Vijfde Les.
De Telwoorden.
De _telwoorden_ worden onderscheiden in:
1. _Hoofdtelwoorden_, welke zijn: _nulo_ = 0, _unu_ = 1, _du_ = 2,
_tri_ = 3, _kvar_ = 4, _kvin_ = 5, _ses_ = 6, _sep_ = 7, _ok_ = 8,
_naux_ = 9, _dek_ = 10, _cent_ = 100 en _mil_ = 1000. Deze getallen
zijn onveranderlijk.
Met deze hoofdtelwoorden worden alle andere gemaakt, bijv.: 11 =
10 en 1 = dek-unu, 15 = dek-kvin, 20 = 2 x 10 = dudek, 30 = tridek,
125 is 100 en 20 en 5 = cent dudek-kvin, 2345 = 2000 en 300 en 40 en
5 = dumil tricent kvardek-kvin.
Komt aan het eind van een getal 'n hoofdtelwoord te staan, dan wordt
dit met het voorgaande verbonden door een streepje. Dit streepje kan
weggelaten worden, doch de woorden mogen nimmer aaneen geschreven
worden, bijv.: 25 = dudek-kvin òf dudek kvin.
Worden de hoofdtelwoorden als _verzamelnamen_ gebruikt, dan krijgen
ze den uitgang _o_, bijv.: eenheid = unuo, tweetal = duo, drietal =
trio, dozijn = dekduo, duizendtal = milo.
Wanneer deze zelfstandig gebruikte hoofdtelwoorden aan een zelfstandig
n.w. voorafgaan, dan worden ze steeds gevolgd door het woordje _da_,
bijv.: een dozijn vorken = dekduo da forkoj.
2. _Rangtelwoorden_, welke _bijvoeglijk_ gebruikt den uitgang _a_
en _bijwoordelijk_ gebruikt den uitgang _e_ hebben.
Bijvoeglijk gebruikt duiden ze een volgorde van iets aan, bijv.:
Januaro estas la unua monato kaj decembro la dekdua = Januari is de
eerste maand en December de twaalfde.
Bijwoordelijk gebruikt geven ze een opsomming aan, bijv.: La libro
ne placxas al mi, unue gxi estas tro granda, due gxi estas malbela
kaj trie, gxi ne estas Esperanta libro = Het boek bevalt mij niet,
ten eerste is het te groot, ten tweede is het lelijk en ten derde is
het geen Esperanto boek.
3. _Breukgetallen_, welke een gedeelte van een eenheid aangeven. Zij
worden aangeduid door twee getallen naast elkander, gescheiden
door een streepje. Het eerste getal noemt men _teller_ en het tweede
_noemer_. De noemer noemt het aantal gelijke deelen, waarin het geheel
is verdeeld en de teller noemt het aantal dier deelen.
Ze worden in 't Esperanto gevormd van de hoofdtelwoorden door
toevoeging van het achtervoegsel _on_, met _o_ als uitgang voor
zelfst. n.w., _a_ voor bijv. n.w. en _e_ voor bijwoorden, bijv.:
1/2 = duono, 1/6 = sesono, 5/8 = kvin okonoj, 9/12 = naux dekduonoj.
Zooals men uit de voorbeelden ziet wordt de teller, wanneer hij 1
is, niet genoemd. Is de teller meer dan 1, dan krijgt de noemer den
meervoudsuitgang.
4. _Vermenigvuldiggetallen_, welke gevormd worden door het
achtervoegsel _obl_ met den uitgang _o_, _a_ of _e_, naar gelang ze
zelfstandig, bijvoeglijk of bijwoordelijk gebruikt worden, bijv.: Het
drievoud van twee is zes = La trioblo de du estas ses. Een dubbele tong
= duobla lango. Ik moet driedubbel betalen = Mi devas pagi trioble.
_Herhalingsgetallen_ maakt men met het woordje _foje_, wat _maal_
of _keer_ beteekent, bijv.: eenmaal = unufoje, tweemaal = dufoje, enz.
5. _Verzamelende telwoorden_, welke gemaakt worden met het
achtervoegsel _op_, bijv.; met z'n vieren = kvarope; met z'n zessen =
sesope; zij komen met z'n achten = ili venas okope.
Er bestaat verschil tusschen de zinnen: _Zij loopen met z'n vieren_
en _Zij loopen met vieren (vier aan vier)_. In het eerste geval zijn
er slechts vier en vertaalt men volgens bovenstaande: _Ili marsxas
kvarope_. In het tweede geval loopen ze bijv. in rijen van vier en
gebruikt men bij de vertaling het woordje _po_: _Ili marsxas po kvar_.
