[13] Onze eeuw van koud onderzoek, twijfel en winstbejag leent zich
voorzeker niet tot het ontstaan van het kinderlijke, geestdriftige
volksepos, en toch biedt zij iets min of meer overeenkomstigs in
Frankrijk aan, waar dagbladpers, romans, lier- en tooneeldichters,
beeldhouwers, schilders en geleerden de nederlaag van hun «année
terrible» als om strijd trachten om te scheppen; terwijl het
zegevierende Duitschland nog altijd op een groot dichter wacht,
om het glansrijkste feit uit zijne geschiedenis te verheerlijken.
Ook heeft Frankrijk zijnen Ganelon in Bazaine gevonden.
[14] Kurth, bl. 344.
[15] Müllenhoff veronderstelt te recht, dat het de beenderen van
eenen walvisch of iets dergelijks moeten geweest zijn.
In de ontdekking van zulke versteende overblijfselen ziet Kurth de
verklaring van het zoozeer verbreide volksgeloof aan het vroegere
reuzendom.
Ik herinner mij iets overeenkomstigs in de Origines Antwerpianae
van Goropius Becanus gelezen te hebben, als hij degenen wederlegt,
die den naam van Antwerpen uit Handwerpen verklaren en zich beroepen
op de aldaar bewaarde reusachtige beenderen, welke de hand van den
reus zouden zijn.
Becanus, die als natuurkundige zich minder met hersenschimmen paaide
dan als taalkundige, beweert, dat het de voet van een olifant is en
bewijst het door het versteende geraamte van zulk dier (mammouth?) te
beschrijven, dat men in zijnen tijd bij het aanleggen van het kanaal
van Willebroek opgedolven had.
Génard in zijn prachtwerk Anvers à travers les âges spreekt integendeel
van walvischbeenderen.
[16] Kurth, blz. 342.
[17] Kurth, blz. 338, 528. Jonckbloet I, 71. Kurth is niet ongenegen
in de Hugen met Ettmüller, Van den Bergh en Winkler de Chauci van
Tacitus te zien.
[18] Zoo duidt ook Nathanael Müller den naam van Beowulf.
Thorpe ziet er eene samentrekking in van beadowulf d. i. strijdwolf;
Cosijn verklaart den naam door «zegewolf»; anderen zien er weer
«bijenwolf» d. i. specht in.
[19] P. u B. Beiträge: Sceâf in den Nordischen Genealogien, door
Sievers.
[20] Wij vertalen op het voorbeeld van Cosijn Geátas door Gooten,
want Angels. eá vertegenwoordigt de Nederl. scherplange oo. Zoo laten
wij de verschillende meeningen onaangeroerd en voorkomen wij tevens
de verwarring met de vermaarde Oost- en Westgoten der geschiedenis.
[21] P. u. B. Beiträge, XVII: Goten und Ingvaeonen.
[22] Het scheen mij wenschelijk, wat langer bij ten Brink stil te
staan, omdat zijn proza, verre van op de Fransche helderheid te kunnen
bogen, maar al te zeer in Noordschen nevel gehuld is.
[23] Het Nederlandsch leent zich ook tot zulke samenstellingen, en
nochtans worden zij afgekeurd door hen, die zich tot wetgevers van
de spraakmakende gemeente opwerpen, als zijnde in strijd met den aard
onzer taal.
De Germaansche talen hebben dit voor op de Romaansche, welke hunne
toevlucht moeten nemen tot het Grieksch en Latijn, dat zij door middel
van de samenstelling nieuwe woorden uit eigen boezem kunnen scheppen.
«Stel wachters bij de bronnen!» Doch de wachters laten deze levende
bron onzer moedertaal van lieverlede uitdrogen. Zal het Nederlandsch er
bij gebaat zijn, wanneer het, in het dwangbuis gestoken der schoolsche
regelmatigheid, ten laatste alle kleur en vrijheid van beweging zal
hebben afgelegd?
Deze schilderachtige woorden zijn onontbeerlijk in de poëzie, vandaar
dat de dichters ze niet versmaden, zelfs degenen die er den staf over
breken, als b. v. Bilderdijk.
Ik lees in Urzijn en Valentijn:
Maar kunstgeleerde dapperheid
Betemt het woest geweld.
Hij schrijft goudgevloekt, godverwaten, kunstversierd, landverwezen,
wondgeslagen en andere.
