Zeg oude vriend, Jongeheer Jervie is hier en we hebben toch zoo'n pret
samen! Tenminste _ik_ heb verbazend veel pret en ik geloof, hij ook wel.
Hij is al tien dagen hier en spreekt gelukkig nog niet over weggaan. Als
je ziet, hoe hij door Juffrouw Semple vertroeteld wordt, rijzen je haren
te berge. Als ze het net zoo heeft gedaan, toen hij nog een baby was,
begrijp je niet, dat er zoo'n flinke man uit gegroeid is.
Hij en ik eten aan een klein tafeltje in de waranda of soms onder
de boomen voor het huis of, wanneer het regent of koud is, in de
allermooiste kamer van het huis. Hij zoekt altijd de plekjes uit, waar
hij wil eten, en Carrie loopt met het tafeltje achter hem aan. Wanneer
het dan erg lastig is en zij de schotels heel ver heeft moeten dragen,
vindt ze den volgenden morgen altijd een dollar in het suikervaasje.
Hij is een verbazend gezellige baas. Toch zou je het nooit zeggen
wanneer je hem zag. Op het eerste gezicht is hij een echte Pendleton,
maar dat is hij juist héélemaal niet. Hij is zoo eenvoudig en natuurlijk
en lief, als een man maar zijn kan. Het is misschien wel gek om het
karakter van een man zóó te beschrijven, maar het is nu eenmaal zoo
en niet anders. Hij gaat verbazend leuk met de boeren hier om. In het
begin waren ze nogal stug en achterdochtig en beweerden ze, dat ze niks
niemandal om zijn fijne kleeren gaven. En die zijn juist nogal typisch.
Hij draagt kuitbroeken en een fluweelen jacket en daaronder een wit
flanellen overhemd of een rijcostuum met een pofbroek. Wanneer hij in
een nieuw pak beneden komt, draait Juffrouw Semple als een pauw om
hem heen en bekijkt hem van alle kanten en vermaant hem, toch vooral
voorzichtig te zijn en niet overal te gaan zitten. Ze is doodsbang, dat
hij zijn goed stoffig zal maken. Het hangt hem natuurlijk vreeselijk de
keel uit en hij zegt altijd maar: „Kom Lizzy, ga nu weg. Je hebt nog
zooveel te doen. Je kunt toch niet langer den baas over me spelen. Ik
ben nu volwassen!”
[Illustratie]
Het is eenig leuk als je denkt, dat die groote, breedgeschouderde man
met zijn lange armen en beenen (haast net zoo lang als die van jou,
zeg, Vadertje Langbeen) ooit op Juffrouw Semple's schoot heeft gezeten
en door haar is afgewasschen. Maar hij beweert, dat ze eens slank en
gespierd en vlug is geweest en harder kon loopen dan hij nu.
O, we hebben zooveel avonturen beleefd! We hebben den omtrek mijlen ver
verkend en hij heeft me leeren visschen en ook schieten, met een geweer
en met een revolver. Ik kan nu ook rijden. Er is nu verbazend veel vuur
in den ouden Grover ontwaakt. We hebben hem drie dagen lang met haver
gevoed en hij vloog plots tegen een kalf aan en rende er haast met mij
van door.
Woensdag.
Maandagmiddag hebben we den Sky Hill beklommen. Dat is een berg hier
dicht bij. Geen vreeselijk hooge berg met sneeuw op den top, maar toch
hoog genoeg om buiten adem te zijn wanneer je boven bent. De hellingen
zijn met bosschen begroeid, maar de top is een opeenstapeling van
rotsblokken en verder kale hei. We bleven tot zonsondergang en staken
een vuur aan en kookten ons avondeten. Jongeheer Jervie deed als kok
dienst. Hij zei, dat hij het wel beter zou kunnen dan ik, en dat was ook
zoo, want hij is aan het kampeeren gewend. Toen zijn we bij maneschijn
afgedaald en toen we bij het bosch kwamen, waar het erg donker was,
heeft hij met zijn electrische zaklantaarn voorgelicht. O, het was
eenig! Hij heeft den heelen weg gepraat en gelachen en over allemaal
prettige onderwerpen gesproken. Hij kent alle boeken, die ik gelezen heb
en nog een macht andere daarbij. Het is verbazend, zooveel dingen als
die man weet.
Vanmorgen wilden we een stevige voetreis maken, maar een stortregen
heeft ons overvallen en onze kleeren waren doorweekt, toen we eindelijk
thuiskwamen. Maar toch voelden we ons heerlijk frisch en opgewekt. O, je
had Juffrouw Semple's gezicht moeten zien, toen we daar zoo aankwamen!
„O, Jongeheer Jervie, o, Juffrouw Judy! U bent alle twee druipnat! Wat
moeten we nu toch doen. Die mooie nieuwe jas is heelemaal bedorven!”
Het was eeuwig leuk. Je zou denken, dat we kinderen van een jaar of tien
waren en zij een wanhopige moeder! Ik was heusch een oogenblik bang, dat
we geen thee en toast met jam zouden krijgen.
Zaterdag.
Ik ben een eeuw geleden midden in dezen brief blijven steken, maar ik
had heusch geen tijd om hem af te maken.
Is dit geen mooie gedachte van Stevenson:
„The world is so full of a number of things,
I am sure we should all be as happy as kings”.
