I ONTWIKKELINGSGANG DER LEVENDE NATUUR

"Jedes sein wird nur durch sein werden erkannt." [1]

Haeckel.

Wanneer wij de natuur om ons heen aandachtig beschouwen, en ons

rekenschap geven van hetgeen hare verschillende elementen, hare

bergreeksen, ravijnen en bergmeren, hare lage landen, hare wouden,

zandvlakten, zeeën, koraalriffen, ons te zeggen hebben, dan ontrolt

zich voor ons een beeld van immer wisselende verandering, van worden

en vergaan, van ontplooiing, van evolutie, een beeld dat ons met diep

ontzag vervult voor de geweldige natuurkrachten, die deze veranderingen

tot stand brengen en beheerschen. Wij zien, hoe bergreeksen zich

verheffen door rimpeling van het aardoppervlak om de door afkoeling

kleiner wordende kern, hoe tengevolge van plaatselijke langzame daling

van den bodem geheele landstreken weder door water worden bedekt,

hoe geheele bergtoppen door de zwaarte van daaroverheen schuivende

gletschers worden af geslepen, hoe diepe dalen door de waterstroomen

allengs worden uitgegraven en de afgeslepen slib elders als langzaam

verhardende klei- en steenlagen wordt afgezet.

Met die veranderingen van de aarde zelf, die zich over een

bijna oneindig schijnend geweldig lang tijdsverloop uitstrekken,

en die men naar aanleiding van bepaalde, sterk op den voorgrond

tredende veranderingen in bepaalde tijdperken, "perioden," pleegt

te verdeelen, gaan nu wisselingen van het klimaat en van de dieren-

en plantenwereld hand in hand. En zoo kan men ook in de wereld der

levende wezens bepaalde tijdperken of perioden onderscheiden, waarbij

in elk dergelijk tijdperk van ontwikkeling een eigenaardig karakter

van de flora en fauna op den voorgrond treedt, het bepaalt.

Zeer in het kort [2] kan men dezen geheelen ontwikkelingsgang als

volgt schetsen: nadat de aarde door langzame afkoeling een vaste

harde steenkorst aan hare oppervlakte had gevormd, nadat na verdere

geleidelijke afkoeling zich op die vaste korst water had gevormd en

dit eene temperatuur verkregen had, waarbij het leven mogelijk was,

ontstonden de eerste levende wezens, op de grens van planten- en

dierenrijk staande. Men moet ten minste wel aannemen, dat het leven

bij zijn ontstaan aan dergelijke vormen gebonden was, waar men ziet,

dat de eerste levende wezens, die uit die alleroudste perioden hunne

sporen in versteeningen hebben achtergelaten, uiterst kleine eencellige

organismen [3] zijn. Hoe deze eerste levende wezens zijn ontstaan,

is ons, dit zij hier terloops opgemerkt, nog volkomen een raadsel,

en het zal dit wel altijd voor ons blijven. Waar het levensbeginsel

zelf, de ondoorgrondelijke, eeuwige, goddelijke drang in de natuur,

die tot evolutie, tot ontplooien van alle krachten, tot aanpassen,

tot strijden, tot instandhouding en volmaken van de soort dwingt,

voor ons steeds ondoorgrondelijk zal blijven, waar dit buiten het

bereik der wetenschap ligt, daar zal de vraag, hoe, op welke wijze

dat leven ontstaan is, eveneens een niet op te lossen raadsel blijven,

waartegenover wij machteloos staan.

Maar wel zullen wij de overblijfselen van de eenmaal gevormde

organismen, zoo zij in de aardlagen zijn bewaard, kunnen herkennen,

en kunnen vaststellen, wanneer en in welken vorm die levende wezens

zich voor het eerst op aarde hebben vertoond, en hoe zij zich in

daaropvolgende perioden der aardontwikkeling hebben voorgedaan. En

zijn zij nu eenmaal opgetreden, dan zien wij hen wel al direct

in een aantal vormen van uiteenloopende gedaante en groepeering,

doch tevens, naar mate wij jongere formaties nagaan, in hoe langer

hoe volkomener vorm, in hoe langer hoe meer wisselende gedaante en

veelzijdige ontwikkeling, steeds meer doelmatig en beter toegerust

voor den strijd om het bestaan, zich vertoonen.

