Den Heer V. L. Smith,
Mijnheer,
U hebt mij nog nooit op een enkelen vraag antwoord gegeven. U toont
nooit de minste belangstelling in wat ik doe. U bent ongetwijfeld de
allervervelendste van al die afschuwelijk-vervelende Regenten en dat
U me hier een goede opleiding laat genieten, doet U niet, omdat U
een steek om me geeft, maar vindt alleen zijn oorsprong in een zeker
plichtsgevoel.
Ik weet absoluut niets omtrent u; ik ken zelfs uw naam niet. Ik twijfel
er geen oogenblik aan of u gooit al mijn brieven in de prullemand zonder
zelfs de moeite te nemen ze te openen. Van nu af aan zal ik u slechts
over mijn werk schrijven.
Verleden week had ik her-examen voor Latijn en Meetkunde. Ik slaagde
voor beide vakken.
Hoogachtend,
Jerusha Abbott.