Schaepman bracht aan den dichter van «het Menschdom verlost» deze
verkeerde woordverbindingen onder het oog, doch deze wees den
beoordeelaar op zijn eigen vers in de Keizersklok:
Zoo roept de wapenbode
In 't goudgestikte kleed.
Men zou eene heele lijst van dergelijke voorbeelden uit de
Nederlandsche dichters kunnen samenstellen. Stemt overigens het
Nederlandsche volk zonder de minste hapering, ja «met onbeklemde borst»
aan de hand van Tollens niet het godgevallig feestlied in?
Doch beschouwen wij de zaak wat van nabij.
Wat verstaat men door den aard onzer taal?
Ik kan er slechts twee beteekenissen aan toekennen.
Indien deze samenstellingen in strijd zijn met het Nederlandsch als
Germaansche taal, dan verwijzen wij naar de Engelsche en Duitsche
poëzie, waar zij legio zijn, en naar de oude Germaansche dialecten.
Het Gotisch heeft handu-waurhts, waaraan het Latijnsche manufactus
geheel beantwoordt. Het zal wel onnoodig zijn, op hun gebruik in het
Grieksch en Sanskrit te wijzen.
Ofwel verstaat men door den aard der taal het algemeen gangbare
spraakgebruik der beschaafden, dat, zooals Bilderdijk zegt, geene
andere betrekkingen dan den genitief toelaat, b. v. huisdeur = deur
van het huis?
Nochtans vinden wij eene menigte voorbeelden van andere betrekkingen,
zoowel bij zelfstandige als bijvoeglijke naamwoorden, waar het
hier vooral op aankomt, en wij twijfelen er niet aan, of de huidige
dialecten leveren ook dergelijke samenstellingen op.
Zelfst. nw.: hemelvaart, watervrees, broodnijd, steendruk, kindergek,
koordedanser, slaapwandelaar, wielrijder, geldgebrek, zwaardvechter,
regenscherm, zeeroover, stoelgang, kleurenblindheid, leedvermaak,
enz. enz.
Bij dit laatste woord teekent Van Dale aan:
«De reden, waarom wij geene schadevreugd of onheilvreugd zeggen, is,
omdat wij bij de uiteenzetting dezer samenstelling niet zeggen kunnen:
vreugde der schade of des onheils, maar over schade of onheil. Hierom
is ook het thans gebruikelijke leedvermaak (eene vertaling van het
Hoogd. Schadenfreude) af te keuren.»
Bij deze regels denk ik onwillekeurig aan de kunstmatig ingedrukte
voetjes der Chineesche dames.
Bijvoegl. nw.: composita met rijk: roemrijk, volkrijk, scheeprijk
enz.; die met schuw: menschenschuw, zonneschuw, lichtschuw; die met
blind: dagblind, sneeuwblind; bedlegerig, bijbelvast, godebehaaglijk,
wereldberoemd, godgewijd, zeevaardig, dienstvaardig, waterdicht,
luchtdicht, handtastelijk, proefondervindelijk, slagvaardig,
kinderzalig, godzalig, godgeleerd, nagelvast, handgemeen, mondgemeen,
vingersnel, handgauw, handgetrouw, natuurtrouw, zeehard, zeeziek,
het in de dagbladen niet ongewone wereldkundig, staatsgevaarlijk,
levensgevaarlijk, enz. enz.
Deze lijst zou gemakkelijk vermeerderd kunnen worden bij eene
nauwgezette doorbladering van het woordenboek en bij het raadplegen
der gewestspraak.
Wij besluiten hieruit, dat zij, die deze samenstellingen afkeuren,
den vooruitgang der taal op willekeurige wijs belemmeren, en op éene
lijn kunnen gesteld worden met hen, die misbruik maken van vreemde
woorden, in plaats van hun «moers taal» te spreken, om het met Kegge
onbewimpeld uit te drukken.
[24] Het Fransche volksepos «La Chanson de Roland» is van Germaanschen
oorsprong.
Vandaar de eigennamen als Durandal voor Roelants zwaard en Joyeuse
voor dat van den Keizer «à la barbe fleurie».
[25] 4 Scheving: zoon van Scef of Sceáf, welke naam Schoof
beteekent. Vgl. v. 47 Nota.
[26] 5 medezetels: de banken, waarop de krijgers bij de gastmalen
hunner vorsten zaten, en waar bier en mede geschonken werd. Werd de
eene vorst door den anderen overwonnen, zoo hielden de drinkgelagen
op. Ettmüller.