En wij zien dan tevens, hoe, al gaat bij de regelmatig voortgaande

afkoeling van onze planeet ook de ontwikkeling van de aarde steeds

haren geleidelijken, rustigen, geregelden gang, toch bepaalde

veranderingen van de aardkorst met zeer bepaalde en over de geheele

aarde optredende veranderingen van de planten- en dierenwereld

samengaan, zoodat de straks reeds genoemde tijdperken kunnen worden

onderscheiden, waarin het karakter van het aardoppervlak, de planten

die het bedekten, de dieren die er zich op bewogen, scherp omschreven

eigenaardige kenmerken vertoonden. Dit leeren ons de versteende en in

dien vorm bewaard gebleven overblijfselen van dieren en planten uit

die verschillende perioden, en zoo algemeen, zoo overal wederkeerend

is dit verschijnsel, zoo zeker vinden wij altijd de overblijfselen

van dezelfde vormen in aardlagen en gesteenten van een bepaalde,

zelfde periode ingesloten, dat wij aan den anderen kant juist de

aanwezigheid van bepaalde versteeningen, de zoogenaamde "gidsfossielen"

in de een of andere aardlaag of in een of ander gesteente gebruiken

om daaruit den vermoedelijken ouderdom van die aardlaag of gesteenten

te kunnen berekenen.

In die aardlagen, die tot harden steen saamgeperste massa's,

zien wij nu de overblijfselen van dieren en planten steeds hooger

georganiseerd, steeds meer samengesteld van bouw worden, naarmate

jongere formaties worden onderzocht. Op de oudste steenlagen der

azoïsche periode, waarin wij nog geen met zekerheid als zoodanig

herkenbare sporen van levende wezens kunnen aantoonen--al is het

ook zeker, dat er toen reeds leven op aarde, zoowel in het water als

in de toen bestaande, uit de sedimentaire afzettingen dier perioden

herkenbare landformaties bestond [4]--volgen in langzamen overgang de

oudste lagen der palaeozoïsche periode, zooals in de eerste plaats het

cambrium met zijne overblijfselen van laag georganiseerde ongewervelde

dieren, zijn zeewieren, zijn rijkdom aan in groote vormverscheidenheid

optredende maar over het algemeen nog slechts tot een geringen graad

van ontwikkeling gekomen waterbewoners en ongewervelde landdieren,

dan het silurium met de eerste sporen van visschen (van hooger

georganiseerde gewervelde waterdieren dus) en zijne reeds door tot

verschillende groepen behoorende ongewervelde landdieren gekenmerkte

uitgebreide vastelandformaties, en het steenkolentijdperk met zijn

verdere landvorming, zijn uiterst weelderigen plantengroei, uit welk

tijdperk de als steenkolen bekende afzettingen getuigenis afleggen

van de uiterst rijke verscheidenheid van vormen, zoo van dieren als

planten, die toen ter tijde de aarde bevolkten, en van het warme,

tropische klimaat, dat gedurende dat tijdperk van ontwikkeling over

de geheele aarde (ook in de poolstreken zijn steenkoolbeddingen met

overblijfselen van tropische planten gevonden) heerschte. Met het

steenkolentijdperk, waarin de varens, de wolfsklauwachtige planten, de

vaatkryptogamen, hun hoogste ontwikkeling bereikten, en in reusachtige

vormen en dichte wouden de aarde bedekten, eindigt het palaeozoïcum.

