DE MAN EN ZIJN TUIN

En voor de zóóveelste maal wist hij het weer—en als altijd ging het

weten gepaard met die weeë beklemming—dat zijn huwelijk mislukt was.

Over de met zorg gedekte tafel staarde hij donker door de serre naar de

plek in den tuin, waar de uitbundig-bloeiende border als

wreedaardig-aangevreten was tusschen de wazig-zachte spyrea en de hooge

delphiniums, die waren gelijk nacht-blauwe toortsen uit een Oostersch

sprookje.

Vanmorgen aan z’n eenzaam ontbijt, aan de broedend-stille koffietafel

waren de campanula’s nog z’n eenige vreugde geweest. Een weelde was

het: al die kleurige klokken, de paarse, de blauwe, de rood-geaderde;

en de witte, zoo smetteloos, zoo ontroerend-rein.

Gisteren in het late uur, toen de bloemen als vergeestelijkt hadden

gestaan in den geruchtloozen avond, had hij ze lang beschouwd en

gemijmerd: Als ik componeeren kon, componeerde ik ze tot een

klokkelied, een levens-symphonie; het lichte geklank van de wijde,

witte klokken maakte ik tot de schuchtere tonen van wat jong was en

blijde en kinderlijk en onbedorven; en ’t gebeier van de rozeroode, de

lila, de blauwe kelken zou het wordende leven vertolken, dat heel

krachtig was en schoon in volgroeidheid, maar ook donkerde naar smart

en hartstocht en zonde. En als ik de klanken gevonden had en de

melodieën gevormd, zou ik van den aanvang af laten zingen het groote

sonore geluid der paarse klokken van den dood, die altijd waart rond

het leven; het zouden eerst maar enkele bevende klanken zijn,

nauwelijks verstaanbaar in de vreugdevolle onstuimigheid van het

jeugdlied, maar ze zouden veelvuldiger worden en sterker en het einde

zou wezen een diep-donkerpaars accoord van berustende harmonie.

—Idioot, had hij zich gescholden, gèk, die geen deun van vier maten in

elkaar kan flansen, die zich als een sentimenteele juffrouw staat te

verbeelden, dat hij een symphonie kan componeeren van zijn bloemetjes,

terwijl hij z’n eigen levenslied verknoeid heeft.

En zonder één blik meer in den droomenden tuin was hij naar binnen

geloopen, als getrapt.

Maar dezen stralenden morgen, toen de stille nacht vol geheim geweken

was en alle planten na het morgenbad hun kleurige bloesempracht hieven

naar den zonnigen zomerhemel, waren de campanula’s niet anders geweest

dan de andere bloemen: blijde open kelken—een schoonheid, een

verheugenis.

En met een glimlach naar zijn tuin vol kleuren dacht hij verwonderd,

hoe hij zoo’n vluchtige phantaisie den vorigen nacht zoo volkomen had

uitgedacht, dat het hem nu was, alsof hij naar den vorm kon tasten als

naar een bezit. Den ganschen dag had hij met die gedachte gespeeld en

er was diep-weg in z’n ziel een schuchtere blijheid geweest om de

kostbare verrassing, die zijn campanula’s hem hadden bereid.

Nu stonden de planten beroofd; heel de gave pracht had Elise meegegeven

aan Meta, die vandaag was komen theedrinken om haar middag dood te

praten, aan Meta, die volkomen onverschillig voor bloemen was. En juist

de campanula’s, die hij vanaf z’n plaats aan tafel dag aan dag had zien

groeien, kleuren en ontluiken. Om te sarren, had Elise ’t gedaan.

—Waarom, vroeg hij nijdig, waarom heb je dan niet hier en daar een tak

afgesneden, er staan er achter in den tuin toch genoeg. Waarom plunder

je zoo?

Elise haalde de schouders op. „Plunderen,” zei ze en haar mond trok

neer, „plunderen, als je nog een tuin vol bloemen over hebt! Moet ik

soms eerst aan jou vragen, van welke plant ik wel een bloemetje mag

plukken en van welke niet?”

