[1] Museum, Dec. 1908, kolom 107.
[2] Enkele zijn, in overeenstemming met de redactie, weggelaten daar
ze aanstoot zouden kunnen geven.
[3] De bekende schrijver van Utopia, even geleerd als rechtschapen,
geb. te Londen 1478, onthoofd 1535.
[4] Grieksch wijsgeer, geb. ongev. 480 v. Chr., die, volgens de
overlevering, lachend de aardsche zaken placht te beschouwen.
[5] Grieksch satiricus, geb. ongev. 125 na Chr.
[6] Publius Vergilius Maro, Romeinsch dichter, 70-19 v. Chr.
[7] Romeinsch dichter, 43 v. Chr.-17 na Chr.
[8] Onbeteekenend Grieksch schrijver, ± 400 v. Chr.
[9] Grieksch schrijver, 436-338 v. Chr.
[10] Mythisch koning van Egypte, om zijn wreedheid berucht.
[11] Personage, optredend in een werk van den Griekschen wijsgeer
Plato, 429-348 v. Chr.
[12] Grieksch schrijver, ± 130 na Chr.
[13] Wordt door Homerus als de leelijkste en onverdraaglijkste van
alle Grieken voor Troje geschilderd.
[14] Bisschop, ± 400 na Chr.
[15] Romeinsch wijsgeer, gest. 65 na Chr.
[16] Romeinsch keizer, regeerde 41-54 na Chr.
[17] Grieksch schrijver, ± 100 na Chr.
[18] Gryllus, in een varken herschapen, geeft de voorkeur aan zijn
nieuw bestaan als dier.
[19] Romeinsch schrijver, ± 150 na Chr. Die Ezelhistorie van Apuleius
is door Van Limburg Brouwer bewerkt in zijn geestig verhaal De
Ezel. Zie onze N. B. II.
[20] De naam is een klanknabootsing.
[21] Kerkvader, geb. 340 na Chr.; op zijn vertaling der Heilige
Schrift berust grootendeels de Vulgaat (Latijnsche bijbel).
[22] Erasmus schijnt hier te bedoelen, dat men, volgens sommigen,
zelfs niets mag afdoen aan de officieele titels (zooals "zeer geleerd,"
"wel eerwaard" enz.).
[23] Bekend Romeinsch satirendichter, ± 100 na Chr.
[24] Toovermiddel, dat alle leed deed vergeten.
[25] Orakel in Griekenland. Men geloofde, dat hij, die in dat hol
vol verschrikkingen afdaalde, nooit meer lachte.
[26] Koning Midas stelde het ruwe fluitspel van den god Pan boven het
citherspel van Apollo. Tot straf veranderde de laatste zijn ooren in
die van een ezel.
[27] Bij de Grieken een rondreizend, voor geld onderwijs gevend
geleerde. De sophist op het prentje zoekt voorzichtig zijn weg tusschen
doornen (= spitsvondigheden); vergel. begin v. hoofdst. LXIII.
[28] Natuurlijk in de ooren der Zotheid.
[29] Atheensch wetgever, ± 600 v. Chr.
[30] Tyran op Sicilië, om zijn wreedheid berucht, regeerde 568-549
v. Chr.
[31] Het deftige personage op het prentje (een raadsheer of iets
dergelijks) kan niet nalaten naar het aardige meisje om te kijken,
zoodat hij in een mand met koopwaar trapt.
[32] Hiermee worden natuurlijk de woorden "Moren, Sophen, Morosophen"
uit het vorige hoofdstuk bedoeld.
[33] Onderwereld of god van de onderwereld.
[34] Vader der voornaamste goden.
[35] Vader o.a. van den bekenden Prometheus.
[36] Rijkdom, dien o.a. de Atheensche blijspeldichter Aristophanes
(± 400 v. Chr.) als god ten tooneele voert.
[37] Gewoonlijk wordt Jupiter zoo genoemd.
[38] Naast Homerus de voornaamste epische dichter der Grieken, ±
800 v. Chr.
[39] Immers arme lieden zijn niet in staat goden tot een offermaal
uit te noodigen.
[40] Eiland tusschen Griekenland en Klein-Azië.
[41] Op Delos werden Apollo en Diana, uit de zee Venus geboren.
[42] Deze drie kruiden bezaten volgens de ouden heilzame kracht.
[43] Godenspijs.
[44] Jupiter wordt bedoeld, die gezoogd zou zijn door de geit Amalthea.
[45] Dronkenschap.
[46] Onwetendheid.
[47] Herdersgod met bokspooten, zinnelijk en boersch van karakter.
[48] De godin Pallas Athene zou uit het hoofd van Jupiter geboren zijn,
zie hoofdst. LIII op het eind.
[49] Soort van schild, dat Jupiter zwaait, als hij onweder wil
verwekken.
[50] Strenge wijsgeeren.
[51] Grieksch wijsgeer, geb. ± 580 v. Chr. Het getal 4 was volgens hem
de wortel en bron van alle dingen; zie A. Pierson, Hellas II, p. 7
"De dingen zijn niet eerst, zoodat het cijfer eenvoudig uitdrukt,
wat of hoe zij zijn; omgekeerd: het een of ander ontstaat, omdat het
cijfer, de orde, omdat de evenredigheid er is."
[52] Romeinsch dichter, 96-50 v. Chr.; begint zijn leerdicht over de
Natuur met de aanroeping van Venus, aan wie alles, wat op aarde leeft,
zijn ontstaan te danken heeft.
[53] "Wijs" is voor de Zotheid onwijs en omgekeerd.
[54] Grieksch treurspeldichter, 497-406 v. Chr.
[55] De rivier der vergetelheid, die in de onderwereld
stroomde. Volgens de Zotheid echter is daar slechts een kleine zijtak
te vinden.
[56] Romeinsch blijspeldichter, ± 200 v. Chr.
[57] Bij Homerus is Nestor het voorbeeld van een bezadigd grijsaard,
Achilles van een onstuimig jongeling.
[58] De dikzak op het prentje houdt een worst in de hand.
[59] Acarnanië, landschap in Griekenland; varken van Acarnanië,
spreekwoordelijk voor een mollig, verweekelijkt persoon.
[60] Een oud spreekwoord luidt:
"Hoe ouder, hoe zotter Brabander.
Hoe ouder, hoe botter Hollander."
De eerste regel komt al voor in den commentaar van Listrius, Erasmus'
tijdgenoot, die tevens verklaart, dat de Hollanders o.a. "wegens den
eenvoud van hun karakter" veelal dom werden genoemd.
[61] Tooverheksen en godinnen, die de menschen konden herscheppen
en verjongen.
[62] Wat Erasmus hiermee bedoelt, is niet duidelijk. Tithonus,
gemaal van Aurora, vader van Memnon, ontving op verzoek van zijn
vrouw het eeuwige leven, maar niet de eeuwige jeugd, zoodat hij geheel
ineenschrompelde en in een krekel veranderde.
[63] Grootste dichteres van Griekenland, ± 600 v. Chr.
[64] Zoo werd Bacchus op Sicilië genoemd.
[65] In het Grieksch "morussein."
[66] In een komedie van Aristophanes (zie hoofdst. VII) wordt Bacchus
op de meest belachelijke wijze voorgesteld.
[67] Bacchus' moeder stierf voor zijn geboorte, waarop Jupiter hem
in zijn dij borg.
[68] Door zijn vervaarlijk geschreeuw veroorzaakte Pan den zoogenaamden
"Panischen" schrik.
[69] De smid der goden.
[70] Het monsterachtige Medusahoofd, dat Pallas op haar borstharnas
draagt.
[71] De feesten ter eere van Flora waren berucht wegens hun
losbandigheid.
