Liefste lieveling.
Zeg, wil je me vergeven, dat ik je gisteren zoo'n naren brief schreef?
Toen ik hem op de bus had gedaan, had ik er al weer spijt van en ik
vroeg hem terug, maar die vervelende brievenbesteller wilde hem er niet
meer uithalen.
Het is nu middernacht. Ik lig uren lang wakker door die ellendige
gedachte, dat ik zoo'n wurm, zoo'n duizendpootig wurm ben. (Dat is
het ergste scheldwoord, dat ik voor me zelf bedenken kan). Ik heb
heel voorzichtig de deur van onze werkkamer dicht gemaakt om Sallie
en Julia niet te wekken en zit nu op een vel papier, dat ik uit mijn
geschiedenis-dictaatcahier heb gescheurd, aan jou te schrijven.
Ik wou je zeggen dat ik het zoo naar vind, dat ik je dien chèque zoo
plompweg heb teruggestuurd. Ik weet dat je het heel lief hebt bedoeld
en je bent een schat, dat je je zoo'n moeite geeft voor zoo'n dom kind
als ik ben. Ik had hem je natuurlijk wel terug moeten sturen, maar heel
anders dan ik het deed.
Maar in elk geval _moest_ ik hem terugsturen. Het is bij mij zoo iets
heel anders dan bij de andere meisjes. Die hebben vaders en moeders en
tantes en ooms, maar ik heb heelemaal geen familie, ik heb niemand,
niets. Ik stel me wel graag voor, dat jij zoo'n beetje familie van me
bent, omdat ik dat zoo'n prettig gevoel vind, maar ik weet natuurlijk
heel goed, dat dat maar onzin is. Ik sta heelemaal alleen op de wereld,
en ik moet me schrap zetten, om den strijd met het leven te aanvaarden.
O, ik word koud als ik daaraan denk. Ik durf er dikwijls niet aan
denken en daarom fantaseer ik zooveel, maar je begrijpt ook wel, dat
ik niet meer mag aannemen dan ik al doe, omdat ik je later alles wil
terugbetalen en zelfs als ik werkelijk nog eens een groote schrijfster
word, zal het toch moeilijk zijn om zoo'n _vreeselijk_ groote schuld af
te lossen.
Ik hou heel veel van mooie kleeren en hoeden, maar ik mag mijn toekomst
niet verpanden door ze nu te koopen.
Wees er niet boos over, dat ik daar zoo ruw over spreek. Ik heb de
afschuwelijke gewoonte om alles impulsief neer te schrijven, wanneer
ik het denk, om er dan later berouw over te hebben als de brief al weg
is en ik hem niet meer kan verscheuren. Maar al lijk ik soms ook ruw en
ondankbaar, ik meen het toch nooit. In mijn hart dank ik je altijd voor
het vrije leven, waarin je me geplaatst hebt en de onafhankelijkheid,
die ik door jou zal verkrijgen. Mijn jeugd was één lange sleur, die ik
met al mijn oproerige gedachten niet kon verbreken en nu voel ik me
elken dag zoo gelukkig, dat ik nu, na dat heele jaar op College, soms
nog niet kan gelooven dat ik niet droom. Ik voel me als een heldin in
een verhaaltje!
Het is nu kwart over twee. Ik ga op mijn teenen naar de bus om dezen
brief nog even te posten. Je zult hem dus precies een post na dien
anderen krijgen en je kan dus gelukkig niet lang boos op me zijn.
Nacht lieveling!
Ik hou heel veel van je.
Judy.