[27] 15 Hij: de Hemel. Deze verzen doelen op de oorlogen, welke het
tijdperk van regeeringloosheid, dat de aankomst van Schyld zou zijn
voorafgegaan, moesten kenmerken.
[28] 18 hem: Beowulf, zoon van Schyld.
[29] 14b-18 zijn blijkbaar een toevoegsel van christelijke hand.
[30] 19 Deze Beowulf, de Deen, waarin de uitgevers den mythischen
held Beáv of Beóv zien, is niet te verwarren met Beowulf, den Goot,
den held van het gedicht.
[31] 20 de Schedelanden: het Denenrijk.
[32] 24 in d'ouderdom: als hij op zijne beurt koning is geworden.
[33] 28b Ingeschoven.
[34] 31 Schildings: Denen.
[35] 42 op den schoot: van het schip. Vgl. v. 36.
[36] 47 De sage van deze wonderbare aanlanding in het oude Anglië wordt
ook vermeld door de Engelsche kroniekschrijvers, doch niet aan Scyld,
maar aan Sceáf, zijnen vader, toegeschreven. Kemble deelt, onder meer,
den volgenden tekst van Willem van Malmesbury mede:
Iste (Sceaf), ut fertur, in quandam insulam Germaniae Scandzam, de
qua Jordanes, historiographus Gothorum, loquitur, appulsus navi sine
remige puerulus, posito ad caput frumenti manipulo, ideoque Sceáf
(Ned. schoof) nuncupatus, ab hominibus regionis illius pro miraculo
exceptus et sedulo nutritus, adulta aetate regnavit in oppido, quod
tunc Slasvic, nunc vero Haitheby appellalur: est autem regio illa
Anglia vetus dicta, unde Angli venerunt in Britanniam, inter Saxones
et Gothos constituta.
Voor meer aanhalingen verwijs ik naar Ettmüllers inleiding.
Volgens Nathanaël Muller moet Sceáf de Germaansche Ulysses geweest
zijn, waarvan Tacitus gewaagt: Caeterum et Ulixem quidam opinantur
longo illo et fabuloso errore in hunc oceanum delatum adisse Germaniae
terras... Germ. Cap. 3.
De aankomst van den Zwaanridder in het geheimzinnige bootje komt met
de sage van Sceaf overeen.
[37] 48 Een gouden banier of schild boven aan den mast was het teeken
van de aanwezigheid eens konings. Ettmüller.
[38] 53 beneên de wolken: op aarde.
[39] 56 Schyld was gestorven.
[40] 63 Ongentheow: is eene gissing, daar het handschrift hier eene
leemte vertoont.
[41] 64 Schilfing: Zweed.
Ettmüller merkt te recht aan, dat deze inleiding de afstamming
behelst van den Deenschen koning Hrodgar en niet, zooals het diende,
van Beowulf den Goot, die nochtans de held van 't epos is. Een bewijs,
onder meer andere, dat dit gedeelte later bijgevoegd is.
[42] 66 zijn dierbre magen: quodque praecipuum fortitudinis
incitamentum est, non casus nec fortuita conglobatio turmam aut cuneum
facit, sed familiae et propinquitates. Tacitus, Germania, 7.
[43] 73-74 uitgezonderd de Koningsmacht? De regel «is ten eenenmale
onbegrijpelijk. Berust hij op een toespeling door een recitator
ingelascht, is ze dus een hatelijkheid op een Anglisch vorst, die zijn
legermacht dunde door ze onder de vaandels van een ander vorst, en
niet tot verdediging van zijn land, te doen strijden, dan kan alleen
de historie hier licht geven.» Cosijn. Ook werpt hij het vers uit,
evenals Ettmüller.
[44] 82 met hoornen voorzien: met hertegewei, dat den gevel
bekroonde. Vandaar de naam Heort of Heorot.
[45] 83-86 Hier wordt gezinspeeld op gebeurtenissen, die niet
in het gedicht behandeld worden, maar die het onderwerp moesten
uitmaken van afzonderlijke zangen: den brand van Heorot, en de
vijandschap tusschen Hrodgar en zijnen schoonzoon Ingeld, den vorst
der Headobarden. Vgl. v. 800 en vooral XXX.
[46] 90b-103a Ingelaschte verzen, volgens Müllenhofs indeeling,
terwijl Ettmüller minder juist ook 103b-106 verwerpt.
[47] 107-118 Ingeschoven plaats.
