11 April.

Liefste lieveling.

Zeg, wil je me vergeven, dat ik je gisteren zoo'n naren brief schreef?

Toen ik hem op de bus had gedaan, had ik er al weer spijt van en ik

vroeg hem terug, maar die vervelende brievenbesteller wilde hem er niet

meer uithalen.

Het is nu middernacht. Ik lig uren lang wakker door die ellendige

gedachte, dat ik zoo'n wurm, zoo'n duizendpootig wurm ben. (Dat is

het ergste scheldwoord, dat ik voor me zelf bedenken kan). Ik heb

heel voorzichtig de deur van onze werkkamer dicht gemaakt om Sallie

en Julia niet te wekken en zit nu op een vel papier, dat ik uit mijn

geschiedenis-dictaatcahier heb gescheurd, aan jou te schrijven.

Ik wou je zeggen dat ik het zoo naar vind, dat ik je dien chèque zoo

plompweg heb teruggestuurd. Ik weet dat je het heel lief hebt bedoeld

en je bent een schat, dat je je zoo'n moeite geeft voor zoo'n dom kind

als ik ben. Ik had hem je natuurlijk wel terug moeten sturen, maar heel

anders dan ik het deed.

Maar in elk geval _moest_ ik hem terugsturen. Het is bij mij zoo iets

heel anders dan bij de andere meisjes. Die hebben vaders en moeders en

tantes en ooms, maar ik heb heelemaal geen familie, ik heb niemand,

niets. Ik stel me wel graag voor, dat jij zoo'n beetje familie van me

bent, omdat ik dat zoo'n prettig gevoel vind, maar ik weet natuurlijk

heel goed, dat dat maar onzin is. Ik sta heelemaal alleen op de wereld,

en ik moet me schrap zetten, om den strijd met het leven te aanvaarden.

O, ik word koud als ik daaraan denk. Ik durf er dikwijls niet aan

denken en daarom fantaseer ik zooveel, maar je begrijpt ook wel, dat

ik niet meer mag aannemen dan ik al doe, omdat ik je later alles wil

terugbetalen en zelfs als ik werkelijk nog eens een groote schrijfster

word, zal het toch moeilijk zijn om zoo'n _vreeselijk_ groote schuld af

te lossen.

Ik hou heel veel van mooie kleeren en hoeden, maar ik mag mijn toekomst

niet verpanden door ze nu te koopen.

Wees er niet boos over, dat ik daar zoo ruw over spreek. Ik heb de

afschuwelijke gewoonte om alles impulsief neer te schrijven, wanneer

ik het denk, om er dan later berouw over te hebben als de brief al weg

is en ik hem niet meer kan verscheuren. Maar al lijk ik soms ook ruw en

ondankbaar, ik meen het toch nooit. In mijn hart dank ik je altijd voor

het vrije leven, waarin je me geplaatst hebt en de onafhankelijkheid,

die ik door jou zal verkrijgen. Mijn jeugd was één lange sleur, die ik

met al mijn oproerige gedachten niet kon verbreken en nu voel ik me

elken dag zoo gelukkig, dat ik nu, na dat heele jaar op College, soms

nog niet kan gelooven dat ik niet droom. Ik voel me als een heldin in

een verhaaltje!

Het is nu kwart over twee. Ik ga op mijn teenen naar de bus om dezen

brief nog even te posten. Je zult hem dus precies een post na dien

anderen krijgen en je kan dus gelukkig niet lang boos op me zijn.

Nacht lieveling!

Ik hou heel veel van je.

Judy.

Vadertje Langbeen · 第 52 / 103 题