En het is beslist waar ook. Er is zooveel geluk op aarde en je kunt
ook gelukkig worden als je je alleen maar met het geluk tevreden stelt,
dat je op je weg tegenkomt. Het heele geheim bestaat hierin, dat je er
een beetje oog voor moet hebben. Vooral buiten zijn zoo verbazend veel
prettige dingen. Ik kan over een ieders land loopen en van elk mooi
vergezicht genieten en ik mag in alle beekjes plassen en ik kan van dat
alles net zoo genieten alsof het van me zelf hoorde, zonder dat ik er
iets voor hoef te betalen.
Het is nu Zondagavond, zoowat 11 uur en iedereen veronderstelt dus, dat
ik rustig in Morpheus' armen lig. Maar ik heb vanavond sterke koffie
gedronken, dus voor mij is er geen rustige slaap weggelegd.
Vanmorgen zei Juffrouw Semple tot Mijnheer Pendleton op een heel beslist
toontje: „We moeten om kwart over 10 hier weg om tegen 11 uur in de kerk
te zijn”.
„Heel goed, Lizzy”, zei Jongeheer Jervie, „de sjees zal wel voor je
klaar slaan en als ik niet op tijd ben aangekleed, moet je maar niet op
me wachten”.
„We zullen wel wachten”, antwoordde ze.
„Ga je gang”, zei hij, „maar laat alleen de paarden niet te lang staan”.
Toen zij zich nu ging kleeden, liet hij Carrie de lunch inpakken en
tegen mij zei hij, dat ik mijn sportkleeren aan moest doen, en door de
achterdeur slopen we stilletjes weg en gingen visschen.
Het heele huishouden liep daardoor natuurlijk in de war, want op Zondag
dineeren we op Lock Willow om twee uur, maar hij bestelde het diner
tegen 7 uur. Hij geeft hier alles aan zooals hij dat verkiest. Je zou
heusch gaan denken dat 't hier een restaurant is. En zoo konden dan
Carrie en Amasai vandaag ook niet samen uit rijden gaan, maar hij zei,
dat hij dat heel goed vond, want het was niet netjes om zoo zonder
chaperonne uit te gaan. En in elk geval had hij toch de paarden noodig,
want hij wou met mij gaan rijden. Heb je ooit zoo'n onzin gehoord!
En die arme Juffrouw Semple gelooft vast en heilig, dat menschen, die 's
Zondags gaan visschen, in de hel komen. Zij heeft nu nog altijd berouw,
dat zij hem niet beter heeft opgevoed, toen hij nog klein en handelbaar
was en ze veel meer over hem te zeggen had. En dan—ze zou toch zoo
dolgraag in de kerk een beetje met hem willen pronken.
In elk geval, we zijn uit visschen gegaan. Hij heeft vier kleine
vischjes gevangen en we hebben ze gekookt ook. Ze smaakten wel wat
verbrand, want we hebben ze in het vuur laten vallen toen we ze met
stokjes uit het water wilden halen, maar we hebben ze toch opgegeten.
Om 4 uur kwamen we thuis en om 5 uur gingen we uit rijden en om 7 uur
eten en om 10 uur werd ik naar bed gestuurd en nu zit ik hier aan jou
te schrijven.
[Illustratie]
Maar nu word ik toch een beetje slaperig.
Nacht lieveling!
Hier heb je het portret van den eenigen visch, dien ik ving!
Hola, Kap'tein Langbeen.
Ho, stop r's even! Jawel, geef me maar een vat rum!
Raad eens, wat ik lees? Onze gesprekken hebben in de laatste dagen een
zeemansachtigen vorm aangenomen. Is „Treasure Island” geen leuk boek?
Heb je het ook gelezen, of was het nog niet geschreven in den tijd
toen je nog een jongen was? Stevenson kreeg maar £ 30.— voor het
auteursrecht. Ik geloof niet, dat je met schrijven rijk wordt. Misschien
word ik wel onderwijzeres.
Hindert het je, dat mijn brieven in den laatsten tijd telkens zoo vol
zijn van Stevenson? In gedachten ben ik altijd met hem bezig. Die boeken
beslaan de heele bibliotheek op Lock Willow.
Ik ben nu al twee weken met dezen brief bezig. Dat is, me dunkt, lang
genoeg. Zeg maar nooit, dat ik je niet alles en alles tot in de kleinste
kleinigheden vertel. Ik wou, dat jij hier ook was. We zouden het zoo
gezellig samen hebben en het zou voor mij zoo prettig zijn als mijn
verschillende vrienden elkaar kenden. Ik wou mijnheer Pendleton vragen,
of hij je ook kende; ik zou het toch wel denken. Je zult wel in dezelfde
kringen komen en je behoort alle twee tot dezelfde politieke partij en
zoo. Maar ik kon het hem natuurlijk niet vragen want ik ken je waren
naam niet eens.
[Illustratie]
Ik vind het toch zoo vervelend, en ik heb ook nog nooit zoo iets geks
gehoord. Juffrouw Lippett waarschuwde me van te voren, dat je exentriek
bent. En ik vind dat ze groot gelijk heeft.
Veel groeten van je
Judy.
P.S. Terwijl ik mijn brief overlees, zie ik, dat hij heelemaal niet
alleen over Stevenson handelt. Een of twee keer wordt er ook vluchtig
over Jongeheer Jervie gesproken.