V DE OVERBLIJFSELEN VAN DEN VOORHISTORISCHEN MENSCH ZELF

"L'homme fossile n'existe pas."

Cuvier (1813).

Het behoeft geen betoog, dat de eigenlijke vraag naar de afstamming van

den mensch, de vraag, of men ook in de geschiedenis van het menschelijk

geslacht eene ontwikkeling, eene evolutie van den vorm vindt, die

ons van dierlijke voorvaderen geleidelijk voert tot den modernen

mensch, den homo sapiens, slechts aan de fossiele overblijfselen van

den praehistorischen mensch zelf bestudeerd kan worden. De kennis

hiervan is niet oud, ja zij verkeert nog in haar eerste stadium van

ontwikkeling. Nog geen 100 jaren geleden kon de groote Cuvier nog zijn

als motto boven dit hoofdstuk geplaatste uitspraak met oogenschijnlijk

krachtige argumenten verdedigen, en de belangrijkste vondsten op dit

gebied zijn in de laatste 10 tot 20 jaren gedaan.

Dit behoeft ons niet te verwonderen. Wat de vroegere tijden betreft,

vindt het wel voor een groot deel zijne verklaring daarin, dat toen ter

tijde aan dergelijke toevallige vondsten geen waarde werd gehecht. De

leer der catastrophen van Cuvier, die de schepping van den mensch

na de laatste catastrophe stelde en leidde tot het bovengenoemde

dogma, werd algemeen aangenomen, en dit te meer, toen Cuvier kon

aantoonen, dat overblijfselen van een geraamte, als "homo diluvii

testis" aan een voorhistorischen mensch toegeschreven, van een

reuzensalamander afkomstig waren, en hij zoo het geheele vraagstuk

van den voorhistorischen mensch aan den lachlust kon prijsgeven. Hoe

vele jaren heeft het niet geduurd, voordat Boucher de Perthes, die

in 1841 in Picardië diep onder grintlagen en kalksteenafzettingen,

steenen werktuigen vond te zamen met de overblijfselen van mammoeth

en holenbeer, de geologen en anthropologen er zelfs maar toe brengen

kon, zijne vondsten met eenige belangstelling te beschouwen en die

beddingen zelf te onderzoeken.

Maar ook al volgen in de laatste helft der 19de eeuw de vondsten van

overblijfselen van voorhistorische menschen steeds sneller op elkaar,

juist de oudste overblijfselen van menschen uit het ijstijdperk en

onmiddellijk daarvoor en daarna zijn ook nu uiterst schaarsch, hoe

er ook naar gezocht wordt. Hiervoor zijn verschillende redenen aan

te voeren.

In de eerste plaats hebben dergelijke overblijfselen gedurende

zoo ontzaglijk lange tijden den invloed van verweering enz. moeten

ondergaan, en dien invloed moet men niet onderschatten. Zoo werd

bijv. een skelet uit de vroegste tijden van het palaeolithicum,

den later nader te bespreken homo mousteriensis Hauseri, door

Hauser in 1908 in het Vézèredal in een hol gevonden, met de uiterste

zorgvuldigheid door deskundigen uitgegraven. Een groot gedeelte van

het skelet viel echter toch als poeder uiteen en slechts enkele

stukken konden worden gered. De schedel, gaaf uitgegraven, viel

bij het transport in een groot aantal kleine stukken uiteen. En

dan bedenke men, dat dit een unicum was, en dat verreweg de meeste

der voorhistorische skeletten niet door deskundigen voorzichtig

uitgegraven, maar toevallig door bergwerkers of arbeiders in

leemgroeven of grintbeddingen bij het graven worden gevonden. En

de invloed van de verweering, van de humuszuren uit den bodem,

van de vochtigheid, kan zoo groot zijn, dat van het geheele skelet

niets overblijft. Zoo vertelde mij o. a. Dr. Holwerda, die bij zijn

zorgvuldige uitgravingen hier te lande het eenige, oude voorhistorische

skelet heeft gevonden dat in Nederland bekend is (vóór den terpentijd),

dat zelfs de in grafheuvels begraven voorhistorische skeletten in

onzen vochtigen bodem meestal zoo volkomen vergaan zijn, dat slechts

een geringe verkleuring van het zand op een bepaalde diepte de plaats

aanwijst, waar de doode oorspronkelijk was begraven.

In de tweede plaats is de levenswijze der eerste menschelijke wezens

hiervoor aansprakelijk. Oorspronkelijk moet de mensch een bewoner

geweest zijn der uitgestrekte wouden, die Europa ten tijde van het

begin van de ijsperiode bedekten. Ook in de warme interglaciale

perioden moet dit het geval geweest zijn. De lijken werden niet

begraven, bleven liggen, waar zij gevallen waren, en bleven dus ten

prooi aan alle schadelijke invloeden van weer, wind, overstroomingen,

enz., die zoovele fossiele overblijfselen hebben verloren doen gaan.

