INHOUD

Bladz.

Toelichting V

Voorrede 1

Hoofdstuk I. Alleen door haar aanblik heeft de Zotheid

de zorgen van haar toehoorders verjaagd 6

Hoofdstuk II. Onderwerp der voordracht 7

Hoofdstuk III. Waarom de Zotheid zichzelf prijst 8

Hoofdstuk IV. Waarom zij voor de vuist spreekt 9

Hoofdstuk V. De Zotheid verraadt zichzelf terstond 10

Hoofdstuk VI. Navolging der redekunstenaars 12

Hoofdstuk VII. Afkomst der Zotheid 12

Hoofdstuk VIII. Haar geboorteplaats en voedsters 14

Hoofdstuk IX. Haar gevolg 15

Hoofdstuk X, XI en XII. De Zotheid de bron van

alle leven en levensgeluk 16-18

Hoofdstuk XIII. Kindsheid en Ouderdom zijn met

de Zotheid ten nauwste verwant 19

Hoofdstuk XIV. De Zotheid verlengt de jeugd en

weert den Ouderdom 22

Hoofdstuk XV. De Zotheid vooral maakt de Goden

aantrekkelijk 24

Hoofdstuk XVI. Overal wordt de kruiderij der Zotheid

gevonden 27

Hoofdstuk XVII. Door haar toedoen behagen de

vrouwen aan de mannen 28

Hoofdstuk XVIII. Het drinken wordt door de Zotheid

het best gekruid 30

Hoofdstuk XIX. Zij knoopt vriendschapsbanden 31

Hoofdstuk XX. Door haar komen huwelijken tot stand 33

Hoofdstuk XXI. Elke gemeenschap onder de menschen

is aan haar te danken 35

Hoofdstuk XXII. De rol, die de Zelfzucht speelt in

dienst van haar zuster, de Zotheid 35

Hoofdstuk XXIII. De Zotheid is de oorzaak van

hetgeen in den oorlog gebeurt 37

Hoofdstuk XXIV en XXV. Nadeelen der wijsheid 38-41

Hoofdstuk XXVI. Wat nietigheden op het volk vermogen 42

Hoofdstuk XXVII. Het menschelijk leven een speling

der Zotheid 44

Hoofdstuk XXVIII. Kunsten en wetenschappen vinden

hun oorsprong in ijdele roemzucht 45

Hoofdstuk XXIX. De Zotheid maakt aanspraak op

den lof van verstand 45

Hoofdstuk XXX. De Zotheid leidt tot wijsheid 49

Hoofdstuk XXXI. Zij maakt het leven dragelijk 51

Hoofdstuk XXXII en XXXIII. Van de wetenschappen,

die in het algemeen tot verderf van het

menschdom zijn uitgevonden, bezitten zij,

die het nauwst met de Zotheid verband

houden, de meeste waarde 54-57

Hoofdstuk XXXIV. De dieren, die van al wat kunst is,

verschoond blijven, zijn het gelukkigst. 59

Hoofdstuk XXXV, XXXVI en XXXVII. Dwazen,

zotten, domkoppen en narren zijn veel

gelukkiger dan wijzen 60-65

Hoofdstuk XXXVIII. Waanzin is begeerenswaard 65

Hoofdstuk XXXIX. Aan een dergelijke krankzinnigheid

lijden mannen, die hun vrouwen

vergoden, jagers, bouwlustigen en dobbelaars 68

Hoofdstuk XL en XLI. Bijgeloovigen 71-75

Hoofdstuk XLII. Dwazen, die zich op hun adellijken

titel laten voorstaan 77

Hoofdstuk XLIII. Ieder mensch, volk of stad is de

eigenliefde ingeplant 79

Hoofdstuk XLIV. De voordeelen, die de Eigenliefde

en haar zuster, de Pluimstrijkerij,

verschaffen 81

Hoofdstuk XLV. Het geluk hangt af van de meening

der menschen 82

Hoofdstuk XLVI. De Zotheid schenkt aan alle menschen

haar zegeningen 85

Hoofdstuk XLVII. Haar goedaardigheid 86

Hoofdstuk XLVIII. Verschillende soorten en vormen

der Zotheid 88

Hoofdstuk XLIX. Taalmeesters 92

Hoofdstuk L. Dichters 95

Hoofdstuk LI. Rechtsgeleerden 99

Hoofdstuk LII. Wijsgeeren 100

Hoofdstuk LIII. Godgeleerden 102

Hoofdstuk LIV. Religieuzen en monniken 112

Hoofdstuk LV. Vorsten 123

Hoofdstuk LVI. Hovelingen 125

Hoofdstuk LVII. Bisschoppen 127

Hoofdstuk LVIII. Kardinalen 128

Hoofdstuk LIX. Pausen 130

Hoofdstuk LX. De bisschoppen der Duitschers 134

Hoofdstuk LXI. De Fortuin begunstigt de dwazen 137

Hoofdstuk LXII. Getuigenissen der ouden 140

Hoofdstuk LXIII. Getuigenissen uit de Heilige Schrift 141

Hoofdstuk LXIV en LXV. Verkeerde uitleggers van

de woorden der Heilige Schrift 148-153

Hoofdstuk LXVI. De Christelijke godsdienst vertoont

een zekere verwantschap met de Zotheid 159

Hoofdstuk LXVII. De hoogste zaligheid voor de menschen

is een soort van waanzin 165

Hoofdstuk LXVIII. Besluit 168

De Lof der Zotheid · 第 77 / 79 题