KINDERTUINTJES

Als Black oud is—ze zei expres niet dóód, omdat Bertje in de kamer

was—als Black oud is en de kinderen zijn groot, ga ik den tuin

heelemaal anders aanleggen. Hoe vind je dit? en ze legde de platen van

Homes and Gardens boven op de Rotterdammer, die André juist bezig was

te lezen, zoodat alle Buitenlandsche politiek opeens tot op z’n knieën

zakte en een lieflijk tafereel van een pad van gebarsten steenen, dat

zich tusschen bloeiende bloemenranden trapsgewijs boog naar een met

rozen begroeid priëel, voor zijn verbaasde blikken opdook.

—Van wie, vroeg hij vaag, van wie zei je, dat die tuin was? En hij

grabbelde onder den artistiek-bloeienden tuin naar z’n krant, die bezig

was hem te ontglippen.

—Kijk nu even, André, zóó, precies zoo zouden wij later ònzen tuin

kunnen hebben, ’t zijn juist onze afmetingen, zeven breed en twaalf

diep, had je dat gedacht?

—Nee, bekende hij, ik dacht, dat het iets grootsch uit Japan was.

—Nou, triomfeerde ze, en ’t is maar zeven bij twaalf. Hier, wees ze op

den blanken onderkant van de plaat, hier moet je je ’t huis denken en

dan op zij zoo’n breede border, waar ieder jaargetijde wàt bloeit, de

achterkant iets opgehoogd en in den hoek een zitje en dan maar één pad,

dat toch een lichte bocht maakt en tusschen de gebarsten steenen van

dat pad kleine plantjes: een plukje gele muur en een plukje blauwe

eereprijs en iets roods of wits. Vind je dat ook niet lief, die kleine,

kleurige plantjes tusschen de steenen?

—Zou Black ze er niet dadelijk uitkrabben?

—Later immers, als Black.... fluisterde ze, met een blik op Bertje.

—O, ja.

—En als we dan de schutting nog met een halven meter kippengaas

verhoogen en inplaats van die vervelende frambozen ramblers planten,

zal je eens zien, hoe prachtig die achterkant zal worden, want de

schutting staat net als op de plaat op het Zuid-Oosten. En met zoo’n

hooge, dicht-begroeide schutting en maar één pad lijkt de tuin ook veel

dieper.

—Op photo’s, zei André, zijn tuinen altijd geflatteerd. Je moet ook

niet vergeten, dat ze natuurlijk precies nièt de vervelooze kolenhokken

er bij kieken en niet de balkons van de achterburen, waar altijd lappen

aan touwen hangen te waaien en die je met geen meters kippengaas

maskeeren kunt.

Hester dacht weer terug aan de plaat, die ze gisteren zoo aandachtig

bekeken had, nu ze op het kleine bordes kinderkousen zat te mazen,

terwijl Bertje van zes in den tuin scharrelde en Mieke in den zandbak

een rij versche poffertjes versierde met stralende meizoentjes.

De zandbak is wel fnuikend voor den tuin, vond ze; het scherpe, witte

zand stuift altijd weer over de jonge plantjes heen. Eigenlijk is de

tuin wel beschamend-leelijk en ze keek naar de kleurlooze rekpalen,

waar Erna de ringen hoog opgetrokken had, omdat je aan hooge ringen de

mooiste kunsten kon doen. Achter den rekpaal lag het grasveldje, waar

het gras maar schaarsch was, want Joop kweekte er klaver en

paardenbloem-planten voor z’n konijnen.

Bij de schutting waren de tuintjes van de kinderen, naast elkaar op een

rijtje, door een hekje van kippengaas veilig afgeschut voor den

bedenkelijken graaslust van de konijnen.

Het plompe schuurtje is ook wel afgrijslijk, peinsde ze; als later de

konijnen weg zijn en de kruiwagens en de stelten en de trekkar, is het

schuurtje ook overbodig. Ik zou ook dat als een soort priëeltje kunnen

inrichten, zooals die Engelsche meneer op het andere plaatje, die van

een oud waschhok den voorkant wegbrak, het dakje verhoogde, ramblers

plantte—ramblers schenen in Engeland alle moeilijkheden op te lossen—en

nu in z’n vroegere waschhok, als in een soort openlucht-studeerkamer,

met een overtuigend-gelukkigen glimlach zat te studeeren.