[48] 115-118 Joodsche voorstelling, volgens welke alle gedrochten
van Kaïn afstammen, gevolgd door eene herinnering aan de klassieke
oudheid. Vgl. v. 1283 vlg.
[49] 119 hij: Grendel.
[50] 127 Van dit dertigtal verslond hij er vijftien en sleepte de
overigen naar zijn hol. Vgl. v. 1614.
[51] 129 met kampbuit: de vijftien overgeblevenen van v. 127.
[52] 151 winters: jaren, volgens de Germaansche gewoonte van naar
winters te tellen.
[53] 160 met geld te zoenen: het weergeld, volgens de oude
rechtspleging.
[54] 161 glansrijker boete: door hem te dooden in den strijd.
[55] 164 meerderen en mindren: de krijgsschaar bestond uit strijders
van hoogeren en lageren rang, in den trant van de ridders en
schildknapen der middeleeuwen.
[56] 172 God belette hem den Deenschen troon te bestijgen; immers
Grendel ging gebukt onder Zijnen vloek. Vgl. v. 725. Ook wenschte
Grendel zulks niet.
[57] 168-73 Inlassching.
[58] 179 Den Godentempels. Ags. hearg-träf. «Götterzelt, Tempel.»
De tempels werden in den regel op plaatsen gebouwd, die reeds op zich
zelf als heilig golden, vooral in bosschen. Ags. hearh beteekent dus
zoowel «heilig bosch» als «tempel».
Sarrazin besluit uit deze plaats, dat zich in de nabijheid van Hrodgars
burcht een offerwoud bevond.
En inderdaad, op eenige minuten van Lerje ligt een beukenbosch, het
Herthadal, vroeger ook het «heilig woud» geheeten, hetgeen volgens de
oude overlevering en volgens de meening van Deensche oudheidkundigen
eene heidensche offerplaats geweest is. In dit bosch bevindt zich
het Herthameer, dat vroeger het «heilig meer» genoemd werd.
Als laatste bewijs haalt Sarrazin het oude getuigenis aan van Diethmar
van Merseburg.
Is dus Lerje, blijkens het hier aangehaalde, reeds merkwaardig genoeg,
het wint nog in belangrijkheid, dank aan het opstel van Much, «Goten
und Ingvaeonen».
Het geheimzinnige meer aan de godin Hertha (Nerthus) gewijd, waarvan
Tacitus Germ. 40 zulk aangrijpend tooneel ophangt, bevindt zich
volgens hem niet op Rügen, maar op het vruchtbare Seeland en is juist
het Herthameer in de nabijheid van Lerje.
Seeland was dus het Nerthuseiland en Lerje (het oude Hleithra of
Lethra) het middelpunt van den Vaneneeredienst.
[59] 181 wurggeest: duivel.
[60] 183-191 Onechte plaats. De Denen naar de hel verwijzen enkel
omdat zij heidenen waren, getuigt van eene bekrompen godsdienstige
opvatting. Dat wij dit nochtans zoo nauw niet moeten nemen, zagen
wij reeds in de Inleiding.
[61] 193 de zoon van Healfdeen: Hrodgar.
[62] 198 Higelaces leenman: Beowulf, de Goot. Hier treedt voor het
eerst en zonder verband met het voorafgaande de held van het epos op.
[63] 199 de Gooten. Vgl. Inleiding.
[64] 206 Zij rieden het hem sterk aan (litotes.) Cosijn.
Higelac nochtans trachtte te vergeefs zijnen neef te doen blijven
Vgl. v. 2047.
[65] 208 gewenschte teekens: Auspicia sortesque ut qui maxime observant
Tacitus. Germ. 10.
[66] 212 Een kampheld: hij geleidde hen naar het strand.
[67] 216 Het was hoog tij.
[68] 220 gebonden kiel: beslagen kiel.
[69] 223 De overtocht had dus 24 uren geduurd, hetgeen zich met
de beide veronderstellingen omtrent de woonplaats der Gooten laat
overeenbrengen, hetzij de reis van het zuidelijkste punt van Zweden
naar Jutland, ofwel van Jutland naar Roeskilde uitgaat.
[70] 228 Wederlieden: Gooten.