—Je hebt het geschonden, zei hij, en driftig opeens door haar smalend

schouderophalen voegde hij er aan toe: Opzettelijk vernield heb je ’t.

—Je bent een maniak, een tuin-maniak. Wind je maar niet op; als ik in

’t vervolg iemand bloemen wil geven, zal ik ze zelf wel voor een paar

kwartjes koopen.

Ze schoof haar servet door den ring en stond op van tafel. Bij de deur

zei ze: „Als je koffie wilt, bel dan even.”

—Ik wil geen koffie.

—Martelaar, mompelde ze in haar mondhoek, maar hij verstond het.

Het kind—de angstig-vragende oogen, groot in het bleeke gezichtje—liet

zich van haar hoogen stoel glijden. Het peuterde nerveus aan de bandjes

van ’t slabbetje. Hij zag het niet.

Hij nam z’n koker en trok een sigaret aan. Toen, terwijl hij z’n stoel

afschoof, zag hij het kind staan.

—Wat knoei je daar toch aan je hals?

—D’r zit een knoop in en hij wil er niet uit, zei ze met haar zachte,

slepende stemmetje.

—Kom eens bij me.

Het kleine meisje kwam stil nader en boog haar hoofdje achterover; de

slab bengelde op haar rug en onder het spitse kinnetje vond hij de

verwarde bandjes vol knoopen.

Ze stond recht en stil om hem niet te hinderen en boven zijn sterke,

bruin-verbrande handen was het kinderhoofdje heel teer; onder het

zachte gespannen, witte velletje zag hij de blauwe vertakking van de

fijne adertjes en het kloppen van het bloed bij haar keeltje.

Och, dacht hij in deernis, terwijl hij wurmde aan de knoopen, wat een

tenger kindje is het toch, wat een poppetje.

—Nou maar eerst even kop omlaag, zei hij, je zou moe worden. Wie heeft

dat nou zoo raar in elkaar getooverd, wel vijf knoopen boven elkaar en

alles stijf aangetrokken.

—Ik heb het zelf gedaan, fluisterde ze.

Beroerde boel ook, dacht hij. Vóór het eten waren Elise en hij al aan

’t kibbelen geweest en het kind, uit angst, had alleen getobd met de

bandjes, die het nog niet kon strikken op gevoel. En den heelen

maaltijd hadden ze geen woord tegen het kind gezegd, altijd maar samen

gekeven over die bloemen.

—Nu beginnen we weer, ik heb er al twee uit—nou de derde....

—Als je een haarspeld had.... zei ’t kind.

—Ja, zie je, maar ik stop nooit haarspelden in m’n haar, als ik mijn

scheiding maak.

Nu lachte het kind hardop—het was een ijl toonladdertje—en alle zorg

was ineens uit de groote, grijze oogen weg.

—Jij, ging hij voort, jij moest je haar maar opsteken, het is lang

genoeg en dan hebben we altijd haarspelden bij de hand, als er knoopen

in de bandjes zijn. Zie zoo, mijn dochter, klaar ben je!

—Dank je Paps, zei ze zoet en ze liep stil achter hem aan, toen hij

door de serre den tuin instapte.

Hij bleef staan bij de campanula-planten.

Wat had Elise ze gehavend; alles was er af, ook de takken, die niets

dan knoppen hadden van een zoo vage kleur, dat ze de verrassing van

blauw of paars of rood of wit nog verborgen hielden binnen hun kelken

en die toch een zékere belofte waren geweest van bloeiende pracht.

Met een frons tusschen z’n oogen keek hij naar de slordig-afgeknakte

takken, waarvan de bovenste blaadjes slap en gescheurd neer hingen.

Toen nam hij z’n zakmes en sneed de gebroken stengels tot den grond af.

Het kind zag zijn oogen hard en stond roerloos, de kleine handen in

elkaar geknepen op den rug.

Toen hij zich ophief uit zijn bukkende houding, werd hij plotseling

getroffen door het strakke gezichtje.

Wat stond ze daar verdrietig.

