Lieve Vadertje Langbeen.
Eindelijk zit ik weer op College en wel als Junior! (derde jaars
studente). Onze werkkamer is nog mooier dan het vorig jaar. Hij ligt op
het Zuiden en heeft twee openslaande ramen. En o, hij is zoo prachtig
gemeubeld. Julia kwam hier twee dagen vóór ons aan. Haar vader gaf haar
onbeperkt crediet en je hebt geen idee, wat ze in die twee dagen al niet
voor de kamer heeft gekocht.
We hebben nieuw behang en Oostersche kleedjes en mahoniehouten
stoelen,—echte, geen geschilderde, wat we verleden jaar toch al zoo
mooi vonden. Het is heel mooi, maar toch heb ik altijd het gevoel alsof
het niet werkelijk van ons is. En ik ben altijd bang, dat ik ergens op
een in het oog loopende plaats een inktmop zal maken.
O ja, ik vond ook je brief,—o pardon, den brief van je secretaris—bij
mijn komst hier voor me gereed liggen.
Zeg, wees zoo goed en geef me een grondige reden op, waarom je nu wil,
dat ik voor het scholarship zal bedanken. Ik begrijp heelemaal niet,
waarom je dat van me vraagt, maar in elk geval helpt het je nu toch
niets meer dat je er bezwaren tegen maakt, want ik heb het al aangenomen
en ik ben ook niet van plan nu nog van gedachten te veranderen. Dat
klinkt wel wat brutaal, hè Vadertje, maar ik meen het niet zoo erg.
Het schijnt dat je mijn heele opleiding zelf wilt bekostigen nu je er
eenmaal ook mee begonnen bent. Maar bekijk het zaakje nu eens van mijn
standpunt. Ik heb toch alles door jou gekregen, ook al betaal je niet
tot het laatste toe alles voor me, want ik had nooit het scholarship
gekregen als jij me niet hierheen had gestuurd. Het eenige verschil is,
dat ik nu niet zoo heel veel schuld aan je heb. Ik weet wel, dat je het
geld niet terug wilt hebben, maar ik wil het toch voor mijn eigen gevoel
terugbetalen en ik zal het doen ook, zoodra ik maar eventjes kan. En
door dat scholarship wordt nu alles zooveel makkelijker. Ik dacht dat
ik de heele rest van mijn leven noodig had om mijn schulden af te doen,
maar nu zal ik er alleen maar de halve rest voor hoeven te gebruiken.
Ik hoop dat je me goed begrijpt en niet boos bent. Ik zal altijd erg
blij met je maandgeld zijn. Je hebt heusch heel wat noodig om, bij
Julia's installatie-ideeën, samen te wonen. Ik wou dat ze een
eenvoudiger smaak had of dat ze anders niet met me samen huisde.
Dit is een erg verwarde brief. Ik dacht nogal dat ik je zooveel had
geschreven. Maar ik heb intusschen vier gordijnen en drie portières
gezoomd (goed, dat je mijn naaikunst niet kunt beoordeelen) en dan heb
ik een koperen schrijfgarnituur met tandpoeder gepoetst (een zwaar werk,
hoor!) en ik heb koperdraad met mijn nagelschaar doorgezaagd om een
schilderij op te hangen en ik heb vier kisten met boeken uitgepakt en
twee koffers met kleeren (het schijnt haast ongeloofelijk, dat J. A.
twee koffers met haar kleeren kan vullen, maar toch is het zoo) en daar
tusschendoor heb ik een stuk of vijftig vriendinnen gesproken.
Den eersten dag na onze vacantie gaat het hier altijd erg vroolijk toe.
Nacht Vadertje, laat het je nu niet hinderen, dat het kuiken zijn eigen
voedsel wil zoeken. Het groeit nu op tot een energieke, kleine kip met
een macht mooie veeren (die ze allemaal aan jou te danken heeft).
Je je liefhebbende
Judy.