De voorkant weg, zette ze haar overpeinzing voort, en inplaats van het

domme, platte deksel een schuin-oploopend dakje van roode rammelaars,

met een pruikje zilverig huislook voor de gemoedelijkheid en dan in

dien hoek zoo’n mooi lijsterbesje, dat met z’n teedere gebogen takjes

en donzigen, witten bloesem boven het warm-rood van het dakje zou

hangen. De lijsterbes kan ik eigenlijk al dadelijk planten. En omdat de

morgenzon juist in het open hutje schijnt, zal ik er vanaf het vroege

voorjaar ’s morgens met mijn werk kunnen zitten. Maar dan moet de

aanleg van den tuin toch weer anders zijn.

Terwijl ze een gat als een vuist herstelde in Joops knie-kous, ontwierp

ze een nieuw plan van een recht weggetje met roode plavuizen, want ze

was, vanwege de begroeide barsten, verknocht aan steenen paadjes. En

aan weerskanten van ’t roode pad wat malsch groen gras en rondom vol

bonten bloei een hooge border, die glooide naar ’t glanzende groen,

rond het plavuizen-weggetje. En in ’t voorjaar crocusjes en scilla’s en

blauwe druifjes als vroolijke versierinkjes in ’t korte gras.

Moeder, onderbrak Mieke haar ontwerp, nu moet je eens taartjes bij me

koopen, ik heeft al een winkel vol.

—Als deze kous klaar is, kom ik.

—Is ie gauw klaar?

—Nee, bedacht ze, nog in geen kwartier; ik kan Mieke toch niet een

kwartier met haar winkel laten zitten.

Ze legde de kous neer, nam een koperen knoop uit de knoopendoos voor de

betaling, sloeg Erna’s schort, die een stop behoefde, als een cape om

haar schouders, riep: „Kom, Black, we gaan boodschappen doen”, en

wandelde met haar neus in de lucht, om Mieke’s gespannen blik te

ontgaan, drie keer den tuin rond, voor ze op den taartjes-winkel

toestapte.

—Dag juffrouw, heeft U ook taartjes te koop?

—Je moet toch eerst door de deur komen, je moet zeggen: Ping-open,

ping-dicht, dat doen deuren van winkels ook altijd. Dáár is de deur,

wees Mieke met een zanderig vingertje een gat in de lucht.

Hester maakte gehoorzaam drie passen achteruit en kwam met een

ping-open, ping-dicht en een moeizaam kruk-omdraaien den winkel weer

binnen.

—Als ’t u blieft, vier taartjes, juffrouw, twee met witte vruchtjes er

boven op en twee met gele. En heeft u ook een groote taart?

—Van een bloempot? fluisterde Mieke buiten het spel om; dat heeft ik

vergeten.

—Ik wou zoo graag vanmiddag om vier uur een groote taart hebben. Wilt u

hem nog voor me bakken en dan thuis bezorgen? Zoo’n hooge en dan met

vruchtjes op zij.

—Ja Mevou, ik zal hem dadek bakken, is u jarig?

—Nee juffrouw, m’n jongste kindje is jarig, die is vijf jaar.

—Oud, hè? zei Mieke vertrouwelijk, maar ik is vijf, als ik wéér jarig

is.

—Ja, en dan eten we ook taart—een taart met vijf kaarsjes en een vlag

er boven op. Hier is het geld, juffrouw, ik moet gauw weer naar huis,

m’n kindertjes hebben zooveel gaten in hun kousen, die moet ik nog

allemaal maken.

—Je hebt zeker geen volzichtige kindertjes.

—Nee, Juffrouw, ik heb heelemaal geen volzichtige kindertjes.

Dag taartjes-juffrouw.

—Dag kouse-mevou, lachte Mieke om haar eigen grap.

—Moeder, riep Bertje, kijk eens in m’n tuintje, er zijn drie aardbeien

rijp en gisteren waren er ook al twee.

—Maar deze heeft nog een groen puntje, Bert en die is nog een beetje

wit.

—Maar die, Moeder, die is heelemaal rood en rijp en nog nooit is er

zóó’n groote aangegroeid.

Ze bewonderde de aardbei, samen met Bertje, met hun neuzen vlak boven

de plant.

—Aardbeien, vond hij, is nog prettiger dan bloemen en sterkers,

aardbeien en frambozen is het allerprettigste; wat zitten de frambozen

vol, hè?

Ze keek naar de harde, groene vruchtjes van de frambozen tegen de

schutting en ze speurde misnoegd naar de hatelijke uitloopers, die

altijd even frischgroen en vroolijk op de meest ongelegen plaatsen in

den tuin weer opdoken.

Frambozen zijn een ramp voor de andere planten, ze moeten er later

allemaal uit. En op de plaats van Erna’s kruisbesseboompje zal ik

delphiniums zetten. In gedachten groef ze de kruisbessestruik en de

frambozen en de aardbeien uit en ook de dubbele madelieven, die van

geen beperking wisten en toch maar altijd weer verwilderden. En als het

buitensporig aantal goudsbloemen in Joops tuintje wat verminderd en die

slordige erwten-kweekerij van Bert verdwenen was, zou ze toch een

prachtige strook hebben, om een breeden border aan te leggen. De

kindertuintjes lagen juist in de zon, het zou inderdaad iets heel moois

kunnen worden.

