Verleden Zaterdag hadden we velddienst. Het was vreeselijk leuk. Eerst
hadden we groote parade gehouden. We waren allen in het wit gekleed. De
Seniores droegen kleine Japansche parasolletjes, blauw met goud en de
Juniores wit met gele vlaggen. Wij hadden roode luchtballons. Dat was
vreeselijk aardig, want elk oogenblik verloor een van ons er eentje en
die vloog dan de lucht in. De eerste jaars hadden groote groen papieren
mutsen met lange, afhangende linten. We hadden ook een muziekcorps in
blauwe uniform voor dien dag uit de stad laten overkomen en ook een stuk
of twaalf hansworsten, die de menschen tusschen de wedstrijden door
bezig moesten houden.
Julia had zich als een dikken buitenman in een wit linnen pak verkleed,
met bakkebaarden en een geweldig groote parasol. Patsy Moriarty
(eigenlijk heet ze Patricia maar heb je ooit zoo'n onmogelijken naam
gehoord, Juffrouw Lippett zou er werkelijk geen ergere kunnen bedenken),
een lang, mager kind, was Julia's vrouw en droeg een hardgroene muts op
één oor. De menschen hebben den heelen weg langs geproest wanneer die
twee voorbijkwamen. Ik had nooit gedacht, dat een Pendleton nog zooveel
spirit zou bezitten. (Hierbij denk ik natuurlijk niet aan Jongeheer
Jervie, want die beschouw ik evenmin als een echten Pendleton als jou
als een echten regent).
Sallie en ik deden niet aan den optocht mee, omdat we ons beiden voor
de wedstrijden hadden laten inschrijven. En stel je voor, we hebben alle
twee gewonnen! Tenminste bij één spel. Bij het ver-springen verloren
we alle twee, maar Sallie won bij polsstok springen en ik bij het
hardloopen (30 M. in 8 seconden).
Ik kreeg op het laatst wel erg hartkloppingen, maar het was toch eenig,
toen de heele klas daar met zijn ballons stond te wuiven en te
schreeuwen en zong:
Wat is er aan de hand met Judy Abbott?
Ze heeft gewonnen!
Wie heeft er gewonnen?
Judy Abbott!
Dat is eerst eens roem! Toen ben ik naar het tentje gegaan en heb me
daar heelemaal met spiritus afgewreven en een citroenkwast gedronken.
Je ziet, dat we altijd aan onze gezondheid denken. Het is heel
verdienstelijk, als je een spel voor je klas wint, want de klas, die de
meeste spelen wint, krijgt dat jaar den wisselbeker. Dit jaar kregen
de Juniores hem met zeven spelen in hun voordeel. Het comité bood alle
winners in het gymnastieklokaal een diner aan. We kregen kreeft, en
chocolade-ijs in den vorm van korfballen.
[Illustratie: Judy wint bij het hardloopen]
Ik heb gisteren den halven nacht opgezeten om in Jane Eyre te lezen. Ben
jij oud genoeg om je te herinneren hoe het voor 60 jaar was en als dat
zoo is, kun je me dan ook zeggen of de menschen toen zóó spraken?
De hooghartige Lady Blanche zegt tot haar knecht: „Staak uw gepraat,
man, en verricht, wat ik u gebied”. Mijnheer Rochester spreekt over
„het metalen hemelgewelf” wanneer hij het over de lucht heeft, en als
je dan aan de krankzinnige vrouw denkt, die als een hyena lacht en de
bedgordijnen in brand steekt, tranen stort over een bruidssluier en
_bijt_... nu ja, dan is het een melodrama van het reinste water, maar
toch lees je en lees je, uren achter elkaar. Ik kan me niet begrijpen,
dat een meisje zoo'n boek geschreven heeft, vooral niet een meisje, dat
op een kerkhof werd grootgebracht. Daar is iets in de Bronte's, dat me
sterk tot ze aantrekt. Hun boeken leven, er is geest in. Maar hoe kwamen
ze aan die gave! Toen ik over het ellendige leven las, dat de kleine
Jane in die weldadigheidsinrichting had, ergerde ik me zoo, dat ik de
kamer uitging en een flinke wandeling maakte. Ik kan me heelemaal in
haar toestand verplaatsen. Als je Juffrouw Lippett kent, begrijp je ook,
hoe Mijnheer Brocklehurst geweest moet zijn.
Frons je wenkbrauwen nu maar niet. Ik weet heel goed, dat het John
Grier Home heel anders is ingericht dan het Lowood instituut. We kregen
genoeg te eten en hadden voldoende kleeren en genoeg water om ons te
wasschen en zelfs de kelder was verwarmd, maar toch is er een groote
overeenkomst. Ons leven was onbeschrijflijk eentonig. Er gebeurde
nooit eens iets bijzonders. De eenige afleiding was het roomijs,
waarop we Zondags werden getracteerd en dat werd zelfs tot een geregeld
terugkomende verrassing, dus eigenlijk geen verrassing meer. In al die
18 jaar, dat ik er was gebeurde er alleen maar één keer iets bijzonders,
n.l. toen de houten schuur afbrandde. We moesten midden in den nacht
opstaan en ons aankleeden, voor het geval dat het huis ook in brand zou
raken. Maar het vatte geen vlam en we moesten allen weer naar bed.
