VOORBERICHT.

Toen nu wijlen Dr. A. E. Brehm in de voornaamste steden van Duitschland

zijne voordrachten hield over de Vogelbergen van Lapland en de

boomlooze Toendra van Siberië, over de maagdelijke wouden van Afrika en

de bannelingen in den Oeral, en over zoovele andere onderwerpen meer,

voornamelijk ontleend aan het leven der hoogere dieren, ging er telkens

een storm van toejuichingen op uit de gehoorzalen, waar Brehm’s machtig

woord weêrklonk. En door inhoud, èn door vorm alles overtreffende, wat

ooit op dit gebied geleverd was, oefenden deze voordrachten eene

betooverende werking uit. Nooit sprak iemand op zulk eene boeiende,

aangename en aanschouwelijke wijze; nimmer wist een redenaar zoo zijn

hoorders als aan zijn lippen te ketenen. Zoo ging Brehm’s lof van mond

tot mond, van gewest tot gewest, van land tot land, en elke stad

rekende het zich tot eene eer den gevierden spreker althans éénmaal

gehoord te hebben. Zelfs het wufte, op schouwburg-vermaak verzotte

Weenen gevoelde zich gestreeld door de komst van den grooten

natuurvorscher, die, met de reine kleuren der natuur op zijn palet, en

een hart vol innige liefde voor al wat daar leeft in de ruime

schepping, een tooneelstuk schetste en maalde, zoo rijk van inhoud, zoo

schoon van vorm, zoo warm van kleur, dat zich een onbeschrijfelijke

geestdrift meester maakte van de onder zijn gehoor zittende menigte.

Ademlooze stilte heerschte, hier en elders, de twee volle uren lang,

die gewoonlijk elke voordracht duurde; in gespannen verwachting volgde

men den redenaar van woord tot woord, hangende aan de lippen, aan welke

slechts de zuiverste klanken ontwelden, die als eene electrische

ontroering werkten op de zinnen en gemoederen van het verrukte

auditorium. Waar hij de Vogelbergen van Lapland beschrijft, daar waant

men zich verplaatst te midden der scheren en fjorden van Skandinavië en

ziet men de millioenen gevederde bewoners der klippen en stranden, daar

hoort men het ruischen hunner vleugelen; dan verduistert het eigen oog,

en met moeite ontworstelt zich de geest aan de begoocheling en den

tooverkring, dien het bezielende woord van Brehm om zijn hoorders trok,

om terug te keeren tot de werkelijkheid,—de werkelijkheid, dat het

slechts een panorama is geweest, dat ons voorbij trok.

Een panorama, ja! maar onvergelijkelijk schoon!

Staat reeds het geschreven woord verre beneden het gesprokene, eene

gewaagde onderneming mag het schijnen, Brehm’s voordrachten, uit de

taal, waarin zij werden uitgesproken, te willen overbrengen in eene

andere.

Ik ontveins mij geenszins, dat hieraan gewichtige bezwaren verbonden

zijn, dat hierbij groote moeilijkheden te overwinnen zijn. Toch heb ik

niet geaarzeld die taak op mijn schouders te nemen, omdat ik daarbij

rekende op eene bondgenoot, die bij dat werk mij, naar ik meende,

gewichtige diensten zou kunnen bewijzen. Een sprank van de liefde voor

de bezielde en onbezielde schepping, die Brehm’s hart doorgloeide, en

waaraan hij zijn talent van opmerken en schilderen ontleende, mag ik

het mijne noemen. En dat gevoel zal, naar ik vertrouw, mij in staat

stellen op eenigszins getrouwe wijze terug te geven, wat er in Brehm’s

hoofd en hart omging, toen hij den aardbol doorkruiste „Van de

Noordpool naar den Aequator”.

Winterswijk. R. E. de Haan.

Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping · 第 1 / 88 题