ALFRED EDMUND BREHM.

Christian Ludwig Brehm, een der meest beroemde vogelkenners van

Duitschland, van wien een aantal ornithologische geschriften het licht

zagen, was predikant, laatstelijk te Neustadt a/d Orla, alwaar hij den

23. Juni 1864 overleed.

Den 2. Febr. 1829, toen Christian Brehm nog te Renthendorf (bij

Neustadt) woonde, werd hem een zoon geboren, de later zoo beroemd

geworden reiziger en natuurkundige, Alfred Edmund Brehm. Dat deze in de

studiën zijns vaders al vroeg aanleiding vond zich aan zoölogische

waarnemingen te wijden, dat de liefde des vaders voor de levende

schepping ook al spoedig ontkiemde in de borst des zoons, wie zal zulks

vreemd vinden?

Nog vóór Alfred de universiteit bezocht, had hij reeds verschillende

reizen gedaan, en op deze tochten gelegenheid gevonden de dieren in hun

natuurstaat na te gaan en te verzamelen. Op achttienjarigen leeftijd

ondernam hij in gezelschap en op kosten van Baron Johan Wilhelm von

Müller een zwerftocht door Egypte, Nubië en het oostelijk gedeelte van

Soedan. Na vijf jaren afzijns keerde hij in zijn geboorteland terug en

studeerde daarna zoölogie aan de hoogescholen te Jena en Weenen.

Vervolgens begaf Alfred Brehm zich weder op reis, bezocht Spanje,

Noorwegen en Lapland.

In 1862 ondernam hij een tocht naar Abessinië, steeds zijnen reeds

rijken schat van kennis en ervaring op dierkundig gebied

vermeerderende.

In gezelschap van Hertog Ernst van Saksen-Koburg-Gotha bezocht Brehm

het noorden van laatstgemeld land, terwijl de in navolgende bladen

beschreven reis naar Siberië werd ondernomen op aansporing en kosten

van het „Verein für die Deutsche Nordpolfahrt” te Bremen. Een gedeelte

der kosten van dien tocht werd bestreden door den heer Sibiriakoff te

Irkutsk, die daarvoor 16000 gulden beschikbaar stelde.

Wanneer hij niet uitlandig was, woonde Brehm meestal te Leipzig, alwaar

hij zoowel als onderwijzer werkzaam was, als door schrijven in zijn

onderhoud trachtte te voorzien.

In het jaar 1863 aangesteld tot direkteur van den pas opgerichten

zoölogischen tuin te Hamburg, bleef hij in deze betrekking evenwel

slechts vier jaren werkzaam. Gedurende dit korte tijdvak echter wist

hij die inrichting tot een van de beste der wereld te maken. Het

gunstig bekend aquarium van Berlijn heeft Brehm helpen stichten.

Het meest beroemd evenwel is Brehm geworden door zijn voorlezingen,

gehouden in de voornaamste steden van Duitschland, en vooral door zijne

vele geschriften. Bovenaan staat in deze rij: „Illustrirtes

Thierleben”, een werk, eerst in 8, daarna in 10 lijvige boekdeelen

uitgegeven, eene boeiende beschrijving bevattende van den bouw, het

voorkomen, de zeden en gewoonten, in den wilden zoowel als in den

tammen staat der hoogere en lagere diersoorten.

Behalve dit standaardwerk,—in vele opzichten tevens een vraagboek voor

vakgeleerden,—schreef Brehm: „Das Leben der Vögel”, „Die Thiere des

Waldes”, enz. Een aantal opstellen in de „Gartenlaube” en andere

tijdschriften zijn mede van zijne hand.

Den 11den November 1884 stierf de groote reiziger en dierenkenner in

dezelfde plaats, alwaar hij eens het levenslicht aanschouwde.

R. E. de Haan.

EEN WOORD VOORAF VAN Dr. HORST BREHM.