[72] Een schoon jager. Hij rustte in eeuwigen sluimer in een grot en
werd elken nacht door de Maangodin Diana bezocht.
[73] De bedilal onder de goden.
[74] De Verblinding, die in het ongeluk stort, zie hoofdst. XLVI.
[75] Vleierij, zie hoofdst. IX.
[76] God der vruchtbaarheid, wiens ruw bewerkt beeld, in uiterst
onwelvoegelijke houding, soms als vogelverschrikker dienst deed.
[77] Een dergelijke schildering wordt bij Homerus gevonden.
[78] Kaalhoofdig, dikbuikig mannetje, opvoeder v. Bacchus, in wiens
stoet hij dronken op zijn ezel meerijdt.
[79] Plompe, eenoogige reus, in de Grieksche litteratuur het type
van een onbehouwen sukkel.
[80] De god van het zwijgen.
[81] Spreekwoordelijk voor: iemand iets trachten te leeren, waarvoor
hij niet geschikt is.
[82] Bij de Grieksche feestmalen werd aan een der gasten een mirtentak
in de hand gegeven, die dan een liedje moest improviseeren. Daarna
ging de tak het heele gezelschap rond.
[83] Hiermee worden spitsvondige sluitredenen bedoeld. Als voorbeeld
diene de laatste (van "cornua" = "horens" afgeleid): "Wat ge niet
verloren hebt, hebt ge. Horens hebt ge niet verloren. Dus hebt
ge horens."
[84] Romeinsche vrouwennaam, voorkomend in een satire van Horatius,
waaraan Erasmus hier veel ontleent.
[85] De slang gold voor buitengewoon scherp van gezicht. In Epidaurus
had Aesculapius een beroemden tempel en de hem heilige slang werd
daar vereerd.
[86] Een bekend fabeltje uit de oudheid verhaalt, dat Jupiter ons
een knapzak gevuld met de ondeugden van anderen op de borst hing,
maar een met onze eigen ondeugden op den rug.
[87] Argus, de alziende, was over zijn geheele lichaam met oogen
bedekt.
[88] Het prentje schijnt een ekster voor te stellen, die den zwierig
uitgedosten bruidegom door het verklappen van het verleden van zijn
bruid juist niet zeer vroolijk stemt.
[89] Spreekwoordelijk voor: onnoozele hals.
[90] Nireus de schoonste, Thersites de leelijkste man van de Grieken
voor Troje.
[91] De schoone geliefde der dichteres Sappho.
[92] "Het zwijn onderwijst Minerva" spreekwoordelijk gebruikt,
wanneer iemand een ander, die hem in kennis verre overtreft, wijze
lessen wil geven.
[93] De Thraciërs en Scythen bewoonden koude, onherbergzame landen.
[94] "Met U, Megarensers, (bewoners van een kleine Grieksche stad)
wordt geen rekening gehouden" luidde een orakel, dat ten slotte
spreekwoord werd.
[95] Beroemd Atheensch redenaar, 385-322 v. Chr. Hij nam in 338 deel
aan den slag bij Chaeronea tegen Philippus van Macedonië en werd in
de algemeene vlucht meegesleept.
[96] Grieksch dichter, ± 700 v. Chr. Hij verhaalt in een van zijn
gedichten zelf, hoe hij in een gevecht zijn schild had weggeworpen,
wat voor een groote schande gold.
[97] De vader der wijsbegeerte. Leefde in Athene 469-399 v. Chr. Toen
het orakel v. Apollo hem den wijsten aller menschen genoemd had, kon
hij dit slechts in dezen zin verklaren, dat hij alleen zich bewust was,
dat hij eigenlijk niets wist.
[98] Socrates verbitterde zijn rechters door met wijsgeerige kalmte,
ofschoon de doodstraf tegen hem was geëischt, zijn verdiensten omtrent
zijn medeburgers uiteen te zetten. De dwaasheden, die hier over hem
verteld worden, zijn ontleend aan een blijspel van Aristophanes,
waarin een caricatuur van Socrates gegeven wordt.
[99] Hier volgt Erasmus een verhaaltje uit de oudheid, dat in hooge
mate onwaarschijnlijk is.
[100] Grieksch wijsgeer, ± 300 v. Chr.
[101] Het was een oud bijgeloof, dat de wolf door zijn blik iemand
sprakeloos kon maken.
[102] Zie Voorrede.
[103] Marcus Tullius Cicero, Rome's grootste redenaar, 106-43 v. Chr.
[104] Fabius Quintilianus, Romeinsch leeraar in de welsprekendheid,
± 75 na Chr.
[105] Cato de oudere, Romeinsch staatsman, 234-149 v. Chr., o.a. bekend
om de felheid, waarmee hij zijn politieke tegenstanders vervolgde. Zijn
achterkleinzoon, Cato de jongere, een edel maar kortzichtig en
onverzettelijk man, beproefde tevergeefs de Romeinsche republiek tegen
Caesar te verdedigen, die zich tot alleenheerscher wilde opwerpen.
[106] Hoofden der samenzweerders, die Caesar vermoordden 44 v. Chr.
[107] Tiberius en Gaius Gracchus trachtten de eerste 133, de tweede 123
v. Chr. de Romeinsche proletariërs weer tot eenigen welstand te brengen
ten koste van de rijken, wat beiden met hun leven moesten bekoopen.
[108] Demosthenes zette voortdurend de Atheners tegen Macedonië op,
maar het einde was, dat zij zich moesten onderwerpen. Ook Cicero heeft
door zijn ijveren tegen hen, die de Romeinsche republiek bedreigden,
juist den val daarvan verhaast.
[109] Keizer Marcus Aurelius Antoninus, "de wijsgeer" bijgenaamd,
regeerde 161-180 na Chr. Hoewel een uitstekend vorst, wijdde hij
zich toch bij voorkeur aan de philosophie. De regeering van zijn zoon
Commodus, 180-192, is berucht.
[110] Xanthippe, een onbeduidend vrouwtje.
[111] Cato de oudere, zooeven genoemd, staat ook als een streng
zedenmeester bekend.
[112] Spreekwoord, wanneer iemand plotseling verschijnt, over wien
juist wordt gesproken. De oorsprong van het gezegde staat niet vast.
[113] Het type van den menschenhater in de oudheid.
[114] Dit fabeltje wordt bij sommige oude dichters gevonden.
[115] Dezen konden door hun citherspel zelfs wilde dieren, boomen en
steenen in beweging brengen.
[116] In 494 v. Chr. weigerden de uitgeweken Plebejers naar Rome terug
te keeren. Zij zouden eerst van hun besluit zijn afgebracht door de
parabel van Menenius Agrippa, dat, toen eens de ledematen het werk
hadden gestaakt om niet altijd voor de niets uitvoerende maag te
arbeiden, het hééle lichaam daarvan de nadeelen had ondervonden.
[117] Themistocles, beroemd Atheensch staatsman, 526-461 v. Chr., zou
het volk, dat zich niet langer door zijn leiders wilde laten uitzuigen,
door het volgende verhaaltje gepaaid hebben: Een vos, die, in de modder
vastzittend, door hondenluizen werd geplaagd, verzocht een egel, die
ze wilde wegjagen, dit niet te doen: "Immers," zoo zeide hij, "voor
dezen, die nu verzadigd zijn, zullen uitgehongerde in de plaats komen."
[118] Sertorius, een Romeinsch veldheer, ± 80 v. Chr., maakte zijn
soldaten wijs, dat een hinde, door een godheid gezonden, hem geregeld
van alles op de hoogte hield.
