30 Mei.

Lieve Vadertje Langbeen,

Ben je hier ooit vroeger wel eens geweest? (Dit is alleen maar een vraag

om mijn brief in te leiden, je hoeft er niet op te antwoorden). Je kunt

je in Mei niets mooiers voorstellen! Alle struiken dragen bloesems en

alle boomen hebben satijnige groene blaadjes—zelfs de oude dennenboomen

zien er nu nog jong en frisch uit. Het gras is met gele paardebloemen

bezaaid en daartusschen loopen honderden meisjes in blauwe, witte en

roze japonnetjes. Iedereen is even vroolijk en onbezorgd, want nu komt

onze heerlijke vacantietijd en met dat vooruitzicht laten zelfs de

examens ons koud.

Is het niet heerlijk, zoo tusschen allemaal vroolijke menschen te leven?

En, o Vadertje, ik ben nog de vroolijkste en gelukkigste van allemaal,

want ik hoef niet naar het gesticht en ik hoef ook niet in mijn vacantie

de kindermeid of type-writester of boekhoudster van de een of andere

rijke familie te zijn! (Ik had natuurlijk overal mijn kost dubbel en

dwars moeten verdienen behalve bij jou).

Ik heb nu berouw over al mijn vroegere ondeugendheden.

Ik heb er berouw over, dat ik Freddie Perkins wel eens door elkaar

rammelde.

Ik heb er berouw over, dat ik zoo vaak brutaal tegen Juffrouw Lippett

was.

Ik heb er berouw over, dat ik het suikervaasje eens met zout heb gevuld.

Ik heb er berouw over, dat ik achter den rug van de regenten grimassen

trok.

Ik wil nu tegenover iedereen vriendelijk en lief zijn, omdat ik zoo

gelukkig ben. En dezen zomer zal ik gaan schrijven, om een beroemde

schrijfster te worden. Heb ik nou geen prachtige plannen? O, je zult

zien, dat ik nog eens een mooi karakter krijg, de thermometer daalt een

beetje bij koud weer, maar bij zonneschijn stijgt hij voortdurend!

Dat is met iedereen zoo het geval. Ik ben het ook heelemaal niet eens

met de menschen, die beweren, dat verdriet en teleurstellingen de

zedelijke kracht sterken. Neen, het zijn de vroolijke menschen, die

van zonnige vriendelijkheid overloopen. Ik heb geen vertrouwen in

misanthropen. (Dat is netjes gezegd, hè?). Maar jij bent ook geen

misanthroop, wel Vadertje?

O ja, dat is waar ook, ik wou je over College vertellen! Zeg, kan

je niet eens hier komen? Ik zou je overal rond leiden en dan alles

uitleggen: „Hier is de bibliotheek, daar ginds is het badhuis, dat

Gothische gebouw aan je linkerhand is het gymnastieklokaal. Het

Romaansche daarnaast is het nieuwe ziekenhuis”.

O, ik kan de menschen wàt goed rondleiden! Ik heb het mijn heele leven

in het gesticht gedaan en ik doe het hier ook haast elken dag, werkelijk

waar.

Laatst heb ik hier zelfs een Heer rondgeleid. Toen heb ik heel wat

kunnen leeren, Vadertje, want ik heb nog nooit te voren zoo maar met

een echten heer gesproken. (Behalve zoo af en toe met de Regenten en die

tellen niet mee). O, pardon! 't Is niet mijn bedoeling je te beleedigen,

wanneer ik zoo over de regenten spreek. Maar zie je, ik weet ook zeker,

dat je daar ook eigenlijk niet tusschen hoort. Je bent er alleen maar

toevallig tusschen verzeild geraakt. Want zie je, een echte regent is

dik en opschepperig en welwillend en klopt je goedkeurend op je hoofd

en draagt een zware horlogeketting.

