtig bewijs tegen

hem gevonden, en hij werd naar de gevangenis overgebragt om daar zijn

verhoor af te wachten. Zoodra Mr. Lincoln met de zaak bekend werd,

rigtte hij een vriendelijken brief aan Mrs. Armstrong, waarin hij zijne

vrees te kennen gaf, dat haar zoon een scherp verhoor zou moeten

doorstaan, en waarin hij tot eene vergelding voor de welwillendheid, hem

bewezen, toen hij in armoedige omstandigheden verkeerde, zijne diensten

om niet aanbood. Een naauwkeurig onderzoek deed den advokaat tot de

overtuiging komen, dat de jonge man het slagtoffer eener zamenzwering

was, en hij besloot om de behandeling der zaak te vertragen, totdat de

eerste opgewondenheid wat bedaard zou zijn. De dag van het verhoor kwam

echter eindelijk en de beschuldiger getuigde bepaald, dat hij den

beschuldigde het mes in het hart van den vermoorden man had zien steken.

Hij kon zich al de bijzonderheden nog best herinneren: de moord was

des avonds omstreeks half tien gepleegd, en de maan scheen helder.

Lincoln beoordeelde al de verklaringen der getuigen met de meeste

naauwkeurigheid, en bewees eindelijk, dat de maan, die volgens den

beschuldiger toen helder geschenen had, eerst een uur nadat de moord

gepleegd was opkwam. Andere tegenstrijdigheden werden door hem

aangewezen, en binnen een half uur nadat de leden der jury de regtszaal

verlaten hadden, keerden zij terug en deden de uitspraak: »niet

schuldig.”

De gevangene en zijne moeder hadden het vonnis in angstige spanning

afgewacht. Niet zoodra waren de gewigtige woorden »niet schuldig” van de

lippen van den voorzitter gekomen, of de moeder viel in de armen van

haren zoon in onmagt. Hij drukte haar aan zijn hart en trachtte haar tot

bewustzijn terug te brengen.

»Waar is Mr. Lincoln?” riep hij uit, snelde daarop de zaal door en greep

zijn bevrijder bij de hand met een hart, te vol om zich in woorden te

kunnen ontlasten.

Het was de tijd van het ondergaan der zon, en zij bevonden zich bij een

raam, dat op het westen uitzag. Lincoln liet zich de warme dankbetuiging

van den gevangene welgevallen, en wierp toen een blik door het raam naar

den westelijken gezigteinder, die door de zon verguld werd.

»De zon is nog niet ondergegaan,” zeide hij op een deelnemenden toon,

»en gij zijt vrij.”

Lincoln bleef voorspoedig en wijdde de volgende zes jaren aan de studie

der regtsgeleerdheid en aan de verdediging van beschuldigden toe.

Ieder nieuw geval scheen den roem van zijne regtsgeleerde bekwaamheid

nog te doen toenemen. Verscheidene van zijne collega's aan de balie te

Springfield waren merkwaardige mannen. Daaromtrent zegt een schrijver,

die goed bekend is met de personen en de omstandigheden van die

verzameling van groote en bijzondere mannen, die de hoofdstad van

Illinois tot het strijdperk voor hunne verschillen maakten:

»Het zou moeijelijk vallen om in eenige stad van het Westen van

Amerika op het tijdstip, waarvan ik gesproken heb, eene verzameling

van mannen te vinden, met gelijke bekwaamheden bedeeld als die,

welke te Springfield te zamen pleitten, en twistten en voor de

verkiezingen wedijverden. Logan, een van de schitterendste typen van

een regtsgeleerde, die het Westen ooit opgeleverd heeft; M' Dougal,

die later El Dorado gezocht heeft; Bissell en Shields en Baker,

wapenbroeders en ambtgenooten in den raad, de bloem van het Westen en

de schitterendste toonbeelden van westersche welsprekendheid; Trumbull,

toen en ook nu nog met een kalmen en schranderen geest bedeeld;

Douglas, een man met een vurig gemoed, een groote geestkracht, een

onvergelijkelijken moed en eene onverzadelijke eerzucht; Lincoln, toen,

even als later, bedachtzaam en eerlijk en braaf, zich bewust van zijne

groote bekwaamheden en reeds de zegepraal vooruitziende van de

beginselen, die hij voorstond.”

Inderdaad, dat mogt wel eene vereeniging heeten van groote mannen,

waarvan ieder bestemd was om eene voorname rol in de geschiedenis van

zijn land te spelen.

De belangstelling, die Lincoln in de politieke gebeurtenissen van den

dag toonde, alsmede zijne steeds toenemende overtuiging van het gewigt

daarvan niet alleen voor den staat, waarin hij woonde, maar voor het

geheele land, dreven hem al spoedig in den maalstroom der politiek.

Gedurende den hevigen strijd, die er in 1844 over de verkiezing van een

President gevoerd werd, wist hij den staat Illinois voor zijne belangen

te winnen. Zijne bewondering van Henry Clay, waarvan hij reeds vroeg

doordrongen was, oefende gedurende zijn later leven geen geringen

invloed op hem uit.