Terwijl de aarde geleidelijk afkoelt, de temperatuur lager, het

klimaat minder tropisch wordt, terwijl het water meer en meer voor

groote vastelanden plaats maakt, verandert in aansluiting hieraan ook

weer het karakter van dieren- en plantenwereld. Na het palaeozoïcum

onderscheiden wij de tweede periode, het mesozoicum, de "middeleeuwen"

van de ontwikkelingsgeschiedenis der levende natuur. In verband met

de vorming der groote vastelanden, zien we de landfauna vooral zich

sterk ontwikkelen. Landslakken, op het land levende gelede dieren,

laagstaande viervoetige gewervelde dieren worden in de steenlagen

dezer periode aangetroffen naast overblijfselen van naaldboomen,

sagopalmen enz.; in dit tijdperk bereiken de kruipende dieren, de

reptielen, de hagedisachtigen, hun hoogste ontwikkeling, en worden

in de reusachtige vormen (brontosaurus bijv.) aangetroffen, die ieder

wel uit afbeeldingen of uit hun kolossale geraamten in verschillende

musea kent. Naast deze reusachtige hagedisachtige dieren, die toen

de aarde bevolkten, zien wij in de tweede aardperiode de eerste

sporen van zoogdieren optreden en ook de eerste vogels zien wij,

in nog sterk aan de kruipende dieren herinnerende vormen, verschijnen.

Doch eerst in de afzettingen uit de derde periode, het tertiaire

tijdperk, het neozoicum, de periode, die het begin van den nieuwen

tijd in de geschiedenis der natuur inaugureert, zien wij de

overblijfselen van zoogdieren in een groote verscheidenheid van

groepen en soorten uit de hen omhullende steen- en zandlagen te

voorschijn treden, zien wij op de palmen, de varens, de naaldboomen

en de reusachtige sauriërs der tweede periode volgen de loofplanten

en de hoogere palmen, de groote zoogdieren in hun hoogste ontwikkeling

en verscheidenheid,--zien wij ook de vastelanden, de werelddeelen der

mesozoische periode, door toenemende schrompeling en rimpeling van

het langzaam afkoelende aardoppervlak gedeeltelijk weder onder den

zeespiegel verdwijnen, om plaats te maken voor nieuwe werelddeelen,

voor een nieuwe verdeeling van land en water, totdat langzamerhand de

aardoppervlakte het uiterlijk verkrijgt, zooals wij dat in den tijd,

waarin wij nu leven, kennen.

Aan het einde dier derde geologische periode, bij den overgang naar

de laatste periode, de vierde, die waarin wij nu nog leven, zien

wij nu een juist voor de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch

uiterst merkwaardig tijdperk komen, dat der postpliocaene ijstijden,

of in het kort samengevat, den ijstijd, de glaciale periode.

Over dezen term "postpliocaene ijstijden", even een enkel woord.

Zooals later nog wel ter sprake zal komen, heeft men in den laatsten

tijd duidelijke sporen kunnen vinden van sterke afkoelingsperioden

uit een veel vroeger geologisch tijdperk, na het steenkolentijdperk,

waarbij het in sommige streken ook reeds tot het vormen van ijs moet

gekomen zijn. Vandaar dat hier niet, zooals men placht te doen, van

"de ijstijd", maar van den postpliocaenen ijstijd gesproken wordt.

Over de geheele aarde wordt de gemiddelde temperatuur lager, worden

de winters langer en strenger, de zomers korter, tot zich, van de

poolstreken uit, de alle leven vernietigende ijskorst verder en

verder naar het Zuiden, dieper en dieper van de hooge bergen tot in

de minder koude dalen afdalende, uitbreidt. Zoo wordt het grootste

gedeelte van Noord- en West-Europa met dikke, soms kilometerdikke

ijsmassa's bedekt. Slechts de zuidelijke streken, vooral Zuid- en

West-Frankrijk en België blijven vrij (men vergelijke het kaartje

van Fig. 1); wij zullen later zien, van hoeveel belang dit voor de

ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch is geweest.