Misschien, zei hij met een glimlach, waaronder hij de leugen verborg,

misschien loopen ze nu wel weer uit en dan bloeien ze nòg eens in het

najaar.

—Heusch?.... en het klonk als een snik, die de spanning brak... zou dat

kunnen?.... O, Paps!

Mijn kindje, dacht hij, in smartelijke ontzetting, heb je dan alles

meegeleden? Wat misdoen we toch aan je!

En in een behoefte, den laatsten twijfel te verjagen uit de ernstige

oogen, zei hij: „De riddersporen bloeien immers óók nog eens voor een

tweeden keer, als je de uitgebloeide takken afgesneden hebt. Kom, nu

gaan we verder. En hij nam haar handje, om haar snel weg te voeren van

de plaats des onheils.”

Als ze ’t maar vergeten kon, dacht hij bezorgd.

Maar het kind, ontkomen aan de troebele atmosfeer, die haar tot

schreiens toe gedrukt had, gevoelde zich veilig en gelukkig, nu ze te

zamen in eensgezindheid door den bloeienden avondtuin liepen.

—Zeg Paps, zei ze en ze stond stil bij de hooge, blauwe delphiniums,

die bloeiden naast het vlammend oranje van de tijgerlelies, ik zou

zoo’n jurk mooi vinden, zoo’n blauwe jurk en dan een oranje koord,

juist die kleuren.

—Ik ook, vond hij, en weet je wat we doen zullen, jij en ik? We gaan

eens naar een winkel en dan koopen we zoo’n jurk voor jou, blauw met

een oranje koord; en voor mij een das, blauw met een oranje

kriebeldebiebel en dan gaan we samen wandelen.

—En dan kan iedereen zien, dat je mijn Paps bent.

Kind! dacht hij, is dat dan tòch je glorie? En nooit had hij zoo hevig

zijn tekort gevoeld.

De tuin van den man was een lange reep grond ter breedte van zijn huis.

Omdat hij een boot bezat en de tuin uitliep op een vaartje, had hij het

huis gekocht. Op warme zomer-avonden roeide hij langs de rechte

waterwegen tusschen de bebloemde dijkjes, waar de lange margrieten

wiegelden temidden van de gloeiend-roode zuring, waar achter iedere

groen-en-gouden weide weer een groen-en-gouden weide lag en de hemel

zoo eindeloos hoog was boven de korte wilge-pruiken en de boerenhuisjes

en de onbewogen koebeesten.

Maar op vroege ochtenden, als de zon nog laag in de boomen stond, was

het hem een lieve gewoonte geworden om op het tuintrapje z’n korte

pijpje te zitten rooken en te kijken naar de kleine schuiten met

groenten en vruchten, die de boeren op marktdagen van den polder naar

het stadje brachten.

De motor-bootjes voeren snel en speelsch voorbij, als drukke jongens,

die hun komst lang van te voren met geraas aankondigden, zonder groet

voorbijsnelden en lang, nadat ze heengegaan waren, de lucht nog vulden

met onnoodig lawaai.

Maar liever waren hem de platte hoog-opgetaste schuiten, die werden

voortgeboomd door twee stille kerels. Ze kwamen zoo geruischloos

aangevaren en het was, alsof de gebogen mannen bezig waren een groote

plechtigheid te volvoeren, nu ze de rijpe vrucht van hun akkers—die de

vrucht was van hun stagen arbeid—verzameld hadden en opgestapeld en

voerden van hun verscholen hofsteden naar de bonte blijheid van de

weekmarkt.

De man op zijn tuintrapje zag het langzame komen; en als de schuit

onder de poort van laag-getakte iepen doorgevaren was, viel opeens fèl

de zon op de oranje wortelen, die dicht aaneen lagen op het groene bed

van kanten loof; de bloemkoolen werden eensklaps van een donziger wit

binnen hun groene omlijsting en in de wit-teenen mand, waar de

kostbaarste last geborgen was, ving elk der tomaten een zilver-lichtje

in het broze rood.

De man keek en riep zijn morgengroet over het water en van de beide

mannen—pijp in den mond—klonk een gemompelde groet terug.

