HOOFDSTUK XIX.

Zij knoopt vriendschapsbanden.

Maar er zullen misschien zijn, die ook dit soort van genot gering

schatten en hun geluk vinden in een hartelijk verkeer met hun vrienden,

zeggende, dat de vriendschap boven alles ter wereld behoort gesteld te

worden, omdat zij even onontbeerlijk is als de lucht, het vuur en het

water. Zij noemen haar tevens zoo aangenaam, dat, wie haar wegneemt,

de zon wegneemt, eindelijk zulk een hoog zedelijk goed, zoo dit ten

minste iets ter zake afdoet, dat zelfs de wijsgeeren niet aarzelen

haar onder de voortreffelijke goederen te vermelden. Maar als ik nu

eens weet te betoogen, dat alles, zooals het reilt en zeilt, van mij

afkomstig is? Dit bewijs zal ik evenwel niet leveren door Crocodilieten

of Sorieten en Cornuten [83] of andere dergelijke spitsvondigheden der

redekunst, maar ik zal 't U plompweg als met den vinger aanwijzen. Zeg

mij eens: oogluiking, dwaling, blindheid, hallucinatie, waar het de

gebreken onzer vrienden geldt, ja zelfs het beminnen en bewonderen

van eenige in het oog loopende gebreken, alsof het deugden waren,

grenst dit volgens U niet aan zotheid? Als de een de moedervlek van

zijn liefje teeder kust, een tweede zich door het gezwel zijner Agna

[84] bekoord gevoelt, als een vader van zijn schelen zoon zegt,

dat hij lonkt, wat is dit anders, zeg ik, dan klinkklare zotheid?

Men moge herhaaldelijk verkondigen, dat het zotheid is; toch is het

die zotheid alleen, welke de vriendschapsbanden zoowel knoopt als

in stand houdt. Ik spreek nu over de gewone menschen, van wie er

niemand zonder gebreken geboren wordt, en hij de beste is, die de

minste heeft: terwijl toch tusschen die zich goden dunkende wijzen

of in 't geheel geen vriendschapsband kan ontstaan, of slechts een

vervelend en onaangenaam soort van vriendschap is, en dat alleen nog

maar met zeer weinigen--met niemand durf ik niet zeggen--om deze reden,

dat de meeste menschen onwijs zijn, of liever er niemand leeft, die

het niet in veel opzichten geheel mis heeft, en een nauwe betrekking

slechts tusschen gelijken kan bestaan. Mocht er soms tusschen die

menschen van strenge beginselen een wederzijdsche genegenheid opkomen,

dan houdt deze in geen geval stand, daar zij zeker niet van zeer

langen duur kan zijn bij zulke gemelijke schepsels, die veel te

goede oogen hebben, want zij zien bij de gebreken hunner vrienden

zoo scherp als een adelaar of een Epidaurische slang [85]. Wat zijn

zij daarentegen kortzichtig bij hun eigen gebreken en hoe ontbreekt

het hun aan alle gezicht op den knapzak, die op hun rug hangt! [86]

Het ligt nu eenmaal in den aard der menschen, dat er geen karakter

bestaat, dat niet onderhevig is aan groote gebreken; voeg hierbij die

groote verscheidenheid van jaren en neigingen, de vele vergissingen,

dwalingen en ongevallen van het menschelijk leven, hoe kan dan het

aangename van die vriendschap ook maar een uur lang bestaan tusschen

die menschen met oogen als Argus [87], wanneer daar niet bijkomt zij,

die de Grieken eenigszins vreemd Euetheia noemen, een woord, dat ge

naar verkiezing door zotheid of goedmoedigheid moogt vertalen?

Is ook niet de bekende Cupido, de bewerker en vader van elke nauwe

betrekking, volslagen blind? Evenals hem het niet schoone schoon

voorkomt, brengt hij het tusschen U ook zoo ver, dat ieder het zijne

voor schoon houdt, zoodat een oude smoorlijk is van zijn oudje,

evenals een jong kereltje van zijn meisje. Dit ziet men dagelijks

gebeuren en men lacht er om, maar juist deze belachelijkheid lijmt

en koppelt in 't leven het prettige verkeer te zamen.

De Lof der Zotheid · 第 26 / 79 题