Men moet volstrekt niet denken, dat deze afkoeling zich tot Europa

alleen beperkte, evenmin als wij den gang van zaken ons zoo moeten

voorstellen, dat zich aan het einde der tertiaire periode voor

het eerst een dergelijke afkoeling van het oppervlak der aarde

vertoonde. Neen, waarschijnlijk keeren dergelijke afkoelingen van

de aarde (vermoedelijk tengevolge van astronomische oorzaken) na

geregelde tusschenpoozen van ongeveer 50.000 jaar weder terug, en

wij zien alleen den eersten meer algemeenen ijstijd aan het einde

der tertiaire periode optreden, omdat toen eerst de aarde voldoende

was afgekoeld, om het mogelijk te maken dat de geringe daling van de

gemiddelde jaartemperatuur tot het vormen van een ijskorst van groote

uitgebreidheid leiden kon. Zooals reeds werd opgemerkt, heeft men in

den laatsten tijd kunnen vaststellen, dat ook reeds bij een vorige

afkoelingsperiode in sommige streken van de aarde ijsvorming moet

hebben plaatsgevonden. Het is echter juist deze afkoelingsperiode

bij het begin van het vierde tijdperk, die voor Europa en hare

bewoners, voor de ontwikkeling van het menschelijk geslacht in

het algemeen, van zoo overwegend belang is geweest. Vandaar,

dat juist deze groote afkoelingsperiode hier ter sprake gebracht

wordt. Na dien eersten "ijstijd" volgen die afkoelingsperioden,

waarbij de temperatuur tot beneden het vriespunt daalt, dan ook

verder regelmatig elkander op. Vermoedelijk zijn reeds drie of

meer dergelijke "ijstijden" verloopen, en leven wij nu zoo ongeveer

tusschen twee afkoelingsperioden in. Tot eenheid over deze vraag is

men echter nog lang niet gekomen. Terwijl de meeste geologen op het

voetspoor van Penck minstens 3 ijstijden met daartusschen liggende

"interglaciale perioden" aannemen, en van een glaciaalphase van

Günz, Mindel, Riss, Würm, spreken, meenen andere geologen van naam,

dat de eigenaardigheden van den bouw, de ligging en de uitbreiding

der moraenen en zwerfblokken, waaruit deze gegevens worden geput,

wel op plaatselijke schommelingen van den sneeuwgrens wijzen, doch

niet op zulke uitgebreide, algemeene temperatuurschommelingen, die

zich over het geheele aardoppervlak uitstrekken, behoeven te wijzen,

dat men daaruit het bestaan van een aantal werkelijke "ijstijden" mag

afleiden. Hoe dit zij, meer locale (zich bijvoorbeeld slechts over een

gedeelte van Europa kenbaar makende) schommelingen in de gemiddelde

temperatuur, en daarmede van de sneeuwgrens, schommelingen zeer zeker

van zeer langen duur en geleidelijken overgang, kan men toch wel met

zekerheid aannemen. En dat is voor het ons hier bezighoudende probleem,

zooals wij later zullen zien, voldoende.

Wat de eerste vraag betreft, men heeft zoowel in Afrika, Amerika,

Australië en Azië, zoo goed als in Europa zelf, duidelijke sporen

van vroegere gletschervormingen gevonden, zelfs reeds uit zeer veel

vroegeren tijd, die er op wijzen dat ook daar de afkoelingsperiode

een "ijstijd," d. w. z. een sterke daling van de sneeuwgrens, deed

ontstaan, al bleef deze in de warme streken natuurlijk alleen tot de

hooger gelegen bergstreken beperkt.

In de tertiaire periode zagen wij reeds de zoogdieren in steeds hooger

georganiseerde vormen optreden, terwijl onder de planten eveneens de

hoogst ontwikkelde vormen, de loofboomen, de aarde bedekten. Naarmate

wij nu de steenlagen uit de latere gedeelten der tertiaire periode

onderzoeken, blijken de overblijfselen van de planten en dieren,

die daarin bewaard gebleven zijn, steeds meer te gaan gelijken op de

dieren en planten, die in den tegenwoordigen tijd leven.