Zijn afkeer van de slavernij—voor welker afschaffing hij eens zulk

een ijverig voorvechter zou worden—openbaarde zich reeds in het jaar

1837. De leden der Wetgevende Vergadering van Illinois hadden, even als

die der meeste nieuwere Westelijke staten, geene gelegenheid laten

voorbijgaan om hunne »Zuidelijke broeders” te bevredigen door het nemen

van besluiten ten gunste van de slavernij en het geven van andere

bewijzen van sympathie. Doch in het zittingsjaar 1837, toen Lincoln een

van de vertegenwoordigers uit het graafschap Sangamon was, weigerde

deze zijne goedkeuring te hechten aan dergelijke maatregelen, die

de slavernij in de hand moesten werken. Hij maakte dan ook met zijn

ambtgenoot uit Sangamon gebruik van een constitutioneel voorregt, door

het indienen van het volgende protest, hetwelk op den derden Maart 1837

in het Huis voorgelezen werd:

»Daar er in de beide Huizen van het Generaal-Congres gedurende de

tegenwoordige zitting besluiten genomen zijn ten opzigte van de

slavernij, achten de ondergeteekenden zich bij dezen gedrongen om tegen

dezen maatregel protest aan te teekenen.

»Zij meenen, dat de instelling der slavernij zoowel onregtvaardig

als onstaatkundig is; maar dat de verspreiding van gevoelens over de

afschaffing daarvan eer strekt om hare nadeelen te vermeerderen dan te

verminderen.

»Zij meenen, dat het Congres der Vereenigde Staten geene magt heeft om

zich, volgens de bestaande Constitutie, te bemoeijen met de zaak der

slavernij in de verschillende staten.

»Zij meenen, dat het Congres der Vereenigde Staten wel de magt heeft

om, volgens de bestaande Constitutie, de slavernij in het district

Columbia af te schaffen; maar tevens, dat die magt niet moet worden

uitgeoefend, dan alleen op verzoek van de bevolking van het genoemde

district.

»Het verschil dat tusschen deze meeningen en die, welke in de

bovengemelde besluiten heerschen, bestaat, is de reden van de indiening

van dit protest.

»DAN. STONE,

»A. LINCOLN,

„Vertegenwoordigers uit het graafschap Sangamon.”

Bij de verkiezing van 1844—waarvan wij reeds met een enkel woord

gewaagd hebben—was de tariefkwestie aan de orde van den dag. De naam

van Lincoln werd op alle vergaderingen tot de benoeming van een

kandidaat, door de Whigs gehouden, genoemd, terwijl van democratische

zijde John Calhoun[1] aanbevolen werd. Calhoun werd toen beschouwd

als de bekwaamste voorvechter van zijn partij in Illinois. Zij

trachtten dien staat voor hunne belangen te winnen door het houden van

redevoeringen, waarbij zij gewoonlijk een zeer talrijk gehoor hadden.

De verkiezingsstrijd bewees, hoe naauwkeurig Lincoln de zaak van

alle kanten bekeken, hoe grondig hij de geschiedenis en de politiek

bestudeerd had. Hij gaf daarbij niet alleen proeven van zijne

redenaarstalenten, maar ook van zijne bekwaamheid als geleerde en

staatsman. Hij sprak met die bepaaldheid en die helderheid, welke in

redevoeringen, tot het volk gehouden, altijd de meeste uitwerking doen.

Zijn spreektrant was gemeenzaam, alsof hij tot een grooten vriendenkring

sprak—een trek in zijne welsprekendheid, welke een van zijne

eigenaardige kenmerken geworden is. Wij zeggen welsprekendheid, en toch

zou zij moeijelijk zoo kunnen genoemd worden in den Ciceroniaanschen

zin van het woord. Juist dat gemeenzame in zijne redevoeringen, die

eenvoudigheid van zijn betoogtrant en die schijnbaar onuitputtelijke

voorraad van anecdoten en vertelseltjes, welke hij altijd ter zijner

beschikking had, bragten er het hunne toe bij om zijne redevoeringen

indruk te doen maken. En toch werden zijne eenvoudige woorden

uitgesproken met een vuur en een kracht, die zijne toehoorders niet

alleen boeide, maar ook hun oordeel bestuurde, en weinige mannen

hebben zich ooit verdienstelijker gemaakt door het verbreiden hunner

beginselen. Hij werd nu beschouwd als de besliste voorvechter van de

Whig-partij en de Whig-politiek in den staat, en zou al spoedig nog in

een gewigtiger betrekking optreden, en wel als vertegenwoordiger van

zijn district op het Generaal-Congres der Vereenigde Staten.

[1] Deze Calhoun moet niet verward worden met den ijveraar voor de

instandhouding der slavernij, John C. Calhoun, uit Zuid-Carolina.

Lincoln werd in 1846 door het district Illinois naar het congres

afgevaardigd, en nam daarin zitting op den eersten Maandag van December

des jaars 1847.

