Lieve Mijnheer de Philantroop.
Gisteren kreeg ik je chèque voor mijn arme familie. Dank je heel
hartelijk. Ik spijbelde voor gymnastiek en ging er dadelijk na de
koffie heen en je had het gezicht van het meisje moeten zien! Ze was
zoo verrast en gelukkig en verlicht, dat ze er haast jong uitzag. En
ze is toch pas 24. Is dat niet vreeselijk?
In elk geval heeft ze nu het gevoel, alsof alle goede dingen opeens op
haar zijn neergedaald. Ze heeft nu al voor twee maanden vooruit vast
werk. Er gaat iemand trouwen en zij heeft de bestellingen voor het
uitzet gekregen.
„Laten we den goeden God danken”, zei de moeder toen ze eindelijk tot
besef kwam, dat dit kleine papiertje $ 100.— waard was.
„De goede God stuurt het je heelemaal niet”, zei ik, „je hebt het van
Vadertje Langbeen”, (ik zei natuurlijk: „van Mijnheer Smith”).
„Maar de goede God heeft hem op die gedachte gebracht”, zei ze weer.
„Absoluut niet, dat deed ik”, antwoordde ik haar.
Maar in elk geval vertrouw ik, dat God je naar waarde zal beloonen,
Vadertje. Je verdient een vrijstelling van minstens 10.000 jaar uit het
vagevuur.