Twaalfde Les.
Onpersoonlijke Werkwoorden.
_Onpersoonlijke werkwoorden_ noemen een werking, die aan geen persoon
of zaak wordt toegeschreven; zij geven alleen het bestaan, het plaats
vinden van de werking te kennen, zonder te vermelden wie de werking
verricht.
De woordjes _het_, _'t_ of _er_ die er vóór staan, worden niet
vertaald, bijv.: het regent = pluvas, 't hagelt = hajlas, het stormt
= ventegas.
Het deelwoord van onpers. w.w. neemt den _bijwoordelijken_ vorm aan,
bijv.: estis pluvinte = het had geregend.
Ook in andere volzinnen bezigt men den bijwoordelijken vorm, als het
onpers. w.w. geen betrekking heeft op een zelfst. n.w., bijv.:
Het is gevaarlijk = estas dangxere.
het is noodig = estas necese.
het is warm = estas varme.
Het woordje _er_ in uitdrukkingen als: _er is_, _er was_, _er zijn_,
_er waren_, enz., wordt niet vertaald en wordt dus alleen _estas_,
_estis_ enz.
Achtervoegsels _ig_ en _igx_.
_Ig_(i) beteekent iets of iemand in den toestand brengen door het
grondwoord uitgedrukt, bijv.:
bruli = branden, bruligi = doen branden.
varma = warm, varmigi = warm maken.
granda = groot, grandigi = groot maken.
fali = vallen, faligi = laten of doen vallen.
Aanmerking: Men zij voorzichtig met de vertaling van het werkwoord
laten = lasi.
Laten heeft twee beteekenissen n.l. een waarin geen verandering in
den toestand gebracht wordt en een waarin wel verandering in den
toestand gebracht wordt.
In het eerste geval vertaalt men lasi en in het tweede geval wordt
_laten_ samengesmolten met het bijbehoorende werkwoord door hierbij
het achtervoegsel _ig_ te gebruiken.
Bijv.: Laat de dokter komen, wordt vertaald (zonder verandering van
den toestand) Lasu veni la kuraciston, en (met verandering van den
toestand) Venigu la kuraciston.
Verder wordt in de Ned. taal de aanvoegende wijs (welke de handeling
voorstelt als gewenscht, uitgang _u_) veelvuldig uitgedrukt met
het werkwoord _laten_. Dit laten mag nooit vertaald worden met het
Esperanto werkwoord _lasi_ daar n.l. een verandering in den toestand
wordt gebracht, bijv.:
laat ons leeren = ni lernu.
laat ons gaan = ni iru.
laat ons beginnen = ni komencu.
_Igx_(i) beteekent worden, zich maken, of in den toestand komen,
wat het grondwoord uitdrukt, bijv.:
pala = bleek, paligxi = bleek worden.
sidi = zitten, sidigxi = zich nederzetten, gaan zitten.
fari = doen (maken), farigxi = worden, ontstaan, zich
tot .... maken.
Wederkeerige of Terugwerkende Werkwoorden.
Dit zijn werkwoorden, die een _wederkeerigheid_ of _terugwerking_
aanduiden en waarbij het _onderwerp_ van den zin tevens het _voorwerp_
der handeling is.
Deze werkwoorden worden in 't Esperanto in 3 groepen verdeeld, n.l.:
1e. Werkwoorden, die de wederkeerigheid in zich sluiten,
bijv.: gxoji = zich verheugen, mi gxojas = ik verheug mij.
enui = zich vervelen, mi enuas = ik verveel mij.
kutimi = zich gewennen, mi kutimas = ik gewen mij.
imagi = zich verbeelden, mi imagas = ik verbeeld mij.
erari = zich vergissen, mi eraras = ik vergis mij.
vengxi = zich wreken, mi vengxas = ik wreek mij.
konduti = zich gedragen, mi kondutas = ik gedraag mij.
memori = zich herinneren, mi memoras = ik herinner mij.
2e. Werkwoorden, die een handeling uitdrukken, die men zichzelf of
een ander kan doen ondergaan, bijv.: lavi = wasschen (men kan zichzelf
en een ander wasschen).
De wederkeerigheid wordt uitgedrukt door de pers. voornaamwoorden in
den lijdenden vorm, dus met _n_, bijv.:
mi lavas min = ik wasch mij.
li lavas sin = hij wascht zich (vergelijk 4e les).
ni lavas nin = wij wasschen ons.