[119] Lycurgus, de wetgever van Sparta of Lacedaemon, ± 800 v. Chr.,
bewees zijn landgenooten het nut van een goede opvoeding als volgt:
Twee honden uit hetzelfde nest bracht hij bij een haas en een schotel
met eten. De goed gedrilde vloog op de haas af, de ander op het eten.
[120] Sertorius heeft eens op de wijze, als hiernevens is afgebeeld,
het bewijs trachten te leveren, dat kalm beleid meer vermag dan
ruwe kracht.
[121] Een mythisch koning van Creta; om de negen jaar begaf hij zich
in een grot, waar, naar het heette, de oppergod Zeus zelf hem wijzen
raad gaf.
[122] Iets dergelijks wordt van Numa, den tweeden koning van Rome,
verteld. Zijn raadgeefster was de nymf Egeria.
[123] Horatius noemt het volk een veelhoofdig monster. Holbein heeft
het bovendien op een bol, drijvende in het water, geplaatst om de
onbestendigheid aan te duiden.
[124] Beroemd Grieksch wijsgeer, 384-322 v. Chr.
[125] Drie leden van het geslacht Decius, vader, zoon en kleinzoon,
wijdden zich achtereenvolgens ten doode, (340, 295, 279 v. Chr.) om
den Romeinen de overwinning te verzekeren.
[126] Romeinsch ridder, die zich als zoenoffer in een op de markt
te Rome gapende kolk stortte, toen die op geen andere wijze kon
worden gedempt.
[127] De Sirenen lokten door haar betooverend gezang de zeelieden
naar haar eiland, waar zij schipbreuk leden en omkwamen.
[128] Een Romeinsch keizer werd na zijn dood officieel onder de
goden opgenomen.
[129] Over Democritus zie Voorrede.
[130] In het "Gastmaal" van Plato vergelijkt de jonge, schitterende
Alcibiades den leelijken Socrates met kastjes, die van buiten den
vorm hadden van een neergehurkten, op de fluit blazenden Silenus
(zie hoofdst. XV), maar van binnen fraaie godenbeelden bevatten.
[131] Berg in Griekenland, woonplaats der Muzen.
[132] De wijzen namelijk.
[133] Over Seneca zie Voorrede.
[134] De Stoïcijnen.
[135] In een van zijn werken geeft Plato een schildering van den
ideaalstaat. Hij is ook de uitvinder van de leer der ideeën, de,
als werkelijk bestaand gedachte, eigenschappen der dingen.
[136] Spreekwoordelijk voor: een onbereikbaar luilekkerland.
[137] Versregel van Vergilius.
[138] Zie hoofdst. XIX.
[139] Volgens de Stoïcijnen verdient alleen de wijze in werkelijkheid
zoo genoemd te worden.
[140] Volgens een verhaaltje uit de oudheid zouden eens alle meisjes
van Milete (Grieksche stad op de W. kust van Klein-Azië) door een
krankzinnigen lust zijn bevangen om zich op te hangen.
[141] Grieksch wijsgeer, 404-323 v. Chr., bekend om zijn uiterst
geringe behoeften. De wijze, waarop hij zich van kant maakte, wordt
verschillend opgegeven.
[142] Grieksch wijsgeer, 396-314 v. Chr.
[143] Cato de jongere (zie hoofdst. XXIV) doorboorde zich met zijn
zwaard, daar hij zag, dat de Romeinsche republiek niet meer te redden
was, 46 v. Chr.
[144] Moordenaars van Caesar (zie hoofdst. XXIV) doodden zich kort
na elkaar 42 v. Chr., toen ze bij Philippi tweemaal waren verslagen.
[145] Een wijze Centaur (wezen half paard, half mensch). Hij koos
den dood, omdat hij leed aan een ongeneeslijke wond.
[146] Deze god zou de eerste menschen uit leem en water geschapen
hebben.
[147] Geliefde van Sappho, zie hoofdst. XIV.
[148] In een van Plato's geschriften komt het verhaaltje voor, hoe de
Egyptische god Theut de verschillende kunsten, die hij had uitgevonden,
waaronder ook het letterschrift, aan den koning van Egypte uiteenzette
en aanprees. Maar deze wilde van het letterschrift niets weten, omdat
het geheugen der menschen er door zou verminderen en zij waanwijs in
plaats van wijs zouden worden.
[149] Plato leidt ergens--trouwens geheel ten onrechte--het Grieksche
woord "daimoon" = "goddelijk wezen" van "daëmoon" = "wetende" af.
[150] In de grijze oudheid zou de gouden eeuw, een tijdperk van
eenvoud, vrede en geluk, geheerscht hebben en de aarde een paradijs
geweest zijn.
[151] Naam van de bewoners van Babylon, bekend als sterrenwichelaars,
en verder van alle sterrenwichelaars in het algemeen.
[152] Regel uit Homerus.
[153] Gedachte aan Plato ontleend.
[154] In een dialoog van Lucianus (zie Voorrede) vertelt een haan,
dat hij vroeger de beroemde wijsgeer Pythagoras (zie hoofdst. XI)
was en wat verder hier volgt. Pythagoras verkondigde de leer der
zielsverhuizing.
[155] De zooeven genoemde haan.
[156] Zie Voorrede.
[157] Paris Trojaansche koningszoon, Aiax en Achilles Grieksche
helden; geen van drieën wordt door Homerus als bijzonder scherpzinnig
geschilderd.
[158] Reuzen, die met boomstammen en rotsblokken de goden in den
hemel bestormden.
[159] De vorst op het prentje draagt de trekken van keizer Maximiliaan
I.
[160] In hetzelfde "Gastmaal," dat reeds hoofdst. XXIX is genoemd.
[161] Grieksch treurspeldichter, 480-406 v. Chr.
[162] Een satyr werd op een kouden dag door een boer gastvrij
opgenomen, maar ging vol schrik op den loop, toen hij zag, dat zijn
gastheer door blazen zoowel zijn handen trachtte te verwarmen als zijn
brei af te koelen. De beroemde schilder Jordaens heeft dit tafreeltje
niet minder dan twaalf maal op het doek gebracht.
[163] De Stoïcijnen, zoo genoemd naar de Stoa = zuilengaanderij,
waarin de stichter der school zijn colleges gaf.
[164] In het reeds eenige malen genoemde Gastmaal wordt inderdaad
gesproken van één Venus, godin der zinnelijke, en een tweede, godin der
reine liefde, en evenzoo van twee aan haar beantwoordende Cupido's. Het
"doorsnijden" en "doorhakken" is een aardigheid van Erasmus.
[165] Als Aeneas, de held van het voornaamste gedicht van Vergilius
(zie Voorrede), naar de onderwereld wil afdalen, waarschuwt hem de
Sibylle, een waarzegster, voor dat krankzinnige werk.
[166] Deze beschrijving van de wraakgodinnen en haar werken is
grootendeels ontleend aan de Aeneïs, het zoo juist genoemde heldendicht
van Vergilius.
[167] Vriend van Cicero. Een groote verzameling brieven door C. aan
hem gericht is bewaard, maar een uitlating, als Erasmus hier geeft,
komt er niet in voor.
[168] Stad in Griekenland.
[169] Deze heele historie is overgenomen uit een epistel van Horatius.
[170] Een plant, die volgens de ouden de kracht had waanzin te genezen.
[171] De bekende rijkaard der oudheid, regeerde 560-546 v. Chr.
[172] De vrouw van Odysseus (Ulixes), bij Homerus het toonbeeld van
echtelijke trouw.