[Illustratie]

Maar om nu op ons verhaal terug te komen:

Ik heb met een heer gewandeld en gepraat en thee gedronken en nog wel

met een heel deftig heer uit een van de eerste families—met Mijnheer

Jervis Pendleton uit de familie van Julia! Haar oom, in het kort (in

het lang hoorde ik eigenlijk te zeggen, want hij is even groot als jij

bent). Omdat hij toch voor zaken in onze buurt was, besloot hij ook even

naar College over te wippen om zijn nichtjes daar te bezoeken. Hij is

de jongste broer van Julia's vader, maar zij kent hem haast niet. Het

schijnt, dat hij haar eens als baby heeft gezien, maar ik geloof niet,

dat hij ooit van haar heeft gehouden of verder eenige notitie van haar

heeft genomen.

In elk geval, hij zat daar heel correct in de ontvangkamer met zijn

hoed en stok en handschoenen in de hand. En Julia en Sallie hadden om

zeven uur les en konden zich daar niet van afmaken. Julia stormde dan

ook mijn kamer binnen en vroeg me, om hem alles te laten zien en hem na

zeven-uur-les weer bij haar af te leveren. Ik wilde het wel doen, hoewel

ik er niet veel voor voelde, want ik geef niets om die Pendletons.

Maar bij nader inzien was het toch een geschikte baas. Hij is tenminste

een menschelijk wezen—absoluut geen Pendleton. Wij hadden het erg

prettig samen. Ik heb altijd naar een oom verlangd! Zeg, zou jij niet

voor een tijdje mijn oom willen zijn? Ik geloof, dat ze nog aardiger

zijn dan grootmoeders!

Mijnheer Pendleton deed mij wel een beetje aan jou denken, toen je nog

twintig jaar jonger was. Je ziet, dat ik je heel intiem ken, al heb ik

je ook nog nooit goed gezien!

Hij is lang en slank en heeft een bruin verbrand gezicht met besliste,

scherp geteekende trekken. En dan kan hij zoo aardig lachen! Zijn mond

lacht nooit heelemaal, de mondhoeken krullen alleen heel even naar

boven! En hij heeft zoo iets over zich om je je dadelijk op je gemak

te gevoelen. Het was net of ik hem al mijn heele leven had gekend en

hij was ook erg kameraadschappelijk.

Ik heb hem alles laten zien, van den binnenhof af tot het sportveld toe.

Toen zei hij, dat hij zich een beetje flauw ging voelen en wel graag

thee wilde drinken. Hij zei, dat we maar naar het „College Café” moesten

gaan—dat is vlak bij het dennenbosch. Ik vond, dat we eigenlijk terug

moesten naar Julia en Sallie, maar hij zei, dat hij het beter vond, dat

zijn nichtjes niet zooveel thee dronken. Daar zouden ze maar zenuwachtig

van worden. Dus gingen we het Café binnen en gebruikten daar thee met

toast en gelei en roomijs en cake aan een klein aardig tafeltje op het

balcon. Het was er haast heelemaal leeg, want het loopt nu tegen het

eind van de maand en dan is er nooit veel van ons maandgeld over.

O, we hebben toch zoo'n pret gehad! Hij moest naar den trein rennen om

nog op tijd te komen en hij zag Julia haast heelemaal niet meer. Ze was

woest, dat ik hem zoolang voor mezelf had gehouden! Het schijnt, dat hij

een buitengewoon rijke oom is en heel lief kan zijn. Ik vind het heusch

een verlichting, dat hij zoo rijk is, want onze thee heeft 60 cents per

persoon gekost.

Van morgen (het is Maandag) kwamen er drie doozen chocola met de

exprespost voor Julia, Sallie en mij. Hoe vind je dat? Leuk hè, om

bonbons van een heer te krijgen!

Ik ga me nu heusch als een gewoon jong meisje voelen en niet meer als

een vondeling.

Ik wou, dat je ook eens kwam en met me thee ging drinken. Dan kon ik

zien of ik werkelijk zooveel van je kan houden. Maar het zou toch ook

weer vreeselijk jammer zijn als ik dan niet meer van je hield! Nee, dat

is onzin, ik weet heel zeker, dat ik dan nog veel meer van je ging

houden.

Bien! Ik groet je heel hartelijk.

Jamais je ne t'oublierai,

Judy.

P.S. Ik keek vanmorgen in den spiegel en ontdekte een heuschig kuiltje

in mijn kin. Grappig hè? Waar zou dat zoo opeens vandaan komen?

Vadertje Langbeen · 第 34 / 103 题