[71] 246 Ofschoon de strooptochten der Noordsche wikings of zeekoningen
zich eerst in de 9de en 10de eeuw op eene groote schaal uitbreidden,
hadden de Germanen toch van oudsher zeeroof gepleegd. Tacitus zegt:
Latrocinia nullam habent infamiam quae extra fines cujusque civitatis
fiunt. Ons gedicht bewijst het te over. Vandaar de Deensche kustwachter
alhier en de havenhoeder bij de Gooten. Vgl. v. 1961.
[72] 252 uwer een: Beowulf.
[73] 253 huisman: in tegenstelling met
edelman. Angs. seld-guma. seld-guma ist hier offenbar der gemeine Mann,
der nur ein seld besitzt, im gegensatze zu dem edlen, der einen hof
zu eigen hat. Socin.
[74] 285-87 Indien het ongeluk niet ophoudt, dan zal hij steeds in
't ongeluk zijn!
Nuchtere opmerking van interpolator La Palice.
Müllenhoff schrapt 282b-284.
[75] 296 De vaartuigen werden, evenals onze visschersschuiten, op
het zand getrokken. Vgl. v. 1943, 1960-61.
[76] 305 Wangstuk: dat gedeelte van den helm dat de wangen
beschut. Het everzwijn was het aan Freyr gewijde dier. Formas aprorum
gestant. Tacitus, Germ. 45.
Eene op Oeland in Zweden gevonden bronzen schijf stelt twee krijgers
voor, die boven op hunnen helm een everbeeld hebben.
[77] 308 Sarrazin geeft de volgende plaatsbeschrijving van Lerje
en omstreken:
De afstand van de zeehaven Roeskilde naar Lerje bedraagt ongeveer
5/4 uur gaans. De weg is eerst vlak, stijgt dan ongemerkt, totdat hij
halverwege het hoogste punt bereikt om daarna te dalen; zoodat men in
de verte rechts het dorp Lerje en links het slot Ledreborg ziet, dat
zich op eene hoogte verheft, ter plaatse waar, volgens de overlevering,
zich de oude burcht bevond. Sporen van de oude geplaveide baan zouden
vroeger nog te zien zijn geweest.
In overeenstemming hiermede bevindt zich Hrodgars burcht met
de belendende koningszaal Heorot op eenigen afstand van de zee,
welke in betrekkelijk korten tijd te voet kan afgelegd worden. De
kustwachter doet aan de Gooten uitgeleide (300), totdat het hoogste
punt bereikt is, vanwaar Heorots transen zichtbaar zijn (310, 313);
hier neemt hij van hen afscheid (314), terwijl zij vervolgens afdalen
(309) en langs den steenweg (321) Hrodgars verblijf bereiken.
[78] 312 De machtige: Hrodgar.
[79] 331 Blauwschemerig van boven: met stalen punt.
[80] 333 Kamper: Wulfgar.
[81] 338 Een zulke menigte is wel wat opvallend, immers zij waren
maar met hun vijftien. Vgl. v. 211.
[82] 359 bij de schouders: ter zijde, niet recht vóór hem.
[83] 373 Ecgtheow was uitgeweken wegens doodslag aan Headolaf, een
Wulfing, gepleegd en «had Beowulf meegenomen». Cosijn.
Beowulf moet op het oogenblik, dat deze gebeurtenissen plaats grijpen,
een goede vijftig jaar oud zijn. Immers toen Ecgtheow uitweek, had
Hrodgar, welke thans 50 jaar koning is (v. 1806), juist den troon
beklommen. Vgl. v. 469 vlg.
[84] 377 vriend: Hrodgar.
[85] 378 Waarschijnlijk wegens de beslechting van de veete met de
Wulfings. 't Is natuurlijk, dat bij die gelegenheid de Gootische
schippers van hunnen landgenoot Beowulf gewaagden. Cosijn.
[86] 382 Wester-Denen: Denen.
[87] 392 Oost-Denen: Denen.
[88] 399 De sterke: Beowulf.
[89] 401 heergetuig: de schilden en lansen, welke welstaanshalve
buiten moesten blijven.
[90] 402 de wapenstoute: Wulfgar.
[91] 416 Vgl. v. 206.
[92] 423 Nergens in het gedicht wordt nader melding gemaakt van
Beowulfs kamp met de reuzen; het verslaan der Nikkers schijnt niet
te zien op v. 585.
[93] 429 reus: Grendel wordt als een reus voorgesteld. Vgl. v. 1370
vlg.
[94] 435-36 Hij draagt geen wapen en vreest voor geen wapen.
[95] 442b-43 Christelijke wereldbeschouwing.