Zooals een torenklok, die uitgebeierd is, nog een paar te laat gekomen

klanken naar beneden werpt, zoo vielen de donkere groeten, een voor

een, diep en plechtig in de stilte van den jongen morgen.

Het tuintrapje was den man waardevoller nog dan de campanula’s, die

ieder jaar guller bloeiden, waardevoller dan de stralende kelken der

bruidsanemonen en de zoete weelde van de latyrus. Met vier treedjes van

grijs-verweerden steen daalde het trapje naar de glanzende vaart.

Toen men de laatste overblijfselen van het eens zoo trotsche kasteel—de

tot boerderij geworden stallen—sloopte om ter plaatse een electrische

centrale te bouwen, had de man mèt den bemosten zonnewijzer een

karrevracht eeuwen-oude steenen gered uit de verdelgende klauwen van de

moderne beschaving. Hij had lang met de steenklompen in zijn handen

gezeten in bewondering voor de hechtheid en het gave metselwerk, veel

gepast en gemeten en toen had hij tusschen de haag van latyrus, die het

rasterwerk van z’n tuin bedekte, het grauwe trapje gebouwd; en elken

keer als hij het zag was het hem een verheugenis te herdenken, dat

honderden jaren lang, geslacht na geslacht, heer en knecht getreden

hadden over den grijzen steen.

En telken male, als hij met zijn roeiboot thuis kwam en aanstuurde op

de oude steenen, gevoelde hij een kleine voldoening, alsof hij

persoonlijk iets had afgedaan aan de niet-te-delgen schuld, die zijn

geslacht op zich geladen had door het noodeloos verminken en

vernietigen, van wat vorige generaties in zoo voorname schoonheid en

zuiverheid van proporties hadden opgebouwd.

En over den grijzen steenrand hadden de saxifraga en de muur, die op ’t

glooiende wallekantje langs het trapje groeiden, hun vracht van lila

kelkjes en gele sterretjes gebeurd.

Zoo steeg het oude trapje uit het water naar het tuinpad, dat liep

langs het grasgazon rond den zonnewijzer.

Toen het gras nog niet gelegd was, hadden Elise en hij op een

juichenden Septemberdag in hun verlovingstijd in den leegen tuin

gestaan; hij had haar z’n tuin-ontwerp gewezen en de denkbeeldige

planten.

—Kijk, hier aan den zonkant planten we veel vroeg voorjaarsgoed: daphne

en muurbloemen en een handvol tulpen er tusschen, en de zomerplanten

wat dieper in: klaprozen en akeleien in alle kleuren; en heelemaal

achteraan langs de schutting geweldig-groote zonnebloemen. En bij de

schuur een rij stijve, papieren stokrozen en vuurroode hang-geraniums

van af het dakje.

En toen ze daarna samen bij den zonnewijzer hadden gestaan en stil

gespied naar de spitse schaduw, die door den gouden pijl onmerkbaar

werd voortgedreven, had hij zijn hand, waarin hij de hare geborgen

hield, gelegd op den hoogen steenen voet, die koesterend warm was van

opgeslorpte zonnestralen en vertrouwelijk zacht van ouderdom. En met

iets van pret en iets van ontroering in z’n oogen had hij geciteerd:

Veux-tu nous enseigner—ô vieux cadran solaire—

A laisser de côté les moments ténébreux,

Mais à nous souvenir de ces jours de lumière,

Où nos cœurs ont battu, dilatés et joyeux?

Maar zij, plotseling bekoord door den naïeven eenvoud van het versje en

in een verteedering om de nieuwe, wondere wereld, waarin deze groote,

sterke man leefde, had haar hoofd tegen z’n arm gelegd en gesmeekt:

„Zal je ’t mij allemaal leeren, Frank, van de bloemen en de verzen en

de oude dingen, die eigenlijk zoo mooi zijn?”

—O kind, zei hij en z’n mond beefde, het is maar zoo’n beetje voor

alles, wat je mij geven wilt.