Toen de toenemende koude het vasteland van Europa meer en meer ging

beheerschen, werd de mensch, zooals wij reeds zagen, tot holbewoner,

en wij vinden dan ook zijne overblijfselen in holen, in "abris

sous roche," enz., waar zij minder aan schadelijke invloeden waren

blootgesteld, en waar wij ze vinden te midden van de overblijfselen van

de dieren, die hem tot voedsel dienden of die hij bestreden had. Maar

eerst toen de mensch zoover ontwikkeld was, dat hij zijne dooden ging

begraven, en vooral toen uit eerbied voor de dooden boven hunne graven

grafheuvels, monumenten, steenen bedekkingen, hunnebedden enz. werden

opgericht, bleven zijne overblijfselen beter bewaard, en werd de kans,

dat het geraamte heelhuids werd opgedolven, grooter, omdat men juist

door die grafheuvels en andere bedekkingen er op opmerkzaam werd

gemaakt, dat zich daar ter plaatse een voorhistorisch graf bevond,

en men dus met de grootste zorgvuldigheid kon gaan graven, terwijl

het vinden der alleroudste skeletten der holbewoners, in verreweg de

meeste gevallen een zaak van het toeval was, en ook als het skelet

niet door verweering bros was geworden of uiteengevallen, er vaak al

zeer veel verloren gegaan en gebroken was, vóór men er opmerkzaam op

werd en voorzichtig verder ging graven. Zoo werd bijv. de beroemde

Neanderdal-schedel, die wij later uitvoerig zullen bespreken, bij

het uitgraven van een hol gevonden door eenige arbeiders, die in een

leemgroeve daar ter plaatse werkten. Het skelet was gaaf, doch werd

door de arbeiders, die niet wisten dat hun vondst belangrijk kon zijn,

eenvoudig weggeworpen. Toevallig hoorde Dr. Fuhlrott van de vondst,

doch toen hij ter plaatse kwam, kon hij van het oorspronkelijk gave

skelet slechts zeer enkele, door het houweel sterk beschadigde

brokstukken nog redden. En met andere vondsten is het niet veel

beter gegaan.

Hoe beter men evenwel leert uitzien en opletten, hoe meer men de waarde

van de lage, bijna geheel onder den grond bedolven oude holen en "abris

sous roche" voor het anthropologisch onderzoek leert inzien, hoe meer

ook belangstelling voor deze zaken in alle klassen van de bevolking

doordringt, des te meer kans verkrijgt men om de overblijfselen

slechts weinig beschadigd of volledig in zijn bezit te krijgen.

Zoo bestaat er dus groote waarschijnlijkheid, dat de vondsten van

gave skeletten, ook uit de vroegste perioden van het bestaan van het

menschelijke ras, minder en minder tot de zeldzaamheden zullen gaan

behooren, en men dus binnen niet al te langen tijd een duidelijker

beeld dan tot nu toe van de ontwikkelingsgeschiedenis van dat ras

zal kunnen construeeren. De door Boule zoo voortreffelijk bewerkte

vondst van la Chapelle-aux-Saints toont ons, wat hier dan bereikt

zal kunnen worden.

Tot op dit oogenblik evenwel wordt in de allermeeste gevallen het

onderzoek in die richting hierdoor nog ten zeerste belemmerd. Men heeft

slechts kleine afgebrokkelde beenstukken te zijner beschikking, soms

zelfs niet meer dan een tand of kies, zooals bij de vondst van Taubach,

of een klein stuk been, en men moet eerbied hebben voor de groote

scherpzinnigheid, waarmede de onderzoekers van dergelijk materiaal

nog zooveel mogelijk voordeel weten te halen uit de enkele maten,

die zij aan een dergelijk stukje been kunnen nemen. Dat juist waar

het onderzoek de ontwikkeling van den mensch, het "hersendier" bij

uitnemendheid geldt, vooral de schedel daarvoor het meest belangrijk

is, behoeft geen betoog. En zoo kan men aan het schedeldak, het eenige

bewaard gebleven stuk van den Neanderdal-schedel, wel 16 verschillende

maten en hoeken bepalen, die men dan elk voor zich weer kan vergelijken

met analoge cijfers van schedels van verschillende menschenrassen en

apensoorten, en die voor het ons hier bezighoudend vraagstuk belangrijk

zijn (Fig. 10).