[173] De volgelingen van Pythagoras (zie hoofdst. XI) namen vijf
elementen aan, aarde, vuur, lucht, water en aether. Deze laatste
grondstof, de quintessens = het vijfde zijnde, was de fijnste en
de zuiverste. Ook de alchimisten, over wie Erasmus hier handelt,
waren van het bestaan van dit vijfde element overtuigd en meenden,
dat het hun bij 't goudmaken groote diensten zou kunnen bewijzen.
[174] Een zeer gevaarlijke kaap aan de zuidkust van Griekenland;
vandaar het gezegde: "Als gij Malea omvaart, vergeet dan maar al wat
gij thuis hebt gelaten."
[175] Reus, die volgens de legende het Christuskindje over een
stroom droeg (Christophorus = Christusdrager) en onder zijn last
bezweek. Erasmus vergelijkt hem hier met Polyphemus (zie hoofdst. XV)
én wegens zijn kolossale gestalte én, omdat bij Vergilius Polyphemus
met een pijnboom in de hand door het water schrijdt, evenals
Christophorus op de meeste afbeeldingen.
[176] De heilige Barbara beschermt tegen het inslaan van den
bliksem. Onder haar bescherming staan ook de kanonnen, zoodat op de
Fransche oorlogsschepen de kruitkamer "Sainte Barbe" genoemd werd.
[177] Gewoonlijk wordt de heilige Erasmus door de Italiaansche
schippers aangeroepen, wanneer zich het zoogenaamde St. Elmusvuur
aan den mast vertoont.
[178] Hercules overwon evenals St. Joris een draak.
[179] De heilige Hippolytus werd ± 250 na Chr. door paarden ten
doode gesleept. Zijn naamgenoot uit de Grieksche mythologie kwam
op dergelijke wijze om. Zijn paarden, schichtig geworden door een
zeemonster, sloegen op hol, zoodat hij uit den wagen stortte en in
het tuig verward werd meegesleurd.
[180] Van St. Joris.
[181] De overdaad aan Goede Werken, die de Heiligen zich hadden
verworven zonder ze voor hun eigen zaligheid noodig te hebben,
vormde volgens Middeleeuwsche opvattingen een onuitputtelijken schat
van genade ten dienste der Kerk, waarvan de paus naar goeddunken ook
voor geld aan zondaars een gedeelte mocht afstaan. Zoo laat zich een
handel in aflaatbrieven verklaren, die in Erasmus' dagen op bijzonder
stuitende manier gedreven, aanleiding werd tot Luthers optreden.
[182] Erasmus zinspeelt hier op het volgende verhaaltje: Eens beroemde
zich de duivel erop tegenover den heiligen Bernard van Clairvaux
(gest. 1153), dat hij zeven verzen uit de psalmen Davids kende van zulk
een heiligen inhoud, dat ieder, die ze dagelijks opzei, vast en zeker
in den hemel kwam. Toen hij ze niet wilde vertellen, zei de heilige
Bernard: "Het doet er niet toe; ik zal dagelijks het heele boek der
psalmen lezen; daar moeten uw verzen toch instaan." Daarop maakte
de duivel zijn verzen bekend, omdat anders de heilige iets zou doen,
dat God nog meer welgevallig was.
[183] die hem had trachten te vergiftigen.
[184] Regels, met eenige wijziging ontleend aan de Aeneïs van
Vergilius.
[185] Overheidspersonen te Rome o. a. belast met het geven van
spelen. Hoewel zij daarvoor een toelage van den staat genoten, plachten
zij toch op eigen kosten aan die spelen zooveel mogelijk luister bij
te zetten om de gunst van het volk te winnen en zoo later tot hooger
ambten te worden gekozen.
[186] Zie hoofdstuk XXXVIII.
[187] Romeinsche vrijheidsheld, die ± 510 v Chr. de koningen verdreef.
[188] Sterrenbeeld; eigenlijk: hoeder van den grooten Beer.
[189] Zie hoofdstuk XXII.
[190] Beroemd wiskunstenaar; leefde te Alexandrië ± 300 v. Chr.
[191] Door Horatius als voortreffelijk zanger geroemd.
[192] Zie Voorrede.
[193] Erasmus bedoelt de geleerden werkzaam aan de Parijsche
universiteit, de Sorbonne.
[194] Het prentje stelt waarschijnlijk Mozes voor met de tafelen
der wet.
[195] "De eene muilezel krabt den anderen," spreekwoord uit de oudheid
= "Men zingt elkaar's lof, als niemand anders het doet."
[196] Wijsgeeren uit de school van Plato (zie Voorrede), die in de
Academie, een park bij Athene, zijn voordrachten placht te houden.
[197] Zie over deze heiligen hoofdst. XL.
[198] Beroemde schilders uit de oudheid, de eerste ± 330, de tweede ±
400 v. Chr. Het prentje stelt waarschijnlijk Apelles voor, werkende aan
zijn meesterstuk, de godin Venus, die opduikt uit de zee. Men meent,
dat Holbein hier zijn eigen portret heeft gegeven.
[199] Volgens Listrius bedoelt Erasmus hier een zekeren Morus (Moria
= Zotheid).
[200] Om duidelijk te maken, dat de menschen op aarde gewoonlijk niet
tot werkelijk inzicht doordringen, bedient Plato zich van een beroemde
gelijkenis: Eenige lieden brengen hun leven door in een grot, die een
wijde opening heeft. Zij zijn stevig vastgebonden, zóó, dat ze altijd
naar den achterwand van het hol moeten kijken. Voor de opening van de
grot brandt een groot vuur. Tusschen het vuur en de geboeide menschen
is een manshooge muur aangebracht, waarlangs zich (aan den kant van
het vuur) lieden voortbewegen, die op het hoofd allerlei voorwerpen,
beelden van menschen en dieren, dragen, zoodat ze boven het muurtje
uitsteken en dus hun schaduwbeelden op den achterwand van de grot
vallen. De gebonden lieden houden dan natuurlijk die schaduwen voor
werkelijkheid. Als nu ook nog de dragers zich met elkaar onderhouden en
de achterwand van de grot hun woorden weerkaatst, meenen ze bovendien,
dat de schaduwbeelden spreken en laten zich dus volkomen door den
schijn bedriegen.
[201] In den in hoofdst. XXXVI (einde) bedoelden dialoog van Lucianus
verwijt de schoenmaker Mycillus zijn haan, dat hij hem door zijn
kraaien heeft wakker gemaakt.
[202] De bekende zeven wijzen van Griekenland, beroemde staatslieden,
± 600 v. Chr.
[203] Witte paarden golden voor snel.
[204] De gave van Bacchus.
[205] Aan Hercules dankte men buitenkansjes.
[206] De priesteres van Apollo placht zittend op een drievoet orakels
te geven.
[207] Jupiter.
[208] Apollo.
[209] Romeinsche god, wien men een verderfelijken invloed toeschreef.
[210] God van de onderwereld.
[211] De Verblinding, die in het ongeluk stort (zie
hoofdst. XV). Holbein illustreert hier den commentaar van Listrius,
waarin verteld wordt, hoe, volgens Homerus, Zeus Ate bij de haren
greep en uit den hemel slingerde.
[212] Straffende Gerechtigheid.
[213] Koorts.
[214] Erasmus denkt hier aan de godin der Tweedracht, die, niet op de
bruiloft van Peleus en Thetis (ouders van Achilles) genoodigd, om zich
te wreken een gouden appel met het opschrift "Voor de schoonste vrouw"
onder de gasten wierp, waarover een twist ontstond tusschen Juno,
Minerva en Venus. Ook zou Diana eens, toen aan haar niet geofferd was,
een geweldig everzwijn gezonden hebben om het land te verwoesten.
[215] Menschenoffers werden Diana in de Krim gebracht.
[216] De Zotheid schijnt hier uit naam van alle heiligen en goden
te spreken.