Maar in een beklemming vroeg zij zich af, of zij hem eigenlijk niet

bitter weinig te bieden had.

En toen de denkbeeldige bloemen werkelijkheid geworden waren, toen het

eerwaardige grijs van het trapje tusschen het schallend-blijde paars en

geel spiegelde in het zonnige water, toen de rozen bloeiden langs het

grasveld, had het korte mos zich al weer vastgezet op den steenen voet

van den zonnewijzer.

En de man, die eens de onverwachte woorden: „Je marque seulement les

heures de soleil” gevonden en aanvaard had als een omen vol belofte,

liet de spreuk, die tot hoon van zijn leven geworden was, begraven

onder het gouden mos.

Boven van het slaapkamer-balcon, riep de vrouw: „Ga je nog mee

tennissen?”

—Nee, antwoordde hij stroef, ik ga vanavond niet tennissen en samen met

het kind bukte hij zich dieper naar den weelderigen geur van de anjers.

—Altijd de tuin, mompelde de vrouw, maar ze bleef toch even staan

kijken naar de twee in aandacht gebogen figuren en ze gevoelde zich

zeer eenzaam.

Toen de man, getrokken door haar staren, opzag, liep ze snel naar

binnen. En op den rand van haar bed, de handen gevouwen in den schoot,

tuurde ze den lichten avondhemel in.

Ze had opeens geen lust meer om naar het drukke, vroolijke tennisveld

te gaan en ze zat op het bed langzaam te denken, hoe het al deze jaren,

nadat ze bij den zonnewijzer gestaan hadden, gegaan was met haar leven,

hoe ze later nooit meer verlangd had naar bloemen en verzen en de

schoonheid van oude dingen—wèl naar glorie en rijkdom. Maar ondanks den

rijkdom, die gekomen was, had haar man beslist geweigerd dit huis te

verlaten voor een, dat groot was en statig en vol gerief, omdat hij

nooit afstand wilde doen van den tuin, die onder zijn werkzame handen

was geworden tot een verborgen plek van altijd kleurige schoonheid.

En in haar hart was een naijver gekomen op den tuin, die haar man een

vertroosting en vervulling was, die hem alle zomerdagen boeide door de

zorg en arbeid, die hij van hem eischte en hem de lange winteravonden

bezighield, als hij een nieuwe indeeling zocht en een schooner

schikking; die hem den kleurigen bloei al deed zien, terwijl hij zat te

zoeken in prijscouranten van bollen en planten en in Engelsche lijsten

voor zijn zaaiplanten. En zij, die niets wist van de zegeningen, die

verborgen liggen in de uren van afgeslotenheid en niet kende den

rijkdom van eigen gedachtenwereld, voor wie de stilte niet anders was

dan beklemming, had arm en verveeld naast hem gezeten, hunkerend naar

het gedruisch van de stad en naar de afleiding, die menschen haar

konden brengen.

En ook het kind—bleek en verlegen en gesloten—was geen vreugde in haar

leven geworden, want zij had zich een dartel kind gedroomd met wuivende

krullen rond een blozend appelsnoetje—een kind, dat voor ieder een

onbevangen blik had en een rap woord.

En ook het kind werd getrokken door den tuin.

Dezen middag was Meta gekomen en had opgewonden verteld van haar

winterverblijf in Italië en Nizza.

„De volgende week gaan we voor een paar maanden naar Schotland en

Noorwegen; we blijven er de warme maanden. En gaan jullie nog op reis,

Elise? Ga je lang?”

—Niet langer dan veertien dagen.

Om den tuin, had ze smalend gedacht, omdat Frank den tuin niet alleen

wil laten. En toch komt de concierge van het kantoor iederen dag

sproeien.

En in een felle jaloezie om Meta, die alles bezat, wat zij ontbeerde:

een groot huis en een gewilligen man en twee kinderen, die vlot en mooi

en vroolijk waren, was ze met haar den tuin ingeloopen en had de eene

campanula na de andere afgebroken om haar man te kwetsen in wat ze

wist, dat hem een vreugdevol bezit was.