Mieke had de taart al achter haar naaidoos gezet en kroop naast Bert,

om ’t gras voor de konijnen te knippen.

Ze zag de donkere kopjes vlak bij elkaar, ze hoorde ze samen smoezen

van af haar plaats op ’t bordesje. En die monster-rekpaal besloot ze

nog, die gaat er het eerst uit.

—Moeder, vroeg Bert, drink je al gauw een kopje koffie?

—Over vijf minuten.

—En eet je er een koekje bij?

—Nee, een taartje uit Mieke’s winkel.

—Maar een ècht koekje?

—Nee, geen echt koekje.

Ze lette niet op de kinderen, die de hoofden naar elkaar toebogen over

Bertje’s tuintje.

Ze ging naar de keuken om melk op te zetten en ze zag niet, dat de twee

onderwijl naar binnen liepen en haar mooiste kristallen schaaltje uit

het buffet haalden.

Maar toen ze weer zat te mazen, kwamen ze ineens achter haar en Bertje

riep: „Even je oogen dicht doen en nòu weer open.”

En toen ze keek, stond voor haar op tafel het kristallen schaaltje met

frisch-groen aardbei-blad en midden op, binnen een krans van

madeliefjes, Bertje’s groote, roode, rijpe aardbei, rijkelijk bestrooid

met witte suiker. En achter de aardbei op het feestelijk schaaltje twee

paar stralende kinderoogen.

—Kinderen, riep ze verrast, wat prachtig; het is bijna jammer om hem op

te eten; hij is al zoo mooi om naar te kijken.

—Ja hè, glunderde Bertje, maar hij is voor bij je koffie. En Mieke

heeft bedacht van de meizoentjes en ik van de blaadjes en ’t

schoteltje.

—Wij zullen hem met ons drieën verdeelen, om de beurt een hapje; als je

langzaam eet, lijkt het net als tien aardbeien. En hij smaakt naar de

zon.

—Toen de kinderen waren heengegaan en ze haar lange stopnaald in saaie

regelmaat draad-op, draad-neer over den grooten winkelhaak in Erna’s

schort liet gaan, toefden haar gedachten nog bij de verrassing, die de

kleine kinderhanden met zooveel zorg voor haar bereid hadden. Was

eigenlijk de heele zomer niet vol van dat lieve, onverwachte?

Iederen trouwdag vonden ze de eerste half-rijpe of over-rijpe frambozen

op de ontbijttafel. En ze vermoedde wel eens, dat Joop alleen zooveel

goudsbloemen kweekte, om haar op haar verjaardag met de groote tinnen

vaas vol van de donkerste-oranje bloemen te verrassen. En op een

reddeloozen hoofdpijn-dag was het kroesje vol rose madeliefjes en

vergeet-mij-nietjes, dat Mieke ongemerkt voor haar bed had gezet, toch

het eenige troostende en opwekkende geweest in die sombere uren van

kwellende pijn. En met een glimlach herdacht ze de

kruisbessen-theepartij, die Erna georganiseerd had en het dwaze vers

van André, dat hij en de kinderen toen op smeltenden toon twee-stemmig

gezongen hadden.

Het kwam alles uit de kindertuintjes, de tuintjes, die bloeiden in den

zonneschijn, waar altijd één van de kinderen bezig was met zaaien,

wieden, planten of oogsten.

—Moeder, riep Bertje, vanaf het smalle paadje tusschen de erwten, als

je zoo zit en je kijkt niet zoo erg naar boven, dan zie je geen een

huis, dan zie je alleen de lucht en de planten en de bloesems—’t is

hier net als in een bloemenlaantje.

Tusschen de erwtenplantjes, waaraan de vlindertjes nog bloeiden,

terwijl de vruchten al rijpten, zag ze het kleine jongens-figuurtje.

Heel stil zat hij er te droomen in zijn laantje.

Een laantje... peinsde ze, met een verre herinnering aan eigen

kinderjaren... wat was dat bekoorlijk. Als je het laantje inliep, dan

was er altijd diep in je de verwachting om het geheimzinnige... O, toen

je nog een kind was, was het, alsof ieder laantje zou uitloopen op de

verrassing....

Om nog zóó de wereld te kunnen beschouwen als Bertje, om alles wat

leelijk is—de huizen-muren en ’t vervelooze schuurtje en het bengelend

waschje van de achterburen—buiten te sluiten en met groote, verlangende

oogen alleen de heerlijkheid te zien van het laantje met groen en

bloesems onder den hoogen, blauwen hemel.

