30 September.

Lieve lieveling.

Denk je nog altijd aan dat scholarship? Ik heb nog nooit een man gekend,

die zoo koppig en taaivolhardend en hardnekkig en onredelijk en dwingerig

en niet-in-staat-iets-ook-van-een-andermans-standpunt-te-bekijken is,

als jij bent.

Je ziet liever dat ik geen gunsten van vreemden aanneem.

Vreemden—maar zeg, wat ben _jij_ dan voor me?

Is er iemand in de wereld, dien ik minder ken dan jou? Ik zou je niet

eens herkennen als ik je op straat tegenkwam. Zie je, als jij nou een

redelijk, verstandig mensch was geweest en lieve vaderlijke brieven

aan je Judy hadt geschreven en zoo af en toe was overgekomen en haar

een stevige hand hadt gegeven en haar gezegd hadt, dat je zoo blij

was, dat ze zoo haar best deed en dat je van haar hield—ja zie je,

dan was ik misschien op je ouden dag niet zoo weerspannig geweest,

maar ik had je je wenschen van je oogen afgelezen als een gehoorzaam

dochtertje—waarvoor ik toch eigenlijk ook in de wieg gelegd ben.

Vreemden ... Die is werkelijk goed! Je woont in een glazen huis,

Mijnheer Smith!

En daarbij is het heelemaal geen gunst. Het is zoo iets als een prijs

en ik heb hem door hard werken gewonnen. Als niemand goed genoeg in

Engelsch was geweest, zou het Comité het scholarship niet hebben

uitgereikt. Een paar jaar geleden hebben ze het ook niet gedaan.

Dus—maar och, wat geeft het je, met een man te redeneeren. Je behoort

nu eenmaal tot een sekse, die geen begrip van logica heeft, Mijnheer

Smith! Er zijn twee methodes, om een man iets aan het verstand te

brengen: je moet hem vleien, of je moet hem flink de waarheid zeggen.

Ik houd er niet van met vleien mijn zin te krijgen, daarom moet ik het

je dus maar even flink zeggen:

Mijnheer, ik denk er niet aan, om het scholarship te weigeren en als je

er nu nog meer over spreekt, wil ik je zakgeld ook niet meer aannemen,

maar zal ik mezelf zwak en zenuwachtig moeten maken door lessen te geven

aan domme groentjes.

Dit is mijn laatste woord.

En luister eens. Ik heb er nog verder over nagedacht. Jij bent bang, dat

ik iemand anders benadeel, wanneer ik het scholarship aanneem, zoodat

een arm meisje nu misschien niet kan studeeren. Maar dan kan je toch het

geld, dat je voor mij hadt willen uitgeven, gebruiken voor de opleiding

van een ander meisje van het John Grier Home? is dat geen prachtidee?

Alleen, lieveling, geef dat andere meisje de beste opleiding, die je

haar bij mogelijkheid geven kunt, maar ga alsjeblieft niet meer van haar

houden dan van mij.

Ik hoop dat je secretaris zich niet gekrenkt voelt, nu ik zoo weinig

op de voorstellen let, die hij me doet. Maar ik kan het werkelijk niet

helpen als hij beleedigd is. Hij is heusch een verwend kind, oudje. Ik

heb vroeger altijd aan zijn grillen toegegeven, maar nu ben ik besloten

_standvastig_ te blijven.

Vadertje Langbeen · 第 72 / 103 题