Wil je iets doen, lieveling, waarmee je je eeuwig zielsheil kunt
verzekeren? Er verkeert hier een familie in vreeselijken nood, een
moeder en vader en vier zichtbare kinderen. De twee oudste jongens zijn
de wijde wereld ingetrokken, om hun fortuin te zoeken en hebben niets
meer van zich laten hooren. De vader heeft in een glasfabriek gewerkt en
kreeg er de tering—het is vreeselijk ongezond werk—en nu ligt hij in
het ziekenhuis. Door die ziekte zijn al hun spaarduitjes opgeraakt en nu
moet de oudste dochter van 24 de heele familie onderhouden. Ze gaat uit
naaien voor $ 1.50 per dag (als ze dat ten minste krijgt) en 's avonds
borduurt ze ook nog. De moeder is niet erg sterk en verbazend slap
van karakter en devoot. Ze zit den geheelen dag met gevouwen handen,
een beeld van geduldige gelatenheid, terwijl de dochter zich met haar
afbeulen, haar zorgen en haar groote verantwoordelijkheid half dood
maakt. Ze weet niet hoe ze door den winter heen moeten komen en mij is
dat ook een raadsel. Met een honderd dollars zou ze brandstof kunnen
koopen en schoenen voor de kinderen, zoodat die weer naar school kunnen,
en ze zou dan ook nog overhouden, zoodat ze niet zoo vreeselijk heeft
te tobben wanneer ze eens geen werk krijgt en een paar dagen thuis moet
blijven.
Jij bent de rijkste man, dien ik ken. Zou jij niet die honderd dollars
kunnen missen? Dat meisje verdient veel meer geholpen te worden dan ik,
toen ik nog in het John Grier Home was. Ik vraag het eigenlijk ook maar
alleen voor dat arme kind. De moeder kan me niets schelen. Daar zit
absoluut geen leven in en die vindt toch alles wat de Heere doet,
welgedaan.
Het kan me woedend maken, wanneer die menschen hun oogen vroom ten
hemel slaan en lijden: „Wie weet, misschien is het wel voor ons bestwil”
terwijl ze er zelf toch zoo vast van overtuigd zijn, dat dat natuurlijk
niet zoo is. Nederigheid, of hoe je het ook noemen wilt, is alleen maar
machtelooze traagheid, laksheid! Ik ben voor een opgewekten,
strijdlustigen godsdienst.
We hebben op het oogenblik vervelende colleges over wijsbegeerte—morgen
weer over Schopenhauer. Onze prof. schijnt te denken, dat we voor niets
anders te werken hebben. Hij is een grappige oude baas en altijd met
zijn gedachten ver van deze aarde verwijderd en als hij dan plotseling
vasten grond onder zijn voeten voelt, schrikt hij op. Hij probeert de
colleges een beetje aangenamer te maken door er nu en dan een grap
tusschen te gooien en dan spannen wij ons in om te glimlachen. Maar ik
kan je verzekeren, dat dat soms toch nog moeilijk gaat. In zijn vrijen
lijd tracht hij het probleem op te lossen, of de dingen werkelijk
bestaan of dat hij alleen maar _denkt_, dat ze bestaan.
Ik weet zeker, dat mijn arm naaistertje het dan verder heeft gebracht,
zij weet tenminste dat de dingen bestaan.
Waar denk je wel, dat mijn nieuwe novelle is? In de prullenmand! Ik zie
zelf in, dat het niets wordt en als een auteur dat al van zijn eigen
werk zegt, wat moet het venijnige publiek dan niet schreeuwen?
Later.
Ik schrijf je van mijn ziekbed, Vadertje. Al twee dagen lig ik hier
met gezwollen amandelen. Ik kan net heete melk drinken, maar dat is ook
alles. „Hoe is het nu in godsnaam mogelijk, dat uw ouders die amandelen
niet hebben laten snijden toen u nog klein was?” vroeg de dokter me.
Daarop kon ik hem niet antwoorden, maar ik geloof, dat ze toen niet hard
over me hebben nagedacht.
Je J. A.
Volgende morgen.
Ik lees juist mijn brief over, voordat ik hem sluit. Ik begrijp niet,
waarom ik zoo'n duister licht over het leven werp. Ik wil je nog gauw
even schrijven, dat ik me jong, gelukkig en levenslustig voel. En ik
denk, dat jij dat ook wel zult zijn. De jeugd heeft er niets mee te
maken; hoeveel jaren je eigenlijk telt, dat doet er niet toe, het hangt
alleen maar af van onze levendigheid van geest. Dus Vadertje, al heb
jij misschien grijze haren, toch kun je nog een echte jongen zijn.
Je je liefhebbende Judy.