Het woordje _po_, dat een voorzetsel is, wordt ook geplaatst vóór een
bepaling van maat, prijs of gewicht en wil dan zeggen, dat die maat,
prijs of gewicht slechts op één persoon of voorwerp betrekking heeft
en kan in 't Nederlandsch omschreven worden door de woordjes _ieder_,
_elk_ of _per stuk_, bijv.:
La pomoj kostas po du cendoj = De appels kosten 2 centen (per stuk).
La infanoj ricevas po du pomoj = De kinderen ontvangen 2 appels
(elk of ieder).
La cxevaloj havas po kvar piedoj = De paarden hebben vier pooten (elk).
Eenige voorbeelden van _vermenigvuldiging, deeling, optelling en
aftrekking_.
2 × 3 = 6 du foje tri estas ses.
duoble tri estas ses.
du foje tri faras ses.
duoble tri faras ses.
1/2 × 1/3 = 1/6 duono foje triono estas sesono.
duono foje triono faras sesono_n_.
2/5 × 3/4 = 6/20 du kvinonoj foje tri kvaronoj estas ses
dudekonoj.
du kvinonoj foje tri kvaronoj faras ses
dudekonoj_n_.
Men ziet hieruit dus, dat na het w.w. _fari_ de 4e naamval volgt en
na het w.w. _esti_ de 1e naamval.
8 ÷ 2 = 4 ok dividita per du faras kvar.
ok dividita per du estas kvar.
3 + 4 = 7 tri kaj kvar estas sep.
tri kaj kvar faras sep.
6 - 3 = 3 ses malpli tri estas tri _òf_
ses sen tri estas tri.
Leer van buiten:
vivo leven
morto dood
dormo slaap
vekigxo ontwaking
songxo droom
febro koorts
doloro pijn
mezo midden
metro meter
polico politie
turo toren
cxirkauxmano armband
lasta laatste
trankvila rustig, gerust
alta hoog
sana gezond
eterna eeuwig
nova nieuw
doni geven
meti stellen, plaatsen
mezuri meten
trovi vinden
lacigi vermoeien
naskigxi geboren worden
kuraci heelen, genezen
farti varen (welvaren)
interne inwendig
ekstere uitwendig
supre boven
cxirkaux rond, rondom
almenaux ten minste
tre zeer
je voorzetsel met onbepaalde beteekenis
Vertaling:
Malsana, malsano, malsaneta, dormegi, kapdoloroj, dormeti, policano,
naskigxo, malalta, malnova, malsupre.
Vertaal in Esperanto:
Met z'n zessen, met z'n achten, met z'n vieren, vier aan vier, twee
aan twee, ongesteldheid, 2/5, 3/7, 7/10, 9/20, 1/9, 3/100, 28/400.
Vertaling:
La homo havas dek fingrojn. Duoble tri faras ses. Mi havas du
guldenojn, sxi havas la duoblon. Ni venas okope. Kvardek-ses kaj
kvindek-du faras nauxdek-ok. Hodiaux estas la naskigxtago de mia
patrino. La turo de nia urbo estas alta sesdek-kvar metrojn. Sxi ne
estas malsana sed sxi havas ofte kapdolorojn. Cxu vi diras la veron? La
cxevalo havas grandan cxevalidon. Sesmil kvarcent kvindek-tri. Ducent
sesdek-ok. Ili faras tion sesfoje. Sesoble ok faras kvardek-ok. Kvin
nauxonoj kaj tri nauxonoj estas ok nauxonoj. Mi vidas tri arbojn,
unue mi vidas grandan arbon, due mi vidas arbegon, kaj trie mi vidas
arbeton.
Vertaal in Esperanto: (Alle cijfers in woorden schrijven.)
Hoeveel is 5 × 13? Dat is 65. 5 × 6 = 30; 25 is 1/4 van 100. Zij komen
met hun zessen. Dit paard kost 300 gulden. Bij het ontwaken hoor ik
de vogels op de boomen. De armband van uwe zuster is zeer mooi. 4258;
392; 8643; 928; 98. Ik zie vele menschen. Duizenden menschen spreken
reeds het Esperanto. Het is vandaag (heden) koud. Nu zegt hij mij
de waarheid. Zij droomt een schoone droom. De dienstbode plaatst de
bloemen op de tafel. Hoe vaart u? Ik maak (het) zeer goed. 9 × 6 =
54; 12 is de helft van 24. Zij komen met z'n zessen. De kinderen
loopen vier aan vier. Ik ben de eerste en hij is de derde. Hij moet
dubbel betalen.