Doch toen ze Meta nazag, die met haar arm vol bloemen heel de zonnige

straat decoreerde, maar die de veelkleurige garf zóó achteloos droeg,

als was haar een waardeloos geschenk opgedrongen, toen door de een

versmaad werd, wat zij den ander had ontroofd, werd haar drieste daad

haar tot een nederlaag.

Teruggekomen bij de geknotte takken, zag ze als door de oogen van den

man de begane wreedheid en al maar starende naar de ruïne van planten

tusschen de felle fonkeling van de gloeiende papavers en den grilligen

groei van de luchtige akeleien, begon ze te beseffen, hoe smartelijk ze

hem beleedigd had. Ze liep langs de rozen naar het oude trapje en

ademde enkel latyrus-geur en terwijl ze droomerig keek naar het

vaartje, waar de zilveren rimpeltjes uitgleden naar de koele

donkerheid, die lag onder de lage iepen van den overkant, dacht ze: Als

we meer van elkaar hielden, zou ik hem kunnen opwachten en ’t hem

zeggen en ik zou den glazen bol vullen met àlle kleuren van de latyrus

en die op zijn schrijftafel zetten. Nu kan dat juist niet.

Toen zag ze, hoe haar kleine, witte voet verscholen was onder de paarse

saxifraga, die bloeide bloem aan bloem boven het zilvergrijs van de

kleine blaadjes.

Heel voorzichtig om niet te schenden trok ze haar voet terug en het

verraste haar, dat ze voor het eerst de stille bekoring zag van het

vaartje, dat zachtjes golfde naar de verre weilanden. En terwijl ze

zich gevangen gevoelde in een wondere betoovering dacht ze, dat het wel

prettig moest zijn om straks bij z’n thuiskomst tot haar man te zeggen:

„Wat is het vaartje eigenlijk mooi en wat is onze tuin aan den

waterkant mooi met dat oude, begroeide trapje; onbegrijpelijk toch, dat

andere menschen hun tuinen afsluiten met hooge schuttingen of een

verveloos hek. Ik ben zoo blij met jouw tuin, ... met onzen tuin.”

Maar dat zou ze juist vandaag niet kunnen zeggen. En opeens wist ze,

dat in het alledag-leven de kleine dingen en de eenvoudige woorden toch

wel van zeer groote waarde zijn.

En de man vermoedde niet, dat hij met zijn eerste driftige woorden de

zachte gevoelens, die lagen te wachten op koestering en milde

ontferming, had teruggeduwd.

Met verharde harten hadden ze elkaar gekrenkt, zelfs de

tegenwoordigheid van het kind hadden ze niet ontzien.

Nu, terwijl de avondwind uit de weiden de geuren van het rijpe gras

naar binnen dreef, vroeg ze zich af, of het niet anders gekund had? En

ook besefte zij nu, hoe pijnlijk stil het kind geweest was.

Het kind moest naar bed, het was geen sterk kind.

Ze stond op om het te roepen en ze zag het kind en den vader, hand in

hand, staan bij de kamperfoelie, die klom tot op het dak van het

schuurtje. Ze spraken heel zacht en vertrouwelijk, alsof ze samen een

lief geheim wisten en daar elkaar van vertelden. Ze zag het opgeheven

kopje van het kind en zijn gebogen hoofd in aandacht naar één zelfde

bloem en er was zoo’n zacht gemurmel, dat ze de stem van den vader niet

eens van de kinderstem onderscheiden kon.

Hij zal haar wel de schoonheid toonen van de bloemen, meende ze, en

later van de verven en de oude dingen. Het kind is nog ontvankelijk.

Ik...

In een verwondering bedacht ze, hoeveel zij juist dézen dag ontvangen

had.

Ze riep het kind niet.

Ik moet niet storen, zei ze stil. Ze vond zichzelf een beetje

belachelijk, omdat ze als een weer zoet geworden kind moeizaam stond te

denken, wat ze nu verder voor goede dingen moest doen.

Ik zal theezetten in de serre en de groote schemerlamp aansteken. Frank

houdt zooveel van petroleumlicht.

