4 Mei.

Verleden Zaterdag hadden we velddienst. Het was vreeselijk leuk. Eerst

hadden we groote parade gehouden. We waren allen in het wit gekleed. De

Seniores droegen kleine Japansche parasolletjes, blauw met goud en de

Juniores wit met gele vlaggen. Wij hadden roode luchtballons. Dat was

vreeselijk aardig, want elk oogenblik verloor een van ons er eentje en

die vloog dan de lucht in. De eerste jaars hadden groote groen papieren

mutsen met lange, afhangende linten. We hadden ook een muziekcorps in

blauwe uniform voor dien dag uit de stad laten overkomen en ook een stuk

of twaalf hansworsten, die de menschen tusschen de wedstrijden door

bezig moesten houden.

Julia had zich als een dikken buitenman in een wit linnen pak verkleed,

met bakkebaarden en een geweldig groote parasol. Patsy Moriarty

(eigenlijk heet ze Patricia maar heb je ooit zoo'n onmogelijken naam

gehoord, Juffrouw Lippett zou er werkelijk geen ergere kunnen bedenken),

een lang, mager kind, was Julia's vrouw en droeg een hardgroene muts op

één oor. De menschen hebben den heelen weg langs geproest wanneer die

twee voorbijkwamen. Ik had nooit gedacht, dat een Pendleton nog zooveel

spirit zou bezitten. (Hierbij denk ik natuurlijk niet aan Jongeheer

Jervie, want die beschouw ik evenmin als een echten Pendleton als jou

als een echten regent).

Sallie en ik deden niet aan den optocht mee, omdat we ons beiden voor

de wedstrijden hadden laten inschrijven. En stel je voor, we hebben alle

twee gewonnen! Tenminste bij één spel. Bij het ver-springen verloren

we alle twee, maar Sallie won bij polsstok springen en ik bij het

hardloopen (30 M. in 8 seconden).

Ik kreeg op het laatst wel erg hartkloppingen, maar het was toch eenig,

toen de heele klas daar met zijn ballons stond te wuiven en te

schreeuwen en zong:

Wat is er aan de hand met Judy Abbott?

Ze heeft gewonnen!

Wie heeft er gewonnen?

Judy Abbott!

Dat is eerst eens roem! Toen ben ik naar het tentje gegaan en heb me

daar heelemaal met spiritus afgewreven en een citroenkwast gedronken.

Je ziet, dat we altijd aan onze gezondheid denken. Het is heel

verdienstelijk, als je een spel voor je klas wint, want de klas, die de

meeste spelen wint, krijgt dat jaar den wisselbeker. Dit jaar kregen

de Juniores hem met zeven spelen in hun voordeel. Het comité bood alle

winners in het gymnastieklokaal een diner aan. We kregen kreeft, en

chocolade-ijs in den vorm van korfballen.

[Illustratie: Judy wint bij het hardloopen]

Ik heb gisteren den halven nacht opgezeten om in Jane Eyre te lezen. Ben

jij oud genoeg om je te herinneren hoe het voor 60 jaar was en als dat

zoo is, kun je me dan ook zeggen of de menschen toen zóó spraken?

De hooghartige Lady Blanche zegt tot haar knecht: „Staak uw gepraat,

man, en verricht, wat ik u gebied”. Mijnheer Rochester spreekt over

„het metalen hemelgewelf” wanneer hij het over de lucht heeft, en als

je dan aan de krankzinnige vrouw denkt, die als een hyena lacht en de

bedgordijnen in brand steekt, tranen stort over een bruidssluier en

_bijt_... nu ja, dan is het een melodrama van het reinste water, maar

toch lees je en lees je, uren achter elkaar. Ik kan me niet begrijpen,

dat een meisje zoo'n boek geschreven heeft, vooral niet een meisje, dat

op een kerkhof werd grootgebracht. Daar is iets in de Bronte's, dat me

sterk tot ze aantrekt. Hun boeken leven, er is geest in. Maar hoe kwamen

ze aan die gave! Toen ik over het ellendige leven las, dat de kleine

Jane in die weldadigheidsinrichting had, ergerde ik me zoo, dat ik de

kamer uitging en een flinke wandeling maakte. Ik kan me heelemaal in

haar toestand verplaatsen. Als je Juffrouw Lippett kent, begrijp je ook,

hoe Mijnheer Brocklehurst geweest moet zijn.

Frons je wenkbrauwen nu maar niet. Ik weet heel goed, dat het John

Grier Home heel anders is ingericht dan het Lowood instituut. We kregen

genoeg te eten en hadden voldoende kleeren en genoeg water om ons te

wasschen en zelfs de kelder was verwarmd, maar toch is er een groote

overeenkomst. Ons leven was onbeschrijflijk eentonig. Er gebeurde

nooit eens iets bijzonders. De eenige afleiding was het roomijs,

waarop we Zondags werden getracteerd en dat werd zelfs tot een geregeld

terugkomende verrassing, dus eigenlijk geen verrassing meer. In al die

18 jaar, dat ik er was gebeurde er alleen maar één keer iets bijzonders,

n.l. toen de houten schuur afbrandde. We moesten midden in den nacht

opstaan en ons aankleeden, voor het geval dat het huis ook in brand zou

raken. Maar het vatte geen vlam en we moesten allen weer naar bed.