3e. Werkwoorden, waarbij het onderwerp door de werking, die het
werkwoord voorstelt, in een bepaalden toestand komt, dat het wordt
(_igxas_) wat het grondwoord te kennen geeft. In dit geval gebruikt
men het achtervoegsel _igx_, bijv.:
zich nederzetten = sidigxi (in zittenden toestand komen).
zich nederleggen = kusxigxi (in liggenden toestand komen).
zich buigen = klinigxi (in gebogen toestand komen).
Leer van buiten:
vesto kleedingstuk
vesxto mouwvest, vest
jako jas
pantalono broek
gamasxo slobkous
robo kleed, japon
jupo rok
mantelo mantel
surtuto overjas
sxtrumpo kous
sxuo schoen
kravato halsdoek, das
cxemizo hemd
maniko mouw
manumo manchet
kolumo halsband
sxtofo stof
tolo linnen
tuko zakdoek, doek
ganto handschoen
kufo muts
soldato soldaat
cxapelo hoed
posxo zak
brava dapper
simila gelijkend
preta gereed
gxentila beleefd
cxarma bevallig
acxeti koopen
pagi betalen
levi opheffen
butonumi toeknoopen
kombi kammen
ornami versieren
konsumi verbruiken
naski baren
scii weten
malgraux niettegenstaande
preskaux bijna
aparte ter zijde, afzonderlijk
kaj tiel plu (k. t. p.) en zoo voort, enz.
jen estas zie hier, hier is, hier zijn
Vertaling:
Grandigxi, pligrandigxi, plibonigi, junigxi, plijunigxi, paligxi,
rapidigxi, naskigxi, devigi, farigxi, purigi, dikigxi, maldikigxi,
interesigxi, sciigi.
Vertaal in Esperanto:
Neusdoek, grooter maken, tevreden stellen, geruststellen, ongerust
worden, rijk worden, beleefdheid, schoenmaker, versiersel, verbruik,
handschoenendoos, een dapper mensch, jong maken, jonger maken, oud
maken, ouder maken.
Vertaling:
La belaj vestoj ne estas bonaj por vi, vi malpurigos ilin en unu
tago. Matene, mi vekigxas je la sepa. Tiu cxapelo plijunigas vin
kelkajn jarojn. Via kantado malsanigos min. Kiam mia amikino auxdis, ke
sxia patrino estas tre malsana, sxi paligxis kaj rapidigxis hejmen. Se
vi ne estis devigita por eliri, mi kredas ke vi cxiam restus hejme
kaj vi bone scias, ke la kuracisto estas dirinta, ke vi devas eliri
almenaux dum unu horo. Mi kredas ke la vivado sur la kampo sanigas
vin, vi dikigxas kaj via vizagxo ne estas plu pala. Mia posxhorlogxo
estas pli bela ol la via, cxar la mia estas pli nova ol la via, sed
mi kredas ke la via estas pli forta ol la mia. Mi gxojas pri via
felicxo. Mi lavas min en la lavvazo. Sxi lavis sian infanon en la
kuvo. Mi kutimis mangxi tre malmulte. Vi treege dikigxas. Vi ne plu
povas iri tra la pordo. Mi prenis mian surtuton kaj mi foriris. Mi
sidigxis sur la segxon, starantan apud la pordo.
Vertaal in Esperanto:
De laarzenmaker maakt schoenen en laarzen. Hij wordt soldaat. In
ons land bevinden zich geen bergen, maar slechts heuvels. In den zak
van mijn broek draag ik een geldbeurs en in den zak van mijn overjas
draag ik een portefeuille (paperujon). In mijn schrijftafel bevinden
zich vier laden. In plaats van koffie gaf hij mij thee. De hoorders
verlieten (forlasi) de zaal. Hij liet den geneesheer komen. De
versiering van de kamer was zeer mooi. De kamer zal vergroot
worden. Hij wascht zich zonder water. Mijn overjas heeft me rijk
gemaakt. De gierigaard is rijk geworden door gierigheid. De geslagen
kinderen weenen. Mijn broek is te lang. Ik breng mijn schoenen naar
den schoenmaker. Een dapper mensch is een dappere. Hare handschoenen
zijn vuil, zij moet ze wasschen. Een mantel is een kleedingstuk voor
vrouwen en meisjes. Ik had mijn manchet verloren, maar ik heb ze
gevonden in den kist met gereedschappen. Ik zag een zeer groote stad,
waarin zich aanhangers van onze vijanden bevonden. De 20ste Februari
is de een en vijftigste dag van het jaar. Hij las: "ten vierde, de
vogel vloog over het veld". Al sprekende ging hij zitten. Hij sprak
over een nieuwe taal.