3 Augustus.

Lieve Vadertje Langbeen.

Ik heb je nu al bijna twee maanden lang niet geschreven en ik moet

eerlijk bekennen, dat dat alles behalve aardig van me was. Maar zie je,

ik heb dezen zomer een klein beetje het land aan je gehad. Je ziet, dat

ik alles ronduit zeg.

Je weet heusch niet hoe teleurgesteld ik was, dat ik niet naar de

McBride's mocht gaan. Natuurlijk weet ik dat je heel veel over me te

zeggen hebt en dat ik met al je wenschen rekening moet houden, maar ik

begrijp heelemaal de reden niet, waarom ik er niet zou mogen heengaan.

Het was zoo duidelijk als iets, dat het juist heel goed voor me zou

zijn, er een paar maanden te logeeren. En als ik nu Vadertje Langbeen

was geweest en jij Judy, dan zou ik hebben gezegd: „Wel, lieve meid, ik

ben heel blij voor je, dat je die uitnoodiging hebt gekregen. Natuurlijk

moet je het aannemen. Maak maar van je zomer, wat je er van maken kunt.

Je zult nieuwe menschen leeren kennen en een massa nieuwe dingen. Ga

maar heel veel in de open lucht en zorg dat je gezond en sterk en

uitgerust bent, want je zult na dezen zomer weer een jaar hard aan

het werk moeten.”

Maar niets van dat al. Alleen een kort briefje van je secretaris, waarin

hij me zegt, dat ik naar Lock Willow moet.

Het ergst van je bevelen vind ik nog, dat ze zoo onpersoonlijk zijn. Ik

vind, dat je me toch zelf wel eens een regeltje kon schrijven, inplaats

van me die vervelende, getikte briefjes te sturen, al geef je misschien

ook nog zoo weinig om me. Als je dan ook maar de kleinste zinspeling

maakte, dat je iets liever niet had, zou ik natuurlijk alles doen om je

tevreden te stellen.

Ik weet, dat ik je aardige, lange, uitvoerige brieven moet schrijven

zonder ooit een antwoord te mogen verwachten. Jij houdt je aan je

belofte (ik krijg een uitstekende opleiding) maar ik voel, dat je me

verwijt, dat ik van mijn kant me niet heelemaal aan onze overeenkomst

houd.

Maar begrijp dan ook, dat het zoo'n moeilijk geval voor me is. Heusch,

vreeselijk moeilijk. Ik voel me zoo verschrikkelijk alleen. Jij bent

de eenige van wien ik kan houden en jij bent voor mij zoo'n wazig

iemand. Je bent eigenlijk alleen maar een denkbeeldige man, die voor

mij alleen door mijn fantasie leeft en het kan heel goed zijn, dat je in

werkelijkheid heel anders bent dan ik je me voorstel. Maar eens, toen ik

in het ziekenhuis lag, heb je me een kaartje gestuurd en nu ik me zoo

afschuwelijk verlaten en alleen voel, haal ik dat weer te voorschijn en

lees het nog eens.

Ik geloof dat ik je heelemaal niet zeg, wat ik je eigenlijk had willen

zeggen en dat is:

Ofschoon ik me nog altijd een beetje gekrenkt voel—want het is

beleedigend om zoo maar weggestuurd te worden door een heerschzuchtig,

onredelijk, almachtig en onzichtbaar Iemand, ook als die Iemand even

vriendelijk en edelmoedig en bezorgd was als jij dat tot nog toe voor

me bent geweest, vermoed ik, dat diezelfde Iemand het recht heeft de

rol van een heerschzuchtige, onredelijke, almachtige en onzichtbare

Voorzienigheid te spelen wanneer hij dat wil en daarom ... daarom zal ik

je vergeven en weer lief tegen je zijn. Maar toch voel ik me nog altijd

verdrietig wanneer ik een brief van Sallie krijg en hoor, hoe prettig

het bij hen in het kamp is.

Maar—we zullen nu een sluier over het verleden hangen en weer met

frisschen moed opnieuw beginnen.

Ik heb dezen heelen zomer geschreven. Vier kleine schetsjes zijn nu naar

verschillende weekbladen gestuurd. Dus zie je, dat ik mijn best doe om

een schrijfster te worden. Ik heb hier mijn werkkamer in een hoek van

den zolder, waar Jongeheer Jervie vroeger op regenachtige dagen zijn

speelhoekje had. Het is een koele, frissche plaats met twee dakvensters

en beschaduwd door een grooten eschdoorn, waarin een heele familie

eekhoorntjes huist.

Over een paar dagen zal ik je weer een aardigen brief schrijven en je al

ons nieuws van de boerderij vertellen.

Op het oogenblik hebben we regen hard noodig.

Altijd,

Je Judy.

Vadertje Langbeen · 第 66 / 103 题