[217] Stad in Griekenland.
[218] Stad aan de zee van Marmora. Over Priapus zie hoofdst. XV.
[219] Over Democritus zie Voorrede.
[220] Zie hoofdst. XIX.
[221] De leerlingen van Pythagoras (zie hoofdst. XI) vormden een
soort van broederschap, die in gemeenschap van goederen leefde.
[222] Ligt begraven te Compostella in Spanje.
[223] Lucianus (reeds meermalen genoemd) laat in een van zijn
geschriften den satyricus Menippus een reis naar den hemel ondernemen,
waarbij hij o.a. op de maan aanlandt. Hij beschrijft dan, wat hij
van daaruit al zoo op aarde ziet gebeuren.
[224] Welk spreekwoord E. hier bedoelt, is niet duidelijk. Zeker
is het, dat hij zinspeelt op de roede, die de schoolvorsten als
scepter dragen.
[225] De bewoners van Cyme, Grieksche stad in Klein-Azië, waren
berucht om hun domheid. Zoo zouden zij zich eens door een ezel,
vermomd in een leeuwenhuid, langen tijd hebben laten tiranniseeren.
[226] Zie hoofdst. III.
[227] Bekend tiran op Sicilië, 406-367 v. Chr.
[228] Palaemon en Donatus waren beroemde taalgeleerden te Rome;
de eerste leefde in de eerste, de tweede in de vierde eeuw na Chr.
[229] Vader van Aeneas (zie hoofdst. XXXVIII).
[230] Hierop volgen in den Latijnschen tekst eenige zeer ongewone
woorden voor koeherder, dwarsdrijver en beurzensnijder.
[231] Spreekwoordelijk voor: een groot succes.
[232] Zie Voorrede.
[233] Of E. hier een bepaalden persoon op het oog heeft, is onmogelijk
te zeggen.
[234] Beroemd boekdrukker en geleerde te Venetië, bij wien Erasmus
gedurende zijn verblijf in die stad gastvrijheid genoot (1508). Hij
schijnt deze hatelijkheid aan zijn adres niet kwalijk te hebben
genomen, daar hij Erasmus heeft aangeboden een uitgaaf van "De Lof
der Zotheid" te drukken.
[235] Bij de ouden spreekwoordelijk voor: de gelukkigste der
stervelingen.
[236] Horatius o.a. zegt: Schilders en dichters heeft het altijd
gelijkelijk vrijgestaan te ondernemen wat zij maar wilden, hoe gewaagd
het ook was.
[237] Zie hoofdst. IX.
[238] Zoo o.a. Cicero in een van zijn werken over de theorie van
de redekunst.
[239] Dateert waarschijnlijk uit de 1e eeuw voor Chr. Wie de schrijver
is geweest, blijft onzeker.
[240] Zie hoofdst. XXIV.
[241] Een der beide gedichten van Homerus, dat 24 zangen
telt. Spreekwoordelijk voor: een lang gedicht.
[242] Persius wordt door Cicero in het zooeven genoemde werk aangehaald
als een bijzonder geleerd en streng kunstrechter, Laelius als een
kundig en eerlijk beoordeelaar.
[243] Horatius geeft den dichters den raad negen jaar te wachten met
het uitgeven van hun werk, opdat zij wat hun achteraf minder goed
schijnt, weer kunnen vernietigen.
[244] = kamergeleerden.
[245] Elk fatsoenlijk Romein had drie namen.
[246] Zoon van Odysseus.
[247] Held uit de Ilias van Homerus.
[248] Vader van Odysseus.
[249] Zie Voorrede.
[250] Sophist (zie hoofdst. II), tijdgenoot van Socrates.
[251] Met het laatste bedoelt E. de letters, waarmee vooral in
de Wiskunde gewerkt wordt; Kameleon spreekwoordelijk voor: een
veranderlijk persoon, pompoenkop wordt bij Apuleius (zie Voorrede)
voor domkop gebruikt.
[252] Grieksche dichters, de eerste ± 600 v. Chr., de tweede ± 250
v. Chr.
[253] Cicero.
[254] Regel uit de Aeneïs van Vergilius.
[255] Twee beroemde Romeinsche veldheeren, de eerste ± 200, de tweede ±
150 v. Chr.
[256] Spreekwoordelijk voor: vergeefschen arbeid verrichten, immers
Sisyphus trachtte in de onderwereld een steen over den rand van een
berg te wentelen, maar telkens als hij bijna zijn doel bereikt had,
rolde de steen weer naar beneden en moest hij opnieuw beginnen.
[257] Zie hoofdst. II.
[258] Beroemd orakel in Griekenland. Wat met die bekkens bedoeld
wordt, staat niet vast; zooveel is zeker, dat "bekken van Dodona"
spreekwoordelijk was voor: een lastige babbelaar.
[259] Volgens Homerus met een koperen stem, gelijk aan die van vijftig
mannen, begaafd.
[260] Zoo noemt Homerus de afgestorvenen, die als schaduwen zonder
bewustzijn rondzwerven.
[261] Het is niet mogelijk in een kort bestek de verklaring te geven
van de hier door E. bespotte termen der Middeleeuwsche Scholastiek. Men
raadplege bijv. R. Casimir, Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het
menschelijk denken W. B. Nº 78/80, Deel I, § 31.
[262] Held uit de Grieksche Mythologie, wiens oogen door aarde en
steenen heen konden zien.
[263] Paulus' tweede brief a. d. Cor. XII, 2.
[264] Venus placht haar man, Vulcanus, met Mars te bedriegen. Vulcanus
smeedde daarop een onverbreekbaar ijzeren net, zoo fijn als spinrag,
ving daarin de beide geliefden en riep toen alle goden om van hun
schande getuige te zijn.
[265] Spreekwoordelijk voor: aan een geschil kort een einde maken. Te
Tenedos, een eiland dicht bij Troje voor de straat der Dardanellen
gelegen, werd volgens de overlevering hij, die door het gerecht
schuldig was bevonden, terstond met een bijl gedood.
[266] De bedoeling is: het brood en de wijn behouden hun kleur,
reuk, smaak, kunnen voeden en bedwelmen en zijn toch, als ze door
den priester zijn gewijd, in werkelijkheid het vleesch en bloed
van Christus.
[267] Zie hoofdst. XI.
[268] De Realisten en de Nominalisten vertegenwoordigen de
hoofdstroomingen in de Middeleeuwsche Scholastiek. De eersten
beweerden, dat de begrippen in werkelijkheid (als "realia") bestonden
en zich in de voor onze zintuigen waarneembare dingen openbaarden,
zoo bijv. het begrip "mensch" in de verschillende individuën; de
nominalisten erkenden alleen de dingen als werkelijk bestaande. Aan
verschillende overeenkomstige dingen geeft men echter eenzelfden
naam ("nomen") en die naam is het begrip. Thomisten, Albertisten,
Occamisten en Scotisten zijn de volgelingen van de grootste mannen der
scholastieke wijsbegeerte: Thomas van Aquino, 1225-1274, in 1323 heilig
verklaard,--Albertus Magnus, 1193-1280, diens leermeester,--William
van Occam gest. 1347 en zijn leermeester Johannes Duns Scotus, ±
1270-1308. Zie verder het boven aangehaalde boek van R. Casimir.
[269] Brief aan de Hebreën XI, 1.
[270] Het beroemde hoofdstuk over de christelijke liefde, dat begint:
"Al ware het, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak,
en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende
schel geworden."
[271] Overgang van brood en wijn bij het Avondmaal in het vleesch en
bloed van Christus.