Terwijl talrijke lagere planten en dieren in het laatste gedeelte der

tertiaire periode in dezelfde soortvormen voorkwamen als die, welke wij

nog thans op onze aarde levend aantreffen, zien wij, ook wat de hooger

georganiseerde planten en dieren betreft, een steeds grooter wordende

overeenkomst met de flora en de fauna van den tegenwoordigen tijd. Bij

den overgang van de tertiaire in de quartaire periode, het diluvium,

nemen de hoogst ontwikkelde vormen onder de planten en dieren in aantal

en in verbreiding over verschillende streken van de aarde toe, zien

wij steeds hooger gespecialiseerde vormen van zoogdieren optreden,

krijgt de levende natuur langzamerhand meer en meer het karakter,

dat zij in den tegenwoordigen tijd vertoont.

Zoo zien wij dus, hoe in het ontzaglijk lange tijdsverloop, dat achter

ons ligt, sinds het eerste leven zich op onze aarde openbaarde,

een tijdsverloop, niet met duizenden, doch met millioenen jaren te

berekenen, de dieren- en plantenwereld zich langzaam en geleidelijk

ontwikkelt. Hooger georganiseerde, meer samengesteld gebouwde vormen

treden op, worden eerst in enkele vormen op bepaalde plaatsen gevonden,

verkrijgen langzamerhand een grootere verspreiding, ontwikkelen

zich, treden op in talrijke, steeds meer gespecialiseerde soorten,

bereiken een hoogtepunt hunner ontwikkeling en specialisatie en sterven

langzamerhand uit. Andere dier- of plantvormen nemen hun plaats in, en

vertoonen dezelfde verschijnselen. Overal wisseling, sterke aanpassing

aan bepaalde levensverhoudingen, ook weder achteruitgang, doch alles

te zamen genomen een onbedwingbaar, rusteloos voortgaand streven naar

vooruitgang, naar hoogere organisatie, naar beter toegerust zijn voor

den strijd om het bestaan.

Niet door op elkaar volgende scheppingen van telkens andere dier-

en plantvormen, doch door geleidelijke ontwikkeling, door evolutie,

door een geregeld zich aanpassen aan de veranderlijke uitwendige

omstandigheden, zien wij de zoo groote verscheidenheid van levensvormen

gedurende den langen ontwikkelingsgang van onze aarde ontstaan.

Dat leert ons de palaeontologie, dat leert ons nu ook de

ontwikkelingsgeschiedenis der nu levende plant- en diervormen,

d. w. z. de leer van den gang van het proces van vorming van een of

ander dier of plant, beginnende bij de bevruchte eicel, en eindigende

op het tijdstip dat het dier geboren wordt, of de plant zijn vollen

wasdom heeft bereikt.

Elk dier moet, bij het zich vormen uit de zoo uiterst eenvoudig

gebouwde bevruchte eicel, een bepaalde ontwikkeling doormaken,

voor het den vorm van het volwassen dier, den vorm van zijne ouders

en soortgenooten, heeft bereikt. En het is uiterst merkwaardig,

dat wij bij dien ontwikkelingsgang van het individu, voortdurend

verschijnselen zien optreden, die ons herinneren aan bepaalde vormen,

door een der voorvaderen van dat bepaalde dier in de lange reeks der

in vroegere perioden door die bepaalde diersoort doorloopen vormen

gedragen. Elk embryo beklimt, zooals men het wel eens fantastisch

uitdrukt, bij zijn ontwikkeling zijn eigen stamboom, d. w. z. de

ontwikkeling van elk individu is een wedergave in gedrongen vorm

van de gradueele veranderingen, gedurende de ontwikkeling van die

bepaalde diersoort of dien bepaalden diertypus, waarvan het individu

de eindvorm is, in den loop der duizenden jaren doorgemaakt, slechts

min of meer "vervalscht" door directe aanpassing van het embryo aan

een nieuwe omgeving, zooals bijvoorbeeld van het zoogdier-embryo

aan het hem beschuttend en voedend orgaan van het moederlichaam,

in tegenstelling met het embryo van een eierleggend dier, dat bij

zijn ontwikkeling is aangewezen op het voedsel en de beschutting,

die bij het leggen aan het ei werden medegegeven.