Met behulp van bepaalde daarvoor geconstrueerde instrumenten wordt

de kromming van de lijn, die van het punt, waar neus en voorhoofd

aan elkaar grenzen, van voren naar achteren over het midden van

den schedel verloopt, de zoogenaamde mediaanlijn van den schedel,

nauwkeurig gemeten, omdat de kromming van die lijn een scherp

beeld geeft van de welving van het voorhoofd en de hoogte van

den schedel en dus samenhangt met, ja in zekeren zin een maat

aangeeft voor den ontwikkelingsgraad van de hersenmassa door dien

schedel omsloten. (Fig. 11). Daarnaast is de kaakstreek, onder-

en bovenkaak, van groot belang. Onder alle zoogdieren is de mensch

het eenige wezen, bij hetwelk niet de gelaatstreek tot een snuit,

met vooruitstekenden mond en min of meer plat daarboven liggenden

neus, is uitgegroeid. Reeds als wij den modernen Europeër met lagere

volksstammen (negers bijv.) vergelijken, valt het ons op, dat bij die

laatsten de mond veel meer naar voren uitsteekt dan bij den mensch

van het Kaukasische ras. Het spreekt van zelf, dat ook op dit kenmerk

steeds de aandacht van den onderzoeker gericht is. Verder is de mensch

het eenige wezen dat een vooruitstekende beenige kin heeft, en ook dit

verschijnsel, dat zoo klaarblijkelijk met een iets anderen vorm van de

onderkaak, grootere en vrijere bewegelijkheid van de tong en daardoor

met de ontwikkeling van ons spraakvermogen in het nauwste verband

staat, is bij de hoogere rassen sterker ontwikkeld dan bij de lagere,

en is van groote beteekenis voor het anthropologisch onderzoek. En niet

alleen dat men aan schedel en onderkaak een aantal maten bepaalt, doch

ook de overige beenstukken, die vroeger altijd voor vrijwel waardeloos

werden gehouden, onderzoekt men op dezelfde wijze systematisch,

men zoekt de kleinste bijzonderheden er van op, om die onderling te

kunnen vergelijken, het bekken en de onderste ledematen om daaraan na

te gaan, of men verschijnselen kan vinden die er op zouden wijzen,

dat de rechtopgaande houding bij de eerste menschelijke wezens nog

niet zoo volledig bereikt was als bij den tegenwoordigen mensch,

hand en arm om ook daaraan punten van vergelijking met de hoogere

zoogdieren op te sporen. Met behulp der Röntgen-stralen wordt de

beenstructuur dier fossiele overblijfselen onderzocht, de vorm van

de tandkassen, de lengte der tandwortels, de samenstelling en vorm

der tanden en kiezen zelf nagegaan, en zoodoende heeft men, zooals

wij later uitvoeriger zullen nagaan, zelfs met zulke gebrekkige en

onvolledige gegevens nog zeer veel weten te bereiken.

Dat men hierbij uiterst voorzichtig te werk moet gaan behoeft geen

betoog. Men betreedt een gebied, waar overal voetangels en klemmen

verborgen liggen. Na den dood kunnen, in die duizenden jaren van aan

verweering blootgesteld zijn, door druk van de er boven op liggende

aardlaag de schedelfragmenten eenigszins vervormd zijn; men weet,

dat dit kan voorkomen, en men moet er dus rekening mede houden. Een

reconstructie van een in stukken gebroken schedel kan verkeerd verricht

worden en de aan den moeizaam ineengezetten schedel gewonnen maten en

lengteverhoudingen zijn dan natuurlijk waardeloos. Het rassen-onderzoek

heeft ons geleerd, dat bij verschillende volksstammen de gewoonte

heerscht, den schedel van de pasgeboren kinderen door omsnoering op

een bepaalde wijze te vervormen (ook in ons land is dit in bepaalde

streken in vroegere tijden in zwang geweest). Deze verandering blijft

dan gedurende het geheele leven tot op zekere hoogte bestaan, en zou,

als men fragmenten van een dergelijken schedel zou onderzoeken, tot

geheel foutieve gevolgtrekkingen kunnen leiden. Wij weten dat door

verschillende kinderziekten de schedel op een bepaalde manier kan

vervormd worden. Ook daarmede moet men rekening houden.

Kortom, men tast, om eene vergelijking van Schwalbe te gebruiken, bij

dit onderzoek als het ware rond in een doolhof, waarin men geen weg

kan vinden, en waarin slechts enkele wegwijzers op grooten afstand

van elkaar zijn opgesteld. Van die wegwijzers is nog een gedeelte

onleesbaar, terwijl andere slechts met groote moeite en met hoogstens

eenigen graad van waarschijnlijkheid kunnen worden ontcijferd. En elke

nieuwe vondst kan ons dwingen, die wegwijzers weer te verplaatsen, kan

ons doen inzien, dat wij van den rechten weg waren afgedwaald,--maar

ook, bij elken nieuwen vondst wint het bepalen van den juisten weg

aan zekerheid.

De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt · 第 14 / 24 题