[272] Dit is een hatelijkheid tegen de volgelingen van Scotus, die
leerden, dat het voldoende was in staat te zijn juiste onderscheidingen
te maken, terwijl nauwkeurige kennis van zaken niet beslist noodig was.
[273] Elke zaak wordt door deze vier dingen bepaald, zoo leert de
Scholastiek.
[274] Van de zeven Sacramenten der Katholieke kerk wordt aan die,
welke niet herhaald kunnen worden, zooals den doop, de bevestiging
en de priesterwijding een onuitwischbaar karakter toegekend.
[275] Evang. Johannes IV, 24.
[276] De Katholieke kerk kent verschillende soorten van genade.
Met de eerste hier genoemde soort wordt bijv. de genade bedoeld
om wonderen te verrichten.
[277] De leer van het werk op zich zelf beschouwd (zoogen. opus
operatum) werd door de Scholastiek vooral op de Sacramenten toegepast;
zulk een Sacrament werkt door zijn eigen, innerlijke kracht,
niet door de heiligheid van dengene, die het toedient of ontvangt.
[278] In de brieven aan Timotheus en Titus.
[279] Chrysippus, Stoïcijnsch wijsgeer, 282-208 v. Chr., beroemd
om zijn scherpzinnigheid.
[280] Joannes bijgenaamd Chrysostomus (= Guldenmond), 344-407,
aartsbisschop van Constantinopel, beroemd kerkvader.
[281] De heilige Basilius, 330-379, bisschop van Caesarea in
Klein-Azië,
wordt vooral vereerd door de Grieksch-Katholieken.
[282] Zie Voorrede.
[283] In de Odyssea verhaalt Homerus, hoe Penelope, de vrouw
van Odysseus, tijdens de langdurige afwezigheid van haar gemaal
door een menigte vrijers werd lastig gevallen. Zij beloofde een van hen
te zullen trouwen, zoodra zij een lijkkleed voor haar schoonvader
Laërtes zou hebben voltooid. 's Nachts echter rafelde zij alles
weer uit,
wat zij overdag had geweven.
[284] Wetgever te Athene, ± 600 v. Chr.
[285] De beroemde kerkvader, 354-430, bisschop van Hippo Regius
in Africa.
[286] Thomas van Aquino, zie boven.
[287] Naam in de middeleeuwen aan hen gegeven, die, na alle examens
te hebben afgelegd, het recht hadden verworven aan de Universiteiten
voorlezingen te houden.
[288] Het punt in kwestie, waarover, volgens Listrius, Oxfordsche
geleerden twistten, is niet volkomen helder. Het schijnt wel, dat
het eenvoudig het verschil in beteekenis tusschen de tweede en derde
persoon van het werkwoord is.--Eenige woorden zijn in de vertaling
weggelaten, waarvan de bedoeling niet duidelijk is en die tot het
zinsverband niets afdoen.
[289] De ouden namen oorspronkelijk zeven hemelkringen aan, waarbij
later nog drie gevoegd werden. In den tienden, het zoogenaamde
"Empyreum" (= vuurhemel) woonden de heiligen, zie het laatste prentje
(waar echter de hemel maar in negen kringen is verdeeld).
[290] Jupiter verslond zijn gemalin Metis, terwijl ze zwanger was
van Pallas Athene. Deze sprong daarna in volle wapenrusting uit zijn
hoofd te voorschijn, nadat Vulcanus het met zijn bijl had gekloofd.
[291] Wellicht heeft E. hier de met banden versierde baret op het oog,
die de doctors plachten te dragen.
[292] = Onze Meester.
[293] Jahweh, = God, wordt in het Hebreeuwsch enkel door de vier
medeklinkers uitgedrukt. De naam is zoo heilig, dat geen Jood hem
mag uitspreken.
[294] Het Grieksche woord "monachos" beteekent eigenlijk "alleen
levend."
[295] Naar de heilige Colette (geb. te Corbie in Frankrijk), die in
1425 de orde oprichtte.
[296] Orde gesticht door den heiligen Franciscus van Assisi
(1182-1226).
[297] Franciscus van Paula in Zuid-Italië (1416-1507) gaf uit
nederigheid aan de door hem gestichte orde dezen naam om haar van de
Minderbroeders te onderscheiden.
[298] Naam, vaak aan de Minderbroeders gegeven.
[299] Naar den heiligen Benedictus van Nursia (480-553).
[300] Naar den heiligen Bernard van Clairvaux, zie hoofdst. XL.
[301] De heilige Bridget (± 500), uit Ierland afkomstig, stichtte een
orde, welke veel verward wordt met die door Brigitta, een Noorweegsche
heilige (1302-1373), opgericht.
[302] Over den heiligen Augustinus zie boven.
[303] Naar Willem, een heiligen kluizenaar uit de omstreken van Siena
in Italië, gestorven 1157.
[304] Dominicaner monniken, zoo genoemd naar hun klooster te Parijs,
dat aan den heiligen Jacobus was gewijd.
[305] Vleesch heeft hij zorgvuldig vermeden.
[306] De godsdienst der monniken gaat evenals die der Joden op in
uiterlijkheden en vormen, zoo althans de verklaring van Listrius.
[307] Een zekere Basilides, die ± 130 na Chr. te Alexandrië leefde,
leerde, dat er 365 hemels en evenveel soorten van geesten bestonden. De
letters van het woord "Abraxas" vormen te zamen dat getal, wanneer
men de cijfers, die ze in het Grieksch voorstellen, bij elkaar optelt.
[308] Erasmus denkt hier aan Aeneas, die, volgens Vergilius, op zijn
tocht naar de onderwereld den driekoppigen helhond Cerberus een koek
met een slaapmiddel toewerpt. Holbein heeft Aeneas in het costuum
van een landsknecht gestoken.
[309] In de apocryphe boeken van den bijbel genoemd.
[310] Het begin, midden en einde.
[311] Het Engelsche sin.
[312] Niobe, trotsch op haar veertien kinderen, trachtte te beletten,
dat aan Latona, wier eenige kinderen Apollo en Artemis waren,
goddelijke eer werd bewezen. Om haar te straffen doodde Apollo haar
zoons en Artemis haar dochters. Niobe zelf verstijfde van wanhoop en
veranderde in een steen.
[313] In een satire van Horatius vertelt een beeld van Priapus (zie
hoofdst. XV), hoe hij twee tooverheksen uit den tuin, die onder zijn
bescherming stond, verjoeg door het maken van een hoogst onfatsoenlijk
geluid.
[314] Van Vergilius.
[315] In de eerste plaats roepen zij de hulp van boven in, in de
tweede plaats komt de inleiding, zie boven.
[316] Hiermee worden de voormannen der Scholastiek bedoeld.
[317] Syllogismus = sluitrede, maior = de eerste, minor = de tweede
term daarvan; zie hoofdst. XIX.
[318] Corollarium = gevolgtrekking.
[319] De Dominikaner monnik Vincent van Beauvais, ± 1250, compileerde
het zoogenaamde Speculum quadruplex, d. w. z. den vierdubbelen spiegel,
een werk, waarin al de wetenschap van zijn tijd was samengevat. Het
derde deel is het hier aangehaalde Speculum historiale.
[320] Vertaling van Gesta Romanorum (Jeesten is een Middelnederlandsche
verbastering van Gesta = Daden), een geschiedwerk, dat ± 1300 in
Engeland schijnt ontstaan te zijn.
[321] Horatius vergelijkt op de door E. bedoelde plaats een gedicht,
dat geen samenhangend geheel vormt, bij een monster met een vrouwenkop
op een paardennek, ledematen aan verschillende dieren ontleend, een
met veeren bedekt lichaam en een visschenstaart (zie prentje). Ook
de Chimaera was, volgens Homerus, van voren een leeuw, van achteren
een slang en in het midden een geit.