Iedereen houdt wel eens van een verandering, dat is zoo'n gewoon

menschelijke behoefte. Maar ik had nog geen verrassing beleefd tot

op het oogenblik, dat Juffrouw Lippett me in haar kamer riep om daar

te vertellen, dat Mijnheer John Smith me naar College wilde sturen.

En toen ging ze daar zoo vervelend over uitweiden, dat ze weer een

heeleboel van mijn plezier bedierf.

Je weet, dat ik het van het grootste belang voor iemand vind, dat

hij verbeeldingskracht heeft. Daardoor voel je je in staat, je ook

in de plaats van een ander in te denken. Het stemt je vriendelijk en

vergevensgezind. Bij kinderen moest de fantasie al vroeg ontwikkeld

worden. Maar in het John Grier Home wordt de flauwste flikkering van

je verbeeldingskracht dadelijk uitgedoofd. Plicht is het eenige, wat

je telkens voor oogen wordt gehouden. Ik vind dat kinderen eigenlijk

de beteekenis van dat woord niet moesten kennen. Het is iets kouds,

verfoeilijks. Een kind moest alles uit liefde doen, niet uit

plichtsgevoel, bah!

Wacht maar, totdat je het vondelingengesticht hebt gezien, waarvan ik de

directrice word. Dat is nu mijn lievelingsdroom vóór ik ga slapen. Ik

werk het tot in de kleinste bijzonderheden uit, het eten en de kleeren

en het werk en de spelen en de straffen... Want zelfs mijn uitstekend

opgevoede pleegkinderen zijn wel eens een enkele keer ondeugend.

Maar in elk geval zijn ze gelukkig. Volgens mijn meening moet iedereen,

al komen er naderhand ook nog zooveel zorgen, een echt gelukkige,

zonnige jeugd hebben, waaraan hij altijd de heerlijkste herinnering

houdt. En als ik ooit zelf eens kinderen krijg, dan zal ik er voor

strijden, dat ze een onbezorgd gelukkig leven hebben, zoolang ze nog

jong zijn, onverschillig onder hoeveel verdriet ik zelf misschien gebukt

ga.

Daar luidt de klok van de kapel al. Een andere keer zal ik je hierover

nog wel eens schrijven.

Donderdag.

Toen ik vanmiddag na mijn practisch werk in het laboratorium weer in

onze werkkamer kwam, zat daar een eekhoorntje juist genoegelijk op mijn

theetafel amandelen te knabbelen.

[Illustratie: „Mijn lieve Juffrouw Duizendpoot, gebruikt U één of twee

klontjes”]

Dat zijn de soort bezoekers die bij dit warme weer geregeld bij ons

komen wanneer de vensters open staan.

Zaterdagmorgen.

Misschien denk je wel, dat ik, omdat het vandaag Zaterdag is en we dan

geen lessen hebben, gisteravond eens heerlijk rustig in de boeken van

Stevenson heb kunnen lezen, die ik van het geld van mijn prijs kocht.

Maar als je dat heusch denkt, weet je niets van het leven op een

meisjes-universiteit af, mijn oude, beste Vadertje! Zes vriendinnen

stormden naar binnen, om een bowl te maken en één heeft een groote plas

op ons mooiste vloerkleedje gemorst. We zullen er die vlek wel nooit

uitkrijgen.

Ik heb je in den laatsten tijd heelemaal niet over ons werk gesproken.

We hebben een heeleboel te doen, en ik vind het daarom juist prettig om

iemand te hebben met wien ik over iets anders dan over het eeuwige werk

kan spreken. We moeten dus maar lange discussies over de wereld en het

leven in het algemeen houden. Ik vind het wel wat erg dat ik daarbij

altijd maar alleen aan het woord ben, maar dat is je eigen schuld. Je

mag me altijd antwoorden wanneer je maar wilt.

Ik heb nu al drie dagen lang telkens een paar regels aan dezen brief

geschreven en ik ben nu heusch bang dat ik je een beetje verveel.

Dag, mijn lieve oude vriend.

Je Judy.

Den WelEd. Heer Vadertje Langbeen Smith.

WelEd. Heer.

Daar ik mijn studies over argumentatie en de verdeeling van een stelling

in onderdeelen heb voltooid, heb ik besloten den volgenden briefvorm aan

te nemen. Mijn brieven zullen op deze wijze alle noodzakelijke feiten

bevatten zonder eenig overbodig woordenverbruik.

Vadertje Langbeen · 第 53 / 103 题