[96] 448 Gij hoeft niet de wacht bij mijn lijk te houden. Zoo wordt
later ook gezegd van Wiglaf, dat hij waakt bij het lijk van Beowulf
en den draak. In den tekst staat niet lijk, maar hoofd.
[97] 454 Daar Grendel, in de veronderstelling dat hij overwinnaar
blijft, Beowulf zal verslinden, kan er geen sprake wezen van het
lijk af te leggen: De neusgaten werden gesloten, daarna werd de doode
gewasschen en gekleed.
De tekst heeft niet lijktooi maar lichaam.
[98] 458 Weland: Wieland in de Duitsche sage, Volundr in de
Volundarkvitha der Edda.
De sage van den kreupelen Weland, den Germaanschen Hephaistos, is,
volgens Symons, in Nederduitschland ontstaan. Het is een mythisch
wezen en vertegenwoordigt bij uitstek den schranderen dwerg, die de
onderaardsche schatten aan zijne kunst dienstbaar maakt.
In de Edda wordt de sage volgenderwijze verhaald:
Nithothr, koning der Niaren, neemt den vindingrijken smid Volundr
gevangen en laat hem op een eiland zijne kunst uitoefenen, na hem
de kniepees doorgesneden te hebben. Volundr koelt zijne wraak door
's konings zonen te dooden en dezes dochter te verkrachten.
Van de bekkeneelen der knapen had hij drinkschalen voor den koning
vervaardigd, van de oogen edelsteenen voor de koningin en van de
tanden borstspelden voor de koningsdochter.
Degenen die hierover meer wenschen te vernemen, verwijs ik naar het
opstel van J. Kleyntjens «Een Eddalied vertaald en opgehelderd,»
voor zoover als ik weet de eenige studie, welke in Vlaamsch België
over de Oudnoordsche letteren verschenen is.
L'Enseignement des Langues Modernes. Jaargang 1894-95.
[99] 459 Het noodlot is onwankelbaar.
[100] 464 De Wylfings moeten beschouwd worden als Gooten, of ten
minste als nauw ermede verwant.
Niettegenstaande de Gooten Ecgtheow trachtten te doen blijven,
vluchtte deze over zee naar Hrodgar, omdat hij beducht was voor de
wraak der Wylfings: (heirschrik v. 466).
Hrodgar betaalde het weergeld en verplichtte daardoor Ecgtheow. De
plaats is vrij duister.
Müllenhoff wijst de Wylfingen ten zuiden der Oostzee thuis.
Het geslacht der Wylfingen, Wulfingen, dat ook in Widsidh vermeld
wordt, is in de Duitsche heldensage bekend.
Hiertoe behoort Hildebrand met zijne dapperen, de moedige dienstman
van Diederik van Bern (Theodorik de Groote).
[101] 466 hem: Ecgtheow.
[102] 474 zoende ik: Hrodgar was de aangewezen man om de verzoening
te bewerken, daar hij vanwege zijne echtgenoote met de Wylfingen
vermaagschapt was. Vgl. 632. Nota.
[103] 482 naar Grendels schrikverschijning: naar den verschrikkelijken
Grendel.
[104] 491 bankvloer: de vaste bodem, waar zich de banken of
tafels bevonden die men kon opruimen om plaats te maken voor het
nachtleger. Vgl. v. 1260.
[105] 497 Beowulf heeft dus staande zijne aanspraak gehouden.
[106] 501 aalkan: bierkan.
[107] 507 aan de voeten: op de tweede eereplaats rechts van den ingang,
vóór Hrodgar, doch eene trede lager. Vgl. v. 2847. Nota.
[108] 508 het kampgeheim ontkeetnend: den woordenstrijd beginnend. De
uitdagende woorden worden vergeleken met een wild dier, dat men
loslaat.
[109] 529 Heado-raemen. Müllenhoff schrijft Heado-reámen
(Strijd-Reámen) en ziet erin de Raumaricii van Jordanes, de bewoners
van Raumariki ten zuiden van Noorwegen. (Angs eá = au).
[110] 531 Brondings: Zie Inleiding, blz. 80.
[111] 592 het land der Finnen: Finmarken aan de IJszee.
Volgens Bugge is de episode van Brecca verwant met de IJslandsche
sage van Egil.
[112] 598 niet bral ik dies. IJdele woordenpraal werd door de Germanen
in den hoogsten graad verafschuwd.
Hunne nakomelingen, die nog niet wegloopen met de Fransche «blague»,
schijnen er niet op gebeterd te zijn.
