Lieve Mijnheer de Regent.
Morgen is het weer Lamme Woensdag in het John Grier Home. Wat zullen ze
zich opgelucht voelen als het eindelijk 5 uur heeft geslagen en jij ze
een tikje op hun hoofd hebt gegeven! Heb jij me ook wel eens op mijn
hoofd getikt, Vadertje? Ik geloof het niet. Ik kan me alleen maar dikke
regenten voor den geest roepen.
Groet ze allen op het gesticht, als je wilt, en vriendelijk ook. Als ik
nu na vier jaar aan dat huis terugdenk, krijg ik heusch een gevoel van
teederheid. Toen ik hier de eerste dagen was, voelde ik me ongelukkig
omdat ik dacht, dat ik beroofd was van de normale jeugd die andere
meisjes genieten. Maar nu is dat gevoel al lang verdwenen, ik denk aan
mijn verleden als aan een vreemd avontuur terug. Ik voel me ter zijde
van de anderen staan en van daaruit een blik in het leven werpen. Nu
ik volwassen ben, krijg ik een kijk op de wereld, die andere menschen,
welke er middenin zijn opgegroeid, totaal missen.
Ik ken een heeleboel meisjes,—Julia b.v.—die nooit weten dat ze
gelukkig zijn. Ze zijn zoo aan het geluk gewend, dat dat gevoel
heelemaal verstompt is. Maar als ik me gelukkig voel, is dat iets heel
anders. En ik zal me gelukkig blijven voelen, al moet ik misschien
nog door heel wat ellende heenworstelen. Ik beschouw nu alles, zelfs
kiespijn, als een belangwekkende gewaarwording en ik ben blij te weten
wat het is. „Whatever sky's above me, I've a heart for any fate”.
Maar Vadertje, neem die ontluikende liefde voor het John Grier Home nu
niet al te letterlijk op. Wanneer ik, zooals Rousseau, vijf kinderen
had, zou ik ze niet op den drempel van een vondelingengesticht leggen,
in de hoop dat ze eenvoudig zouden worden opgevoed.
Doe mijn groeten aan Juffrouw Lippett (dat kun je heusch doen) en vertel
haar eens, hoe mooi ik vooruitgekomen ben.
Je kleine Judy.
Lock Willow.