Reeds hieruit zou men, afgezien van de door de vergelijkende anatomie

aan het licht gebrachte feiten, tot het begrip der evolutie moeten

besluiten. Hetzelfde leert ons, zooals ik reeds aangaf, het onderzoek

der overblijfselen van fossiele dieren en planten uit vroegere

tijdperken, de palæontologie. Het zou mij veel te ver voeren, hier

nader op in te gaan. Slechts wil ik bij één verschijnsel nog iets

langer stilstaan, daar dit van uiterst groot belang is voor het

probleem, dat ons in de volgende hoofdstukken zal bezighouden.

Dat is een verschijnsel, waarvan een Belgisch geleerde,

Prof. Dollo, het eerst de algemeenheid en het groote belang

aantoonde, en dat hem ter eere meestal als de "wet van Dollo" wordt

aangeduid. Hieronder verstaat men het volgende: heeft zich in den

loop van het evolutieproces een diergroep sterk in een bepaalde

richting gespecialiseerd, zooals bijvoorbeeld de groote groep van de

vleermuizen, bij wie de voorste ledematen zeer sterk zijn uitgegroeid

en veranderd, zoodat zij als vleugels konden worden gebruikt, dan kan

bij verandering van levenswijs of van de omstandigheden, waaronder

de nakomelingen zich bevinden, deze specialisatie niet weer verloren

gaan in dien zin, dat de oorspronkelijke vorm der voorste ledematen

weer opnieuw zou optreden. Evenmin keert een in den loop van de

ontwikkeling van een soort verloren gegaan of rudimentair geworden

orgaan ooit weer tot denzelfden oorspronkelijken vorm terug, als de

omstandigheden waaronder de nakomelingen van die bepaalde soort zich

bij hunne verdere evolutie bevinden, een sterkere ontwikkeling van

dat orgaan zouden wenschelijk maken. Er wordt dan óf een ander orgaan

tot ontwikkeling gebracht, dat 't eerste vervangt, óf wel de soort,

die zich niet kan aanpassen aan de veranderde omstandigheden, sterft

uit. Zooals het door Dollo werd uitgedrukt: "de ontwikkeling is een

niet omkeerbaar proces." Volgens deze wet kunnen dus diersoorten,

die zich in een bepaalde richting, in aanpassing aan een bepaalde

levenswijze, sterk hebben gespecialiseerd, nooit de voorvaderen zijn

van diersoorten, die in datzelfde opzicht minder sterk gespecialiseerd

zijn. Wel echter kan het omgekeerde het geval zijn.

Hetzelfde verschijnsel, waarvan de algemeenheid door Dollo aan

een reeks van zeer duidelijke en sprekende voorbeelden werd

bewezen, wijst ons nu den weg, wanneer wij met een zoogenaamde

"specialisatie-kruising" (chevauchement des spécialisations van Dollo)

te doen hebben. Als van twee diergroepen of diersoorten (A en B) de

eene soort in één opzicht, bijv. in den bouw der ledematen, sterker

gespecialiseerd is dan de andere, in een ander opzicht, bijv. in den

bouw van het gebit, evenwel meer primitieve verhoudingen vertoont,

terwijl verder in het algemeen de twee groepen of soorten zoo zeer

op elkaar gelijken, dat men geneigd zou zijn, de eene soort als de

stamvader van den andere te beschouwen, dan kan men op grond van

de wet van Dollo dit laatste met zekerheid uitsluiten en hoogstens

zeggen dat beide groepen of soorten een gemeenschappelijken voorvader

moeten hebben gehad, waaruit zij zich beide in verschillende richtingen

hebben ontwikkeld.

Wij zullen later zien, van hoe groot belang dit verschijnsel is voor

het probleem, waarmede wij ons in de volgende hoofdstukken zullen

bezighouden.

De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt · 第 8 / 24 题