Een paar brandende tranen veegde ze snel weg; het was zoo vernederend

twee-en-dertig te zijn en nog niet verder dan een weer zoet geworden

kind.

En zoo zacht liep ze naar binnen, dat de man het kraken van het balcon

niet eens hoorde. Hij vertelde rustig door: „.... en dat zijn de

nachtvlinders, die overdag onder de blaadjes zitten te slapen, maar des

nachts vliegen ze uit. Ze kunnen niet zoo heel goed zien en bijna alle

bloemen sluiten zich, als de zon ondergaat. Maar nu hebben die

nachtvlinders ergens trek in een beetje honing en den heelen dag zijn

alle atalanta’s en de dagpauwoogen en de zandoogjes en de blauwtjes de

kamperfoelie voorbijgevlogen, want de kamperfoelie is een grappenmaker

en ze doet net, alsof ze heelemaal geen honing onder in die lange

zakjes verborgen houdt. Maar nu het avond geworden is en de dagvlinders

slapen, zet ze haar kelken wijd open en ze geurt zoo heerlijk, dat je

bij de keuken al ruiken kunt, dat ze nog een heeleboel honing heeft en

de nachtvlinders met de zwakke oogjes vliegen regelrecht op de

kamperfoelie af. Kijk, daar heb je er weer een.”

—Dat is al de vierde, zei het kind en duwde haar handje dieper in zijn

hand.

En hij dacht: Wat is het maar een broos handje, wat kruipt het telkens

diep in mijn vuist. Zou het kind nu gelukkig zijn in dit rustige gaan,

dit vertrouwde spreken? Vroeger keek ik alleen naar de bloemen en het

kind liep verloren achter me aan. Dat moet toch niet, ik met de bloemen

en het kind alleen en de vrouw in huis.... alleen. Wij drieën.... Ik

moet samen gaan met het kind, hand in hand. Och, het kind is toch méér

dan de tuin.

En een menschenziel, mijmerde hij, is meer dan een bloem en meer dan

bloemengeur is de klank van het woord dat heen en terug gaat tusschen

man en vrouw. De geuren waren wel zoet, maar de klanken waren zoo hard

geweest.

—Je moet naar bed, prul, zei hij; kom, we gaan naar binnen. Hij keerde

zich om en zag verrast dat de serre verlicht was en onder de lamp zat

zijn vrouw achter het theeblad en borduurde een kinderkraag.

Zij zat er, vond hij, als een gewone vrouw, die haar man en haar kind

wachtte in de vertrouwelijke sfeer van het eigen huis. Zij zat er,

alsof ze van hem hield.

Er was een lichte klank van blijheid in zijn stem, toen hij wat

onnoozel vroeg: „Ben je niet gaan tennissen?”

Maar zij achtte de woorden niet, alleen den klank.

—Het leek me gezelliger, zei ze en ze durfde nog niet opzien, om samen

thee te drinken.

—Ja, zei hij en hij dacht, waarom weet ik nu niets beters te zeggen?

Maar de ontroering, die beefde in het simpele woord was haar niet

ontgaan en ze gevoelde zich zeer begenadigd.

De man keek naar zijn vrouw, die thee schonk. Hij vond haar gezicht

heel zacht, nu ze zoo toegewijd die kleine taak vervulde en hij

verheugde zich in haar jonge, zangerige stem, toen ze tot het kind zei:

„Je mag nog even opblijven en een kopje thee meedrinken. Ik heb je

kopje al meegebracht.”

En het kind met een stemmetje, hoog van opgewondenheid om al het

onverwachte van dezen vreemden avond, sprak in argelooze woorden uit,

wat de anderen nog niet durfden uitdenken: „Ik vind het ècht zoo

allemaal bij elkaar en dan die lamp aan. En dan nog thee.”

En terwijl ze al maar roerde, in het lauwe sopje, zei ze bedachtzaam,

als had ze een som op te lossen: „Een vader.... en een moeder.... en

een kind.... dat’s sámen drie.”

Tuintjes · 第 4 / 6 题