CHAPTER 2

Tweede Les.

Persoonlijke Voornaamwoorden.

_Persoonlijke Voornaamwoorden_ zijn die woorden, die in de plaats komen

van persoons-, dier- of zaaknamen. Zij noemen de zelfstandigheden niet,

doch duiden die slechts aan. Het zijn de volgende:

Enkelvoud 1e persoon mi = ik, mij.

2e persoon ci = jij, jou.

3e persoon li = hij, hem.

3e persoon sxi = zij, haar.

3e persoon gxi = het (alleen voor zaken

en dieren of personen, waarvan het geslacht onbekend is).

Meervoud 1e persoon ni = wij, ons.

2e persoon vi = gij, u.

3e persoon ili = zij (voor alle geslachten).

Verder heeft men het _onbepaalde_ en onveranderlijke voornaamwoord

_oni_ = men, en een _wederkeerig_ voornaamwoord _si_ = zich; beiden

voor den 3en persoon.

Aanmerking: _ci_ = jij wordt zelden gebruikt; meestal gebruikt men

den beleefdheidsvorm _vi_ ook in het enkelvoud.

De ontkenning.

Om een ontkenning uit te drukken gebruikt men in het Esperanto

het woordje _ne_, dat _neen_ of _niet_ beteekent. Dit wordt altijd

vóór het werkwoord geplaatst, dus niet zooals in 't Nederlandsch,

waar dit dikwijls achteraan komt, bijv.: ik loop niet = mi ne kuras;

de knaap leert niet = la knabo ne lernas.

Vragende Zinnen.

Vragende zinnen worden gevormd, door het woordje _cxu_ vóór aan

den bevestigenden zin te plaatsen, dus ook weer niet zooals in 't

Nederlandsch door omzetting van den bevestigenden zin, bijv.:

_bevestigend_: de vader komt = la patro venas.

_vragend_: komt de vader? = cxu la patro venas?

Bij zinnen, welke reeds met een vragend woord beginnen, is _cxu_

natuurlijk overbodig; bijv. zinnen, die beginnen met de vragende

woorden _wie_, _wat_, _welke_, _hoe_, _wanneer_, _waar_.

Bijv.: Wie loopt daar? = Kiu kuras tie?

Waar zijt gij? = Kie vi estas?

Voorvoegsels _bo-_ en _ge-_.

_Bo-_ duidt aan verwantschap door het huwelijk, bijv.: patro = vader,

bopatro = schoonvader; frato = broeder, bofrato = schoonbroeder

of zwager.

_Ge-_ vereenigt de twee natuurlijke geslachten, bijv.: patro = vader,

gepatroj = vader en moeder of ouders; frato = broeder, gefratoj =

broeder en zuster. De j van gepatroj en gefratoj duidt het meervoud

aan.

Leer van buiten:

hundo hond

kato kat

cxevalo paard

bovo rund

birdo vogel

koko haan

floro bloem

arbo boom

sxtono steen

sablo zand

gxardeno tuin

kampo veld, land

vilagxo dorp

provinco provincie

urbo stad

vetero weder (z.n.w.)

varma warm

kara lief, dierbaar, duur

afabla beminnelijk, vriendelijk

sola alleen

fari doen, maken

kreski groeien

flugi vliegen

tiu die, dat (aanw. v.n.w.)

tiu-cxi deze, dit (aanw. v.n.w.)

tio dat (zelfst.)

kiu? wie?

kio? wat?

kia? welk?

kiel? hoe?

cxe bij

sed maar

jes ja

ne neen, niet

nun nu

cxiam altijd

ankoraux nog

ankaux ook

hodiaux heden, vandaag

baldaux spoedig

ho! o! oh!

cxu duidt vragende zinnen aan; heeft geen bepaalde

beteekenis.

Vertaling:

Bopatrino, bofilino, bofratino, geonkloj, geknaboj, geedzoj,

gefiancxoj, gesinjoroj, gepatra, kokino, bovino, malkara, malafabla,

malvarma.

Vertaal in Esperanto:

Schoonzoon, schoonvader, dienstbode, schoonbroeder, ontevreden,

bloedverwanten, kleinkinderen, grootouders, jongens en meisjes,

jongelieden.

Vertaling:

La onklinoj legas kaj la infanoj ludas kun la hundo kaj la kato. La

urbo estas granda kaj bela. La vilagxo estas malgranda. La gxardeno ne

estas granda kaj bela. En la gxardeno kreskas belaj floroj kaj grandaj

arboj. En la urbo estas gxardeno. La birdoj flugas en la gxardenoj kaj

kantas sur la arboj. La vetero estas bela kaj varma. La cxevalo estas

sur la kampo. La kato kaj la hundo kuras en la gxardeno. La vetero ne

estas varma hodiaux. La knabo ne legas sed skribas. Me venas de la

avo kaj mi kuras al la frato. Li estas en la gxardeno. Vi ne estas

granda sed vi estas malgranda. Tiu cxi hundo estas granda. Tiu homo

estas felicxa. Kiu estas felicxa? Kiu kuras en la gxardeno? Kia infano

ludas kontente? Kio estas sur la sablo? Kiel estas la vetero? Cxu la

infano ludas kaj kuras? Cxu la familio estas granda?

Vertaal in Esperanto:

In de stad zijn groote tuinen. In den tuin van de stad groeien schoone

bloemen en vliegen vroolijke vogels. Het kind speelt met den hond en de

kat. De grootouders zijn gelukkig en tevreden. De kleinkinderen zijn

nog jong. De lieve ooms en tantes. De verloofden zijn op het veld. De

jongens en meisjes zijn niet droevig maar vroolijk. De dienstbode is

niet gelukkig. De hond is een vriend van den mensch. De kat is niet

groot maar klein. De paarden en de koeien loopen in het veld. De

vogel vliegt. De haan kan ook vliegen [1] maar niet zingen. Schoone

bloemen en boomen groeien in den stadstuin. Het dorp is niet groot

maar mooi. Het weder is heden koud en slecht. Is de moeder jong

en schoon? Is het weder heden niet slecht? Zijn de kinderen van de

buurvrouw lief? Is zij alleen in den tuin? Zingen wij mooi? Deze kat

en die hond zijn van de buurvrouw. Dat kan niet. Wie is tevreden? Welke

jongen speelt in den tuin? Wat is schoon? Hoe zingt de vogel?

Het Esperanto in Twintig Lessen · 第 2 / 20 章