[322] Zie hoofdst. XXXVIII.
[323] Venus wordt aangeroepen als de godin van al wat passend en
bevallig is.
[324] Zie hoofdst. XXV.
[325] De heilige Antonius van Padua (gest. 1231), om zijn
welsprekendheid beroemd.
[326] Het is niet volkomen duidelijk, wat E. hiermee bedoelt,
vergel. echter hoofdst. L.
[327] De zin van deze laatste woorden is niet recht helder; Listrius
teekent aan, dat het de eigenschap van de Echo is om steeds het
laatste weer te herhalen. E. citeert een paar woorden van een plaats
uit Horatius, waar de Phaeaciërs (een volk, waar Odysseus op zijn
zwerftochten aanlandde) en de vrijers van Penelope (zie hoofdst. LIII)
genoemd worden als voorbeelden van verwijfde slempers.
[328] In de bergrede (Matth. V-13): Gij zijt het zout der aarde.
[329] Ambtenaren belast met het onderzoek naar misdrijven. Ook werd
dezelfde titel aan hen gegeven, die, zoo dikwijls er sprake was van
een heiligverklaring, alles, wat daartegen pleitte, moesten aanvoeren.
[330] Brief a/d. Romeinen hoofdst. XVI-18; eigenlijk staat daar in
de Vulgaat (Latijnsche bijbel): "zoete praatjes en zegeningen."
[331] Aggravatie = excommunicatie (de uitsluiting van het avondmaal of
zelfs van alle kerkelijke gemeenschap); redaggravatie = de herhaling
daarvan.
[332] De onderwereld bij de ouden.
[333] Matth. XIX-27.
[334] Zoo Vergilius in de Aeneïs.
[335] Julius II, die in 1503 zestig jaar oud tot paus gekozen werd,
voerde gedurende zijn tienjarige regeering onafgebroken oorlog. Hij
ontzag zich zelfs niet de hulp der Turken tegen de Franschen in
te roepen.
[336] Natuurlijk die wetten, krachtens welke de geestelijken recht
hebben op allerlei inkomsten.
[337] Geestelijken of leeken, die volgens een vasten, godsdienstigen
regel leven.
[338] De regels van deze orde (in 1084 gesticht) zijn uiterst
streng. Het vleescheten en spreken is bijv. den monniken verboden.
[339] Prijzen, natuurlijk in den zin der Zotheid, door allerlei
verkeerds van iemand te vertellen.
[340] Eigenlijk de godin der wrekende gerechtigheid; Erasmus bedoelt
hier echter de Geluksgodin Fortuna en zoo heeft Holbein ze ook
afgebeeld, staande op een in het water drijvende bol, met de haren
naar voren gekamd volgens het Latijnsche spreekwoord: "De gelegenheid
heeft van voren lang, van achteren kort haar."
[341] Atheensch veldheer, ±375 v. Chr., om zijn succes in den oorlog
"het gelukskind" bijgenaamd.
[342] Een vliegende uil--deze vogel was de godin Athene heilig--gold
bij de Atheners voor een gunstig voorteeken in het gevecht. Later
werd het spreekwoord ook gebruikt bij onverwachte buitenkansjes.
[343] Hercules, wien een uiterst moeitevol leven wachtte, zou bij
deze gestalte der maan geboren zijn.
[344] In de oudheid was een verhaaltje in omloop over
een ongelukspaard, dat oorspronkelijk aan een zekeren Seius
toebehoorde. Deze stierf een rampzaligen dood en evenzoo allen, in
wier bezit het achtereenvolgens kwam. Een dergelijk lot trof hen, die
het goud, door de Romeinen bij de inneming van Toulouse buitgemaakt,
aanraakten.
[345] De "Adagia," een verzameling van meer dan vierduizend Grieksche
en Latijnsche spreekwoorden, een der meest beroemde werken van Erasmus.
[346] Regel uit de zoogenaamde Disticha Catonis, zedespreuken in
versmaat, die gedurende de Middeleeuwen zeer verbreid waren.
[347] Zóó betitelt Horatius schertsend zichzelf in een van zijn
gedichten. De volgelingen van Epicurus (342-271 v. Chr.), die leerde,
dat genot het hoogste goed was, werden door wijsgeeren van strengere
richting voor varkens uitgescholden.
[348] Inderdaad wordt Telemachus (de zoon van Odysseus) slechts een
paar keer zoo genoemd, en dan nog alleen als zeer jong kind.
[349] Aanhaling uit Horatius.
[350] Zie hoofdst. XXX.
[351] De Sorbonne (zie hoofdst. XLIII) was langen tijd een bolwerk der
Scholastiek, die voor Erasmus als het ware in Duns Scotus is belichaamd
(zie hoofdst. LIII). Het prentje stelt den geest van Scotus voor in
de gedaante van een kind met stekels op den rug en monnikstonsuur,
dat de Zotheid in den mond vliegt. Holbein heeft zich daarbij nog
een uiterst platte aardigheid veroorloofd.
[352] Zie hoofdst. XV. Er bestaat in de Latijnsche litteratuur
een verzameling korte gedichtjes, waarin Priapus sprekend wordt
ingevoerd. In een daarvan vertelt hij het bovenstaande.
[353] Zie hoofdst. XXXIV.
[354] Vers 15 in de Vulgaat. In de Nederlandsche bijbelvertaling
wordt de regel niet gevonden.
[355] Vers 14.
[356] X, vers 7 en 12.
[357] IX, vers 23.
[358] I, vers 3 en XII, vers 8.
[359] Zie einde van het vorige hoofdst.
[360] Jezus Sirach XXVII, vers 12.
[361] Matth. XIX, vers 17.
[362] Spreuken, vers 21.
[363] Prediker I, vers 18.
[364] Vers 4.
[365] Vers 17.
[366] Matth. XIX, vers 30: Maar vele eersten zullen de laatsten zijn
en vele laatsten de eersten.
[367] Jezus Sirach.
[368] Moet zijn: 41ste hoofdstuk (vers 15).
[369] Socrates placht zijn vragen zoo in te richten, dat zijn
tegenstander eerst moest erkennen, dat hij in allerlei bijzondere
gevallen gelijk had, en dan ten slotte wel moest toegeven, dat zijn
stelling ook in het algemeen gold (inductie).
[370] Hoe dit spreekwoord verder dient te worden aangevuld, is moeilijk
te zeggen. Het schijnt te beteekenen, dat men waardelooze voorwerpen
als het ware voor het grijpen laat staan.
[371] Voor de scholastieke geleerden was Aristoteles de wijsgeer
bij uitnemendheid.
[372] Jezus Sirach.
[373] Vers 3; in de Nederl. bijbelvertaling luidt het eenigszins
anders.
[374] Vers 2.
[375] II, hoofdst. 11, vers 23.
[376] Ook hier verschilt de Ned. bijbelvertaling.
[377] Het Latijnsche woord "Graeculus" is hier door E. gebruikt,
omdat het lijkt op "graculus" = kraai, zie onder.
[378] De kwestie is dus deze, of: meer ben ik, hoort bij: Als een
dwaas spreek ik, dan wel bij: Zij zijn dienaars van Christus.
[379] Grieksch, Latijn en Hebreeuwsch. Zij, die die drie talen
verstaan, zijn de humanisten, Erasmus en zijn geestverwanten.
[380] Zie noot 371.
[381] Over het hier bedoelde spreekwoord zie hoofdst. XXV. De beroemde
theoloog is Nicolaus de Lyra (Lyra, een stad in Normandië), professor
in de Godgeleerdheid te Parijs, waar hij 1340 stierf.