O, mijn jongetje....

Wanneer, vroeg zij zich af, wanneer hebben ze mij dit nog eens gegeven?

’t Was Joop...... ’t Was Joop die op een kouden December-avond de

konijnen verzorgd had.

—Waar was je toch zoo lang? had ze gevraagd, toen hij binnen kwam.

En Joop, dicht tegen haar stoel, z’n glanzende oogen in de hare, had

gezegd: Met Bertje in ’t schuurtje, Moeder, we hebben de konijnen hooi

en boerenkool gegeven en ze toegedekt en we hebben aldoor samen op de

kruiwagen naar ze zitten kijken en je weet niet, hoe dol-gezellig het

in ’t schuurtje was met dat brandende kaarsje en alle konijne-snoetjes

keken naar het lichtje en ze zagen er zoo lief uit. Zie je, ik zou wel

in ’t schuurtje willen wónen.

En diep in haar hart, was er nu als toen de bede: o, kind, dat je je

levenlang die gevoeligheid en het stille geluk om stemming en sfeer

behouden moogt!

Mieke speelde auto op de rekstang met haar bloote, bruine beentjes om

den paal. Het drukke getoeter ging opeens zonder aanleiding over in ’t

feestgezang:

Lang zal Mieke leven....,

vanwege een onbewuste herinnering aan de vele verjaardagen, dat ze

onder het met vlaggen en groen versierde rek, als onder een eerepoort

hun feestliederen hadden staan zingen.

En Hester dacht aan háár laatsten verjaardag, toen André haar aan z’n

arm den tuin ingeleid had, waar alle cadeautjes aan touwtjes tusschen

de bloemen en ’t groen van het rek bengelden en de kinderen boven

elkaar met één krampachtigen voet in een vierkant gat en een arm rond

den paal, haar een stuntelig feestlied van Erna hadden toegezongen. En

’s avonds hadden ze tusschen de kleurige lampions met geblinddoekte

oogen krakelingen gehapt van de zwierende ringen.

En de eerste malsch-groene sterkers op de ontbijttafel, de eerste

knappende radijsjes, de eenige appel van Joops boompje, die een week

lang op de vruchtenschaal had geprijkt, voor ze hem—om niets van een

zoo kostbaar bezit verloren te laten gaan—met schil en al genoten

hadden, het waren alle gebeurtenissen als feesten geweest, als intieme,

huiselijke feesten, waar de wereld niet van wist.

En ieder feest was geworden in den tuin.

Maar eens zouden er dagen komen en maanden en jaren, dat er geen

frambozen vol zoete beloften en hardnekkige uitloopers meer zouden

zijn, geen sterkers en geen kruisbessen-liederen. Ze zou niet meer

hurken bij het schuurtje met haar schoot vol aandoenlijk-zachte

konijntjes. En nooit meer zou Erna met alle rokken over haar hoofd aan

haar voeten in de ringen hangen om, als een zielsvergenoegde kakatoe

aan z’n schommel, de wereld van den verkeerden kant te beschouwen.

En al de kindertuintjes zouden verdwenen zijn... en al de stage

werkzaamheid en de blijdschap en de verrassingen en de teleurstellingen

en de hoop.

In een ontstellend-helder visioen zag ze zichzelf in haar

eigen-ontworpen tuin, waar de delphiniums en spyrea’s, de anjers en de

margarieten in rijken bloei zouden kleuren onder de dicht-betroste

ramblers. Er zou geen onkruid meer zijn en in den leegen tuin zou geen

kinderstem meer roepen op een toon, die geen uitstel duldde: „Moeder

komt U éven kijken...”

Over het paadje van gebroken plavuizen—als een oude vrouw met grijzend

haar en licht-gebogen rug—zou ze gaan naar het open hutje, dat beschut

lag tegen den wind. De lijsterbes, die een hooge boom was geworden, zou

met z’n ijle schaduw het te felle licht temperen.

Den ganschen, langen morgen zou zij er zitten in den koesterenden

zonneschijn met, als grootste vreugde, een brief van een der verre

kinderen, met wat naai- en breiwerk voor de kleinkindertjes, om nog

iets te doen te hebben in haar stille leven, met de vele herinneringen,

de blijde en de smartelijke.

Maar haar hart kromp ineen, toen ze bedacht, hoe schamel dat bezit zou

zijn na den rijken overvloed van ontroerende dwaasheid en eerlijk

verdriet, van verrassende teederheid en uitbundige levensvreugde, die

nu dag aan dag haar deel was.

Tuintjes · 第 5 / 6 题