Reeds zes jaren dekt de koele aarde van Renthendorf het stoffelijk

hulsel van mijnen onvergetelijken vader, die voor allen, die hem

liefhadden en vereerden, te vroeg de oogen sloot. Het was eene

wonderbare beschikking van het lot, dat hetzelfde, weinig beteekenende

plaatsje in het groene Thüringerwoud, alwaar hij het levenslicht

aanschouwde, ook den man zag sterven, die gedurende zijn werkzaam, veel

bewogen leven vier werelddeelen had gezien en onderzocht.

Slechts vijf en vijftig jaren mocht hij tellen, toen zijn welbespraakte

mond zich voor altijd sloot, en de pen ontviel aan de hand, die haar

zoo meesterlijk wist te voeren. Hij was nog vervuld met groote plannen,

en te betreuren is het, dat de bouwstoffen, door hem nagelaten,

meerendeels zoo fragmentarisch zijn, dat geen vreemde hand daaruit een

geheel zou kunnen opbouwen. Toch bevatten de nagelaten schrifturen nog

zooveel merkwaardigs, dat ik het mij tegenover mijn vader zoowel als

tegenover alle vrienden eener ernstige natuurbeschouwing, ten

eereplicht rekende, die schatten voor de lezende wereld toegankelijk te

maken. De volgende bladen zijn daarvan de eerste en ongetwijfeld de

beste proeve; zij bevatten Alfred Edmund Brehms overal met graagte

genoten en zoozeer gewaardeerde voordrachten, in zooverre deze door hem

op schrift zijn gebracht. Ik meen daarmede velen een dienst te bewijzen

en heb het niet noodig geoordeeld de uitgave dier voordrachten met een

woord van aanbeveling vergezeld te doen gaan; zij mogen voor zich zelf

getuigen, en doen zulks reeds, hetgeen bewezen wordt door de talrijke

aanvragen van buitenlandsche boekhandelaren, die het vertalingsrecht

wenschen.

Wel is waar kan het geschreven woord het levende niet geheel vervangen,

en mijn vader, die steeds voor de vuist sprak, zal naar den eisch van

het oogenblik veel van ’t geen in deze bladen voorkomt, in een anderen

vorm hebben uitgesproken, hier verkortende, daar iets langer bij stil

staande,—maar wie hem gehoord heeft, dien zal ongetwijfeld het beeld

van den overledene weder duidelijk voor oogen staan, en het zal hem

wellicht zijn, als hij deze bladen leest, als hoorde hij weder Alfred

Brehms krachtige stem. De eigenaardige persoonlijkheid van den

schrijver van „Illustrirtes Thierleben” en van het „Leben der Vögel”

vinden wij in deze voordrachten weder terug, ja wij leeren haar van

eene nog nieuwe en aantrekkelijke zijde kennen. Want meer nog dan in

zijne andere werken spreekt daaruit mijns vaders veelheid van

ervaringen, zijn alzijdige kennis, zijn ongewoon waarnemingsvermogen,

en niet het minst de met zijn dichterlijken aanleg zoo nauw

samenhangende eigenaardige opvatting der levende en levenlooze natuur,

alsmede zijn gunstige, blijmoedige humor.

En zoo zend ik dan deze bladen de wereld in, vol vertrouwen, dat zij ’t

aantal vrienden, waarin de schrijver zich bij zijn leven verheugde, nog

zullen vermeerderen. Mochten zij ook aan de dierenwereld, die hij zoo

innig lief had, en die hij zoo door en door kende, nieuwe

onbevooroordeelde, hartelijke beschermers verzekeren! Mochten zij

tevens in elk huis, waar de zin voor goede letteren en alzoo voor

schoonheid in ’t algemeen wordt aangekweekt, ook voor de schoonheid

onzer aller moeder, de Natuur, meer en meer hart en oogen openen—dan

zou tevens de hoogste en edelste bedoeling in den geest des schrijvers

bereikt zijn!

En zoo zij dezen bladen op hun weg heil gewenscht; een vroolijk welkom

begroete hen, en waar zij eens vriendelijk werden ontvangen blijve hun

voor lang eene eereplaats verzekerd!

Berlijn, September 1890.

Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping · 第 2 / 88 题