Iedereen houdt wel eens van een verandering, dat is zoo'n gewoon
menschelijke behoefte. Maar ik had nog geen verrassing beleefd tot
op het oogenblik, dat Juffrouw Lippett me in haar kamer riep om daar
te vertellen, dat Mijnheer John Smith me naar College wilde sturen.
En toen ging ze daar zoo vervelend over uitweiden, dat ze weer een
heeleboel van mijn plezier bedierf.
Je weet, dat ik het van het grootste belang voor iemand vind, dat
hij verbeeldingskracht heeft. Daardoor voel je je in staat, je ook
in de plaats van een ander in te denken. Het stemt je vriendelijk en
vergevensgezind. Bij kinderen moest de fantasie al vroeg ontwikkeld
worden. Maar in het John Grier Home wordt de flauwste flikkering van
je verbeeldingskracht dadelijk uitgedoofd. Plicht is het eenige, wat
je telkens voor oogen wordt gehouden. Ik vind dat kinderen eigenlijk
de beteekenis van dat woord niet moesten kennen. Het is iets kouds,
verfoeilijks. Een kind moest alles uit liefde doen, niet uit
plichtsgevoel, bah!
Wacht maar, totdat je het vondelingengesticht hebt gezien, waarvan ik de
directrice word. Dat is nu mijn lievelingsdroom vóór ik ga slapen. Ik
werk het tot in de kleinste bijzonderheden uit, het eten en de kleeren
en het werk en de spelen en de straffen... Want zelfs mijn uitstekend
opgevoede pleegkinderen zijn wel eens een enkele keer ondeugend.
Maar in elk geval zijn ze gelukkig. Volgens mijn meening moet iedereen,
al komen er naderhand ook nog zooveel zorgen, een echt gelukkige,
zonnige jeugd hebben, waaraan hij altijd de heerlijkste herinnering
houdt. En als ik ooit zelf eens kinderen krijg, dan zal ik er voor
strijden, dat ze een onbezorgd gelukkig leven hebben, zoolang ze nog
jong zijn, onverschillig onder hoeveel verdriet ik zelf misschien gebukt
ga.
Daar luidt de klok van de kapel al. Een andere keer zal ik je hierover
nog wel eens schrijven.
Donderdag.
Toen ik vanmiddag na mijn practisch werk in het laboratorium weer in
onze werkkamer kwam, zat daar een eekhoorntje juist genoegelijk op mijn
theetafel amandelen te knabbelen.
[Illustratie: „Mijn lieve Juffrouw Duizendpoot, gebruikt U één of twee
klontjes”]
Dat zijn de soort bezoekers die bij dit warme weer geregeld bij ons
komen wanneer de vensters open staan.
Zaterdagmorgen.
Misschien denk je wel, dat ik, omdat het vandaag Zaterdag is en we dan
geen lessen hebben, gisteravond eens heerlijk rustig in de boeken van
Stevenson heb kunnen lezen, die ik van het geld van mijn prijs kocht.
Maar als je dat heusch denkt, weet je niets van het leven op een
meisjes-universiteit af, mijn oude, beste Vadertje! Zes vriendinnen
stormden naar binnen, om een bowl te maken en één heeft een groote plas
op ons mooiste vloerkleedje gemorst. We zullen er die vlek wel nooit
uitkrijgen.
Ik heb je in den laatsten tijd heelemaal niet over ons werk gesproken.
We hebben een heeleboel te doen, en ik vind het daarom juist prettig om
iemand te hebben met wien ik over iets anders dan over het eeuwige werk
kan spreken. We moeten dus maar lange discussies over de wereld en het
leven in het algemeen houden. Ik vind het wel wat erg dat ik daarbij
altijd maar alleen aan het woord ben, maar dat is je eigen schuld. Je
mag me altijd antwoorden wanneer je maar wilt.
Ik heb nu al drie dagen lang telkens een paar regels aan dezen brief
geschreven en ik ben nu heusch bang dat ik je een beetje verveel.
Dag, mijn lieve oude vriend.
Je Judy.
Den WelEd. Heer Vadertje Langbeen Smith.
WelEd. Heer.
Daar ik mijn studies over argumentatie en de verdeeling van een stelling
in onderdeelen heb voltooid, heb ik besloten den volgenden briefvorm aan
te nemen. Mijn brieven zullen op deze wijze alle noodzakelijke feiten
bevatten zonder eenig overbodig woordenverbruik.