Lieve Vadertje Langbeen.
Ik heb je nu al bijna twee maanden lang niet geschreven en ik moet
eerlijk bekennen, dat dat alles behalve aardig van me was. Maar zie je,
ik heb dezen zomer een klein beetje het land aan je gehad. Je ziet, dat
ik alles ronduit zeg.
Je weet heusch niet hoe teleurgesteld ik was, dat ik niet naar de
McBride's mocht gaan. Natuurlijk weet ik dat je heel veel over me te
zeggen hebt en dat ik met al je wenschen rekening moet houden, maar ik
begrijp heelemaal de reden niet, waarom ik er niet zou mogen heengaan.
Het was zoo duidelijk als iets, dat het juist heel goed voor me zou
zijn, er een paar maanden te logeeren. En als ik nu Vadertje Langbeen
was geweest en jij Judy, dan zou ik hebben gezegd: „Wel, lieve meid, ik
ben heel blij voor je, dat je die uitnoodiging hebt gekregen. Natuurlijk
moet je het aannemen. Maak maar van je zomer, wat je er van maken kunt.
Je zult nieuwe menschen leeren kennen en een massa nieuwe dingen. Ga
maar heel veel in de open lucht en zorg dat je gezond en sterk en
uitgerust bent, want je zult na dezen zomer weer een jaar hard aan
het werk moeten.”
Maar niets van dat al. Alleen een kort briefje van je secretaris, waarin
hij me zegt, dat ik naar Lock Willow moet.
Het ergst van je bevelen vind ik nog, dat ze zoo onpersoonlijk zijn. Ik
vind, dat je me toch zelf wel eens een regeltje kon schrijven, inplaats
van me die vervelende, getikte briefjes te sturen, al geef je misschien
ook nog zoo weinig om me. Als je dan ook maar de kleinste zinspeling
maakte, dat je iets liever niet had, zou ik natuurlijk alles doen om je
tevreden te stellen.
Ik weet, dat ik je aardige, lange, uitvoerige brieven moet schrijven
zonder ooit een antwoord te mogen verwachten. Jij houdt je aan je
belofte (ik krijg een uitstekende opleiding) maar ik voel, dat je me
verwijt, dat ik van mijn kant me niet heelemaal aan onze overeenkomst
houd.
Maar begrijp dan ook, dat het zoo'n moeilijk geval voor me is. Heusch,
vreeselijk moeilijk. Ik voel me zoo verschrikkelijk alleen. Jij bent
de eenige van wien ik kan houden en jij bent voor mij zoo'n wazig
iemand. Je bent eigenlijk alleen maar een denkbeeldige man, die voor
mij alleen door mijn fantasie leeft en het kan heel goed zijn, dat je in
werkelijkheid heel anders bent dan ik je me voorstel. Maar eens, toen ik
in het ziekenhuis lag, heb je me een kaartje gestuurd en nu ik me zoo
afschuwelijk verlaten en alleen voel, haal ik dat weer te voorschijn en
lees het nog eens.
Ik geloof dat ik je heelemaal niet zeg, wat ik je eigenlijk had willen
zeggen en dat is:
Ofschoon ik me nog altijd een beetje gekrenkt voel—want het is
beleedigend om zoo maar weggestuurd te worden door een heerschzuchtig,
onredelijk, almachtig en onzichtbaar Iemand, ook als die Iemand even
vriendelijk en edelmoedig en bezorgd was als jij dat tot nog toe voor
me bent geweest, vermoed ik, dat diezelfde Iemand het recht heeft de
rol van een heerschzuchtige, onredelijke, almachtige en onzichtbare
Voorzienigheid te spelen wanneer hij dat wil en daarom ... daarom zal ik
je vergeven en weer lief tegen je zijn. Maar toch voel ik me nog altijd
verdrietig wanneer ik een brief van Sallie krijg en hoor, hoe prettig
het bij hen in het kamp is.
Maar—we zullen nu een sluier over het verleden hangen en weer met
frisschen moed opnieuw beginnen.
Ik heb dezen heelen zomer geschreven. Vier kleine schetsjes zijn nu naar
verschillende weekbladen gestuurd. Dus zie je, dat ik mijn best doe om
een schrijfster te worden. Ik heb hier mijn werkkamer in een hoek van
den zolder, waar Jongeheer Jervie vroeger op regenachtige dagen zijn
speelhoekje had. Het is een koele, frissche plaats met twee dakvensters
en beschaduwd door een grooten eschdoorn, waarin een heele familie
eekhoorntjes huist.
Over een paar dagen zal ik je weer een aardigen brief schrijven en je al
ons nieuws van de boerderij vertellen.
Op het oogenblik hebben we regen hard noodig.
Altijd,
Je Judy.