[113] 595-99 Vlijmende spotternij. Gij, Hunferd, hebt nooit zulke
moedige daad volbracht, of het moest de moord van uwe bloedverwanten
zijn.
[114] 604 uw heerscher: aan uwen heerscher.
[115] 607-9 Waarlijk Beowulf windt er geene doekjes om!
Er diende nochtans vrijmoedigheid toe, om deze voor de Denen zoo
geringschattende woorden in de tegenwoordigheid van al de rijksgrooten
uit te spreken.
[116] 610 noodpand: gedwongen pand, nl. de lijken.
[117] 614-15 Dan mogen de Denen weer hunnen intrek nemen in Heorot.
[118] 631 zaalkroes: in de zaal gereikte kroes.
[119] 632 Wealchtheow was van den stam der Helmingen.
Volgens Widsidh heerschte Helm over de Wulfingen.
[120] 633 hoog en nedrig: Krijgers van hoogeren en lageren rang.
[121] 634 totdat de beurt zich bood: zij ging eerst de rij rond
aan den kant van Hrodgar en kwam daarna bij Beowulf, die op de 2de
eereplaats recht tegenover Hrodgar gezeten was.
[122] 652 naast haar echtgenoot: aan zijne linkerhand.
Ons gedicht hangt een levendig tafereel op van de Germaansche
feestmalen. Eene hoofdzaak was het, aan de gasten eene met hunnen rang
overeenkomende plaats aan te wijzen. Liederen werden voorgedragen,
sagen en eigen daden verhaald. De braspartij werd besloten met het
uitdeelen van geschenken aan elk der gasten.
Mullenhoff ziet in vv. 624-55 eene inlassching, omdat Wealchtheow
opeens verdwenen moet zijn, want v. 656 wordt alleen van Hrodgar
gezegd, dat hij de zaal verlaat.
Staat er niet v. 934-35 dat Hrodgar het vertrek der gade verlaat? Kon
de dichter dus de gevolgtrekking niet aan den lezer overlaten? Vgl. nog
v. 676.
[123] 665 't bezit der zaal: de inbezitneming van Heorot te handhaven
tegenover Grendel.
[124] 673 Zoo gij er het leven van afbrengt.
[125] 677b-81 Christelijke overweging.
[126] 679-81 Ter oorzake van Hrodgar verleende God in dezen d. i. in
dit bijzonder geval zijne hulp, door Beowulf af te zenden.
[127] 690 De volgende verzen zijn eene herhaling van v. 435 vlg.
[128] 694-95 Hij is niet bedreven in het hanteeren der wapenen,
zooals het eenen ridder past.
[129] 711 het weefsel van het wapenheil: het geluk der wapens.
Volgens de Edda weefden de Walkuren het weefsel van den slag.
Wij hebben hier een mengelmoes van heidensche en christelijke
denkbeelden.
[130] 714b.-23 Ettmüller en Müllenhoff beschouwen deze regels als van
lateren oorsprong. Ook wordt v. 724 nog eens gezegd, dat Grendel in
aantocht is.
[131] 730 goudwoon: zoo geheeten, omdat er de koning goud uitdeelde.
[132] 740 der halle monding: de deur.
[133] 750-51 Hier wordt, als zoo dikwerf in 't gedicht, de ontknooping
in het verschiet gesteld.
[134] 755-58 De Goot, die hier zoo ongelukkig aan zijn einde komt,
is Hondsció, zooals blijkt uit het mondelingsch verslag van zijnen
tocht, dat Beowulf later aan Hygelac doet. Vgl. v. 2131.
[135] 760 met hand en voeten: met huid en haar.
[136] 762, 763 strijdheld, de vijand: Beowulf.
[137] 764 en stutte; Beowulf stutte zich met den arm op de bovenste
trede der bankvloer. Vgl. v. 2847 Nota.
[138] 771 der duivels drijven: de overige monsters. Vgl. v. 1538.
[139] 770-73 Overtollige uitbreiding.
[140] 772-73 Hij vond hier niet meer de gelegenheid om, zooals vroeger,
een bloedbad aan te richten.
[141] 781-82 Beowulfs vuist hield Grendels hand in bedwang.
[142] 785 Immers de Denen sliepen niet meer in Heorot, maar in den
burcht. Vgl. v. 142 vlg.
