Zij knoopt vriendschapsbanden.
Maar er zullen misschien zijn, die ook dit soort van genot gering
schatten en hun geluk vinden in een hartelijk verkeer met hun vrienden,
zeggende, dat de vriendschap boven alles ter wereld behoort gesteld te
worden, omdat zij even onontbeerlijk is als de lucht, het vuur en het
water. Zij noemen haar tevens zoo aangenaam, dat, wie haar wegneemt,
de zon wegneemt, eindelijk zulk een hoog zedelijk goed, zoo dit ten
minste iets ter zake afdoet, dat zelfs de wijsgeeren niet aarzelen
haar onder de voortreffelijke goederen te vermelden. Maar als ik nu
eens weet te betoogen, dat alles, zooals het reilt en zeilt, van mij
afkomstig is? Dit bewijs zal ik evenwel niet leveren door Crocodilieten
of Sorieten en Cornuten [83] of andere dergelijke spitsvondigheden der
redekunst, maar ik zal 't U plompweg als met den vinger aanwijzen. Zeg
mij eens: oogluiking, dwaling, blindheid, hallucinatie, waar het de
gebreken onzer vrienden geldt, ja zelfs het beminnen en bewonderen
van eenige in het oog loopende gebreken, alsof het deugden waren,
grenst dit volgens U niet aan zotheid? Als de een de moedervlek van
zijn liefje teeder kust, een tweede zich door het gezwel zijner Agna
[84] bekoord gevoelt, als een vader van zijn schelen zoon zegt,
dat hij lonkt, wat is dit anders, zeg ik, dan klinkklare zotheid?
Men moge herhaaldelijk verkondigen, dat het zotheid is; toch is het
die zotheid alleen, welke de vriendschapsbanden zoowel knoopt als
in stand houdt. Ik spreek nu over de gewone menschen, van wie er
niemand zonder gebreken geboren wordt, en hij de beste is, die de
minste heeft: terwijl toch tusschen die zich goden dunkende wijzen
of in 't geheel geen vriendschapsband kan ontstaan, of slechts een
vervelend en onaangenaam soort van vriendschap is, en dat alleen nog
maar met zeer weinigen--met niemand durf ik niet zeggen--om deze reden,
dat de meeste menschen onwijs zijn, of liever er niemand leeft, die
het niet in veel opzichten geheel mis heeft, en een nauwe betrekking
slechts tusschen gelijken kan bestaan. Mocht er soms tusschen die
menschen van strenge beginselen een wederzijdsche genegenheid opkomen,
dan houdt deze in geen geval stand, daar zij zeker niet van zeer
langen duur kan zijn bij zulke gemelijke schepsels, die veel te
goede oogen hebben, want zij zien bij de gebreken hunner vrienden
zoo scherp als een adelaar of een Epidaurische slang [85]. Wat zijn
zij daarentegen kortzichtig bij hun eigen gebreken en hoe ontbreekt
het hun aan alle gezicht op den knapzak, die op hun rug hangt! [86]
Het ligt nu eenmaal in den aard der menschen, dat er geen karakter
bestaat, dat niet onderhevig is aan groote gebreken; voeg hierbij die
groote verscheidenheid van jaren en neigingen, de vele vergissingen,
dwalingen en ongevallen van het menschelijk leven, hoe kan dan het
aangename van die vriendschap ook maar een uur lang bestaan tusschen
die menschen met oogen als Argus [87], wanneer daar niet bijkomt zij,
die de Grieken eenigszins vreemd Euetheia noemen, een woord, dat ge
naar verkiezing door zotheid of goedmoedigheid moogt vertalen?
Is ook niet de bekende Cupido, de bewerker en vader van elke nauwe
betrekking, volslagen blind? Evenals hem het niet schoone schoon
voorkomt, brengt hij het tusschen U ook zoo ver, dat ieder het zijne
voor schoon houdt, zoodat een oude smoorlijk is van zijn oudje,
evenals een jong kereltje van zijn meisje. Dit ziet men dagelijks
gebeuren en men lacht er om, maar juist deze belachelijkheid lijmt
en koppelt in 't leven het prettige verkeer te zamen.