Mr. Winthrop van Massachusetts werd tot Redenaar van het Huis verkozen.

In dit Huis waren de grootste talenten uit het land bijeen, en gedurende

de zittingen van dat jaar heerschte er zoo veel geestdrift, als er

misschien ooit te Washington geheerscht heeft. Aan de zijde van Lincoln

stonden, als Whigs, mannen als Collamer, Tallmage, Ingersoll, Botts,

Clingman, Stephens, Toombs en Thompson; terwijl anderen, niet minder

beroemd, maar in politieke gevoelens van hen verschillende, tegenover

hen stonden, van welke wij mogen vermelden Wilmot, Bocock, Rhett,

Linn, Boyd en Andrew Johnson—de laatstgenoemde in lateren tijd zijn

bondgenoot en medehelper in het groote werk van de herstelling der Unie,

en nu zijn opvolger op den presidentszetel. Zulke schitterende sterren

als Webster, Calhoun, Dayton, Davis, Dix, Dickinson, Hale, Bell,

Crittenden en Corwin vormden eene groep, zoo als men slechts zelden

bijeengezien heeft.

Lincoln was de eenige vertegenwoordiger van Illinois, die onder de vaan

der Whigs gekozen was, terwijl zijne zes ambtgenooten allen democraten

waren.

Hij kweet zich van zijne nieuwe verpligtingen op de uitstekendste wijze,

en bragt bij elke gewigtige kwestie niet alleen zijne stem _vóór_ of

_tegen_ uit, maar was ook altijd gereed om zijn gevoelen met woorden te

staven, waarbij hij steeds die bekwaamheid en scherpzinnigheid aan den

dag legde, die hem gedurende zijn geheele leven gekenmerkt hebben.

Ofschoon Lincoln zich bij de meerderheid der Whig-partij aansloot in

zijn verzet tegen de oorlogsverklaring aan Mexico, ondersteunde hij

altijd ieder voorstel of besluit, dat de bevordering van de belangen,

de welvaart en de eer van het leger, dat ten strijde getrokken was,

ten doel had. Op den 22{sten} December bragt hij, in een van zijne

redevoeringen, ten hunnen gunste, eene reeks besluiten bij en leverde

eene scherpe kritiek van de redenen, die aanleiding tot den oorlog

gegeven hadden. In latere jaren werd tegen Lincoln door hen, met wie hij

in politieke gevoelens verschilde, de beschuldiging ingebragt, dat het

hem aan waarachtige vaderlandsliefde ontbrak, daar hij tegen den oorlog

met Mexico gestemd had. Deze beschuldiging werd met de meeste scherpte

voorgedragen door Douglas in de eerste van hunne discussiën in het

jaar 1858. Lincoln antwoordde: »Ik behoorde reeds sedert lang tot de

Whig-partij, en toen de democratische partij eene poging deed om mij

over te halen tot de meening, dat de oorlog naar regt en billijkheid

door den President begonnen was, mogt haar dit niet gelukken.... Maar

wanneer hij (Douglas) eene beschuldiging tegen mij inbrengt, dat ik den

soldaten, die hun goed en bloed in den oorlog met Mexico ten offer

brengen, onderstand heb willen onthouden of hen op de een of andere

wijze tegenwerken, dan slaat hij, om mij zoo zacht mogelijk uit te

drukken, den bal geheel mis, zoo als eene inzage van de verslagen der

zittingen hem ten duidelijkste zal leeren.”

De loopbaan van Lincoln als lid van het Congres, hoe kort ook, was

uiterst belangrijk en schitterend en is wel waardig om door den

beoefenaar der staatkunde naauwkeurig bestudeerd te worden.

In de kwestie van de afschaffing der slavernij in het district Columbia

stelde Lincoln een levendig belang en nam er een werkzaam aandeel in.

Een zekere Mr. Gott had in het Huis een voorstel gedaan tot het nemen

van een besluit tot afschaffing van den slavenhandel in het genoemde

district. Hierop stelde Lincoln een amendement voor, om een besluit te

nemen niet tot afschaffing van den slavenhandel, maar van de _slavernij_

in het district. Het voorstel, door hem gedaan, hield in, dat geen

slaaf ooit in het district mogt ingevoerd worden, uitgezonderd in

geval ambtenaren der regering zich om staatszaken een tijd lang in het

district moesten ophouden, in welk geval zij voor zich en hun gezin de

noodige dienstboden zouden mogen medebrengen. Het belette, dat iemand,

in het district wonende of later daarin geboren, _buiten_ dit district

in slavernij gehouden zou worden. Het verklaarde, dat alle kinderen van

slavinnen, na den eersten Januarij 1850 in het district geboren, vrij

zouden zijn, maar naar regt en billijkheid door de eigenaars van hunne

moeders onderhouden en opgevoed zouden worden, en dat alle slavenhouders

in het district den prijs, dien de slaven waard waren, uit de schatkist

zouden krijgen, en dat de slaven daarop vrij zouden zijn.

Abraham Lincoln geschetst in zijn leven en daden · 第 1 / 6 段