Ik heb een vasten stelregel waarvan ik nooit wil afwijken: 's avonds
studeer ik niet, onverschillig hoeveel opstellen we ook voor den
volgenden dag hebben opgekregen. Dan lees ik alleen maar mooie boeken
en ik heb een massa te lezen, want 18 lange jaren heb ik het niet
kunnen doen. Je kunt je heusch niet voorstellen, wat een woestenij van
onwetendheid er in mijn hersenen heerscht. Nu eerst krijg ik er zelf een
flauw besef van. Van de dingen, die de meeste meisjes van een gewone
familie met een eigen thuis en vrienden en een bibliotheek al van kind
af aan weten, heb ik nog nooit gehoord.
Ik heb nog nooit „Moeder de Gans” gelezen of „David Copperfield” of
„Ivanhoe” of „Asschepoes” of „Blauwbaard” of „Robinson Crusoe” of „Jane
Eyre” of „Alice in Wonderland” of iets van Rudyard Kipling. Ik wist
niet, dat Hendrik VIII meer dan eens getrouwd was en dat Shelley een
dichter was. En nog veel minder, dat de menschen van de apen afstammen
en dat het Paradijs maar een mooie mythe is. Ik wist niet, dat R.L.S. de
afkorting van Robert Louis Stevenson is en dat George Eliot een vrouw
was. Ik had nog nooit een afbeelding van de Mona Lisa gezien en (het is
waar maar je zult het haast niet kunnen gelooven) ik had nog nooit van
Sherlock Holmes gehoord.
Nu weet ik al die dingen en ook nog een heeleboel meer, maar nu zie je
eens, hoe ik mijn best moet doen om dat alles in te halen. En is het
niet grappig, ik verlang den heelen dag al naar den avond en dan hang ik
een bordje met „Niet te spreken” op de deur en doe mijn mooie warm-roode
kimono aan en mijn sandalen. Alle kussens worden op de sofa gegooid, de
koperen studeerlamp bij mijn hoofd neergezet en dan ga ik lezen, lezen
en nog eens lezen. Eén boek is nooit genoeg, ik heb er altijd vier
tegelijk bij de hand. Op het oogenblik zijn dat Tennyson's gedichten,
„Vanity Fair”, Kiplings „Plain Tales” en dan nog (lach niet) „Op eigen
wieken” van Louise Alcott. Ik heb gemerkt, dat ik hier het eenige meisje
ben, dat dat boek in zijn jeugd nog niet gelezen heeft. Ik heb het
niemand verteld (dan zou ik dadelijk den naam krijgen van een vreemd
kind) maar ik ging heel kalm de deur uit en kocht het boek voor $ 1.12
van mijn zakgeld van de laatste maand. En als er nu iemand een volgende
keer over kleverige lemoenen spreekt, weet ik tenminste, wat ze er mee
bedoelt.
(Daar heb je de 10-uur-bel. Deze brief is wel erg verward).
Zaterdag.
Mijnheer,
Hiermede heb ik de eer u mede te deelen, dat ik nieuwe ontdekkingen
op het gebied van de meetkunde heb gedaan. Vrijdag l.l. hebben we ons
werk over de parallelogrammen gestaakt en hetzelve bij de afgeknotte
pyramides voortgezet. Wij vinden onzen studieweg hobbelig en zéér steil.
Zondag.
De volgende week begint de Kerstvacantie en wij hebben allen onze
koffers voor den dag gehaald. De gangen staan er zoo propvol mee, dat
je er haast niet door kunt en wij zijn allemaal zoo dol-opgewonden, dat
we haast niet meer aan ons werk denken. Ik krijg beslist een heerlijken
vacantietijd! Er is hier een andere nieuweling, die uit Texas komt
en ook met de vacantie hier blijft en nu hebben wij afgesproken om
samen lange wandelingen te maken en—als we ijs krijgen—te leeren
schaatsenrijden! Dan is daar nog de heele bibliotheek en drie volle
weken om te lezen!!
Dag, Vadertje, ik hoop dat jij je even blij voelt als ik me nu!
Altijd, Je Judy.
P.S. Vergeet vooral niet mijn vraag te beantwoorden! Als je het te
lastig vindt om te schrijven, kun je je secretaris toch even laten
telegrafeeren.
B.v.
Mijnheer Smith is heelemaal kaal,
of:
Mijnheer Smith is niet kaal,
of:
Mijnheer Smith heeft sneeuwwit haar,
en het kwartje dat het telegram kost, mag je dan van mijn
maandgeld afhouden.
Dàààg, tot Nieuwjaar! En prettige Kerstvacantie!
Aan het eind van de Kerstvacantie.
Datum weet ik niet.
Mijn lieve Vadertje Langbeen,
Sneeuwt het ook zoo waar jij bent? Alles wat ik hier vanuit mijn toren
zie, is wit, en groote sneeuwvlokken dwarrelen voortdurend naar beneden.
Het is laat in den namiddag. De zon is juist ondergegaan en koud-gele
strepen zijn achter de nog kouder lila heuvels zichtbaar. Ik zit hier in
mijn raamzitje om bij het laatste daglicht nog aan jou te schrijven.
Je heerlijke vijf goudstukjes waren een verrassing! Ik ben er niet
aan gewend met Kerstmis cadeaux te krijgen en jij hebt me al zóó veel
gegeven—alles wat ik heb, komt van jou—dat ik zelf vind, dat ik
eigenlijk niet nog iets extra's verdien. Maar het is toch heerlijk, dat
je het me gestuurd hebt! Wil je weten, wat ik er voor gekocht heb?
I. Een zilveren horloge in een leeren riempje om aan mijn pols
te dragen. Nu zal ik altijd wel op tijd op college komen.