[382] Volgens Listrius parodieert E. hier de Godgeleerden, die plachten
te spreken van: woorden in den vorm. Schertsend voegt hij er dan het
volgende aan toe.
[383] Vergel. Brief a/d. Cor. II hoofdst. 11, vers 5: Want ik acht,
dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen,
en vers 13: Want zulke valsche apostelen zijn bedriegelijke arbeiders,
zich veranderende in apostelen van Christus.
[384] Zoo staat er letterlijk in het Latijn. E. heeft zich hier echter
slordig en onnauwkeurig uitgedrukt. De woorden zijn eenvoudig uit
hun verband gerukt en in een anderen zin gebruikt, dan oorspronkelijk
bedoeld was.
[385] Zie Voorrede; hij verstond Grieksch, Latijn, Hebreeuwsch,
Chaldeeuwsch en Dalmatisch.
[386] Handelingen XVII, vers 23.
[387] Navolging van Homerus, die spreekt van "zonen der Achaeërs"
in plaats van "Achaeërs"; of van het "zonen der profeten", dat
herhaaldelijk in den Bijbel (II Koningen II) voorkomt.
[388] Ook hier heeft E. weer Nicolaus de Lyra op het oog (door Holbein
afgebeeld, terwijl hij bezig is psalmen "herunter zu leiern.") Voor
het spreekwoord zie noot 375.
[389] Christus is op het punt te worden gevangen genomen. Zie verder
Lukas XXII, vers 35 en 36.
[390] = Knapzak.
[391] Matth. V, vers 10 en 11.
[392] Matth. V, vers 39.
[393] Matth. V, vers 4.
[394] Matth. X, vers 31 en VI, vers 28; Lukas XII, vers 7 en 27.
[395] Christus.
[396] Matth. XXVI, vers 52; Johannes XVIII, vers 11.
[397] Volgens Listrius een zekere Jordanes; waarschijnlijk een
Augustijnermonnik uit het midden der veertiende eeuw.
[398] III, vers 7; de Ned. bijbelvertaling verschilt. Het Latijnsche
woord "pelles" beteekent eigenlijk "vellen," maar ook "tenten,"
wat natuurlijk hier de juiste vertaling zou zijn.
[399] Een der apostelen, die in Indië den marteldood zou zijn
gestorven.
[400] Brief aan Titus III, vers 10. De woorden snijd.....af
zijn geen letterlijke vertaling, maar alleen gebruikt wegens hun
dubbelzinnigheid.
[401] Exodus XXII, vers 18; de Ned. bijbelvertaling verschilt.
[402] Over Chrysippus zie hoofdst. LIII; Didymus, Alexandrijnsch
geleerde uit de eerste eeuw voor Chr. De eerste zou 700, de tweede
niet minder dan 3500 boeken geschreven hebben.
[403] Tweede brief aan de Corinthiërs XI, vers 19.
[404] Vers 16 en 17.
[405] Eerste brief aan de Corinthiërs IV, vers 10.
[406] Eerste brief aan de Corinthiërs III, vers 18.
[407] XXIV, vers 25.
[408] Eerste brief aan de Corinthiërs, vers 25.
[409] Kerkvader, geb. 185 na Chr. te Alexandrië, gest. 254; heeft
werken geschreven tot uitlegging van den Bijbel.
[410] Eerste brief aan de Corinthiërs I, vers 18.
[411] LXIX, vers 6.
[412] Dit verhaalt Plutarchus (zie Voorrede) in zijn leven van
Caesar. Brutus en Cassius waren de hoofden van het komplot om Caesar
te vermoorden; Antonius was zijn vriend en handlanger. Shakespeare
put ook uit Plutarchus, als hij Caesar laat zeggen (Julius Caesar,
Act. I sc. 2):
Laat welgedane mannen om mij zijn,
Met gladde haren, en die 's nachts goed slapen.
Die Cassius ziet er schraal en hongerig uit;
Hij denkt te veel; die mannen zijn gevaarlijk.
Het prentje stelt waarschijnlijk Caesar voor, die den welgedanen,
vroolijken Antonius wijst op den ruigen, norschen Brutus.
[413] De Romeinsche keizer Nero (54-68 na Chr.) dwong den wijsgeer
Seneca (zie Voorrede), zijn opvoeder, zichzelf van kant te maken,
daar hij hem er van verdacht aan een samenzwering tegen zijn leven
te hebben deelgenomen.
[414] Dionysius, tyran van Syracuse (406-367 v. Chr.), noodigde
den wijsgeer Plato aan zijn hof. Deze haalde zich echter door zijn
vrijmoedigheid den haat van den tyran op den hals, zoodat hij hem
zelfs, volgens het verhaal, als slaaf liet verkoopen.
[415] Eerste brief aan de Cor. I, vers 27.
[416] Bedoeld schijnt vers 21 van hetzelfde hoofdstuk, ofschoon de
tekst niet weinig verschilt.
[417] Eerste brief aan de Cor. 1, vers 19; vergel. Jesaja XXIX,
vers 14.
[418] Matth. XI, vers 25; Lukas X, vers 21.
[419] Matth. XXIII, vers 13-15, 23, 25, 27; Lukas XI, vers 42, 43.
[420] Matth. XXI, vers 2.
[421] Johannes X, vers 1-28.
[422] Schreef o.a. een Geschiedenis der dieren.
[423] Johannes I, vers 29 en 36. Natuurlijk wordt Johannes de Dooper
bedoeld.
[424] Hoofdstuk V-VII.
[425] Eerste brief aan de Cor. I, vers 24.
[426] Brief aan de Filippensen II, vers 8.
[427] Tweede brief aan de Cor. V, vers 21.
[428] Eerste brief aan de Cor. I, vers 21 (waar echter staat: de
dwaasheid der prediking).
[429] Matth. XVIII, vers 3; Marcus X, vers 15; Lukas XVIII, vers 17.
[430] Matth. VI, vers 28; Lukas XII, vers 27.
[431] Matth. XIII, vers 31; Marcus IV, vers 31; Lukas XIII, vers 19.
[432] Matth. X, vers 31; Lukas XII, vers 7.
[433] Matth. X, vers 19; Marcus XIII, vers 11; Lukas XII, vers 11 en
XXI, vers 14.
[434] Handelingen I, vers 7.
[435] Genesis II, vers 17.
[436] Eerste brief aan de Cor. VIII, vers 1.
[437] Zie hoofdst. XL.
[438] Vergel. Jesaja XIV, vers 13.
[439] XII, vers 11.
[440] I Samuël XXVI, vers 21.
[441] II Samuël XXIV, vers 10.
[442] Lukas XXIII, vers 34.
[443] Eerste brief aan Timotheüs I, vers 13 ("daarom" ontbreekt in
den Bijbel).
[444] Psalm XXV, vers 7. In plaats van "onwetendheden" heeft de
Ned. bijbelvertaling: overtredingen.
[445] Handelingen II, vers 13.
[446] Handelingen XXVI, vers 24.
[447] Spreekwoordelijk voor: een rol op zich nemen, die de krachten
te boven gaat.
[448] Plato.
[449] De pointe der redeneering gaat in de vertaling verloren. Insania
"waanzin" beteekent letterlijk "ongezondheid."
[450] Zie hoofdst. XLV.
[451] Zie eersten brief aan de Cor. VII, vers 29 en 30.
[452] De heilige Bernard was eens zoo in de Heilige Schrift verdiept,
dat hij zonder het te merken zijn dorst leschte door een kruik met
olie te ledigen.
[453] Eerste brief aan de Cor. II, vers 9; vergel. Jesaja LXIV, vers 4.