Lieve Vadertje Langbeen,
Ik had gisteren nacht toch zoo'n grappige droom! Ik liep een boekwinkel
binnen en daar bracht me de bediende een boek, getiteld „Het leven en de
brieven van Judy Abbott”. Ik zag het duidelijk voor me. Het was in een
rooden band met een teekening van het John Grier Home erop. En voorin
stond mijn portret met „Aan mijn besten vriend. Judy Abbott,” eronder
gedrukt. Maar juist toen ik het slot wilde lezen en het opschrift van
mijn grafsteen, werd ik wakker. Jammer hè? Ik had anders nog kunnen
zien, met wien ik zou trouwen en wanneer ik sterven moet.
Geloof je ook niet, dat het verbazend leuk zou zijn om werkelijk de
geschiedenis van je leven te lezen, naar waarheid geschreven door
een alwetend schrijver? En stel je voor, dat je alleen maar op die
voorwaarde mocht lezen, dat je het nooit mocht vergeten en het leven
ten einde moest brengen terwijl je alles al vooruit wist. Ook het uur,
waarop je zou sterven. Hoeveel menschen zouden dan wel den moed hebben
om het Boek te lezen en hoeveel zouden zooveel wilskracht hebben om het
verlangen te weerstaan het te mogen lezen, zelfs tot den grooten prijs
dat zij het leven zonder een sprankje hoop en zonder eenige verrassing
zouden moeten doorloopen.
Op zijn best genomen is het leven toch in-vervelend. Je kunt elken dag
weer opnieuw gaan eten en slapen, maar stel je voor, hoe vreeselijk saai
het zou worden, als er nooit iets onverwachts, tusschen die maaltijden
en dat slapen gaan in, gebeurde. Nee, dank je hartelijk!
Ja Vadertje, dat is een inktmop, maar ik ben nu al aan mijn derde zijdje
en kan dat heusch niet allemaal nog eens overschrijven.
Ik ga dit jaar door met ontleedkunde. Het is verbazend interessant. Op
het oogenblik bestudeeren wij het darmkanaal van de zoogdieren. Je moest
eens weten hoe aardig de blinde darm van den kat er onder den microscoop
uitziet!
Ook volg ik nu colleges over wijsbegeerte. Ook heel mooi maar vreeselijk
vaag! Ik houd dan toch meer van ontleedkunde, waar je het voorwerp van
je belangstelling aan een bordje kunt vastmaken. Nog een mop en nog één!
Mijn pen stort tranen met tuiten. Neem het haar niet kwalijk, Vadertje!
Geloof je in iemands vrijen wil? Ik doe het. Beslist. Ik ben het
heelemaal niet eens met de filosofen, die denken dat elke daad het
onvermijdelijke resultaat van een samenloop van lang geleden oorzaken
is. Dit is de meest minderwaardige leer, waarvan ik ooit heb gehoord.
Dus niemand zou iets kunnen verwijten! Als een man fatalist is, blijft
hij maar den heelen dag kalm zitten,—„God's wil geschiede”—en wacht
net zoo lang tot hij eindelijk dood is. Ba!
Ik geloof heilig in mijn eigen vrijen wil en mijn eigen macht om mijn
verder leven te vormen. En dat is een geloof, dat zelfs bergen kan
verzetten. Je zult nog eens zien, wat ik voor een groot schrijfster
word. Ik heb al vier hoofdstukken van mijn nieuwe boek kant en klaar
en No. V staat al in korte trekken op een kladje.
Dit is weer eens een diepzinnige brief, hè lieveling? Heb je er
hoofdpijn van gekregen? Laat ik dan nu met redeneeren uitscheiden en wat
caramels gaan maken. Ik wou, dat ik er jou een doosje van kon sturen. Ze
worden vast heel lekker, want we doen het met room en drie balletjes
boter.
Je je liefhebbende Judy.
P.S. We hebben vandaag in het gymnastieklokaal allerlei soort
fancydansen uitgevoerd.
[Illustratie]
Hoe mooi we het doen, zie je op dit prentje.
Die op het eind, die juist een zeer bevallige pirouette maakt, is Judy.