[143] 786 doodsontzetting: ealu-scerwen, eigenlijk bierschrik,
eene epische, destijds misschien reeds verduisterde uitdrukking,
oorspronkelijk eene plotselinge verdwijning van het bier beteekenende.
[144] 793 menig meebank: die in 't midden van de zaal verplaatst
waren. Vgl. v. 1260.
[145] 800 Tweede toespeling op eenen toekomstigen brand. Vgl. v. 83.
[146] 812 Illum (principem) defendere, tueri... praecipuum sacramentum
est. Tacitus Germ. 14.
[147] 808-22 Ettmüller verwerpt deze verzen, immers daar Beowulf in
zijn land vernomen had, dat Grendel geene wapens te vreezen had (v. 435
vlg.), moesten zijne makkers het ook geweten hebben. Müllenhoff wijst
ook op eene tegenspraak. Beider gevoelen komt mij niet aannemelijk
voor. Vgl. Aanmerkingen.
[148] 834 weeldelooze woning: het meer, dat zich te midden der
moerassen aan den voet der rotsen uitstrekte.
[149] 851 volgens mijn ervaren: De dichter doet een beroep op de
dichterlijke overlevering van zijnen tijd. Deze getuigenis keert bij
herhaling terug.
[150] 854 voetspoor: Zij begaven zich naar het meer.
Beowulf was er niet bij; immers later zegt hem Hrodgar:
«Nog kent gij niet de plek» en hij beschrijft hem dan het geheimzinnige
meer. Vgl. v. 1387 vlg.
[151] 865 Ingelascht vers.
[152] 871 tusschen tweelingzeeën: tusschen Noord- en Oostzee.
[153] 876a Hrodgar krijgt meer dan eens zoo'n pluimpje, ofschoon
het gedicht een eerbiedig zwijgen bewaart over zijne wapenfeiten. De
grijsaard komt mij al te jammerend voor.
Ik denk hier onwillekeurig aan Tacitus Germ. 14. «sua... fortia facta
gloriae eius (principis) adsignare praecipuum sacramentum est.»
[154] 881 Het ideaal van zulk een dichter wordt ons in Widsidh
voorgesteld.
[155] 886 elk liet nu weten: De overgang van Beowulf, den dooder van
Grendel, op Sigmund, den dooder van Fafnir, ligt voor de hand.
[156] 889 des Walsings: Sigmund, zoon van Wals.
[157] 892 Fitela: Sinfjötli in de Edda, de oudste zoon en neef van
Sigmund, die zijnen vader op de zwerftochten ter zijde stond.
[158] 896 der reuzen: Nevelingen.
[159] 900 vuurdraak: Fafnir; de schat, waarvan sprake, is de schat
der Nevelingen.
Het Angelsaksisch gedicht verwart hier den vader met den zoon: Niet
Sigmund, maar zijn zoon Sigfried, de held van de Wolsungensage in de
Edda en van het Duitsche Nibelungenlied, doodde den draak en verwierf
daardoor den schat der Nibelungen.
[160] 917 bij 't reuzendom: de Nibelungen, welke oorspronkelijk
de daemonische, duistere machten zijn, die het eerste den schat
bezaten. In den tekst staat niet Sigmund maar hij.
De volgende zin ziet op het verdriet van Sigmund in zijne
gevangenschap.
[161] 912-16 Sigmund was de vermaardste held geweest na Heremod.
[162] 920 tot levenskommer: door te sterven. Het ongelukkig uiteinde
van Sigmund in het geweld der Nibelungen was voor zijne lieden een
levenslange kommer.
Volgens Bugge is hier sprake van Heremod, die bij de reuzen
verraderlijk gedood werd en in 's vijands handen, d. i. de macht des
duivels, geraakte. Ook volgens Müllenhoff slaat v. 918-920 op Heremod.
[163] 922 't vertrek des koenen: van Heremod.
[164] 921-27 Evenals Sigmunds tochtgenooten zijne verdwijning
betreurden in de macht der Nibelungen, zoo ook betreurden de
Denen, dat de even dappere Heremod, die hetzij vrijwillig, hetzij
gedwongen vertrokken was, door zijne wreedheid de van hem gekoesterde
verwachtingen bedrogen had.
Het lot van Heremod wordt met dat van Sigmund vergeleken. Er zijn twee
punten van aanraking: hunne heldenkracht en hun ongelukkig uiteinde.
[165] 927 De bloedvriend Hygelacs: Beowulf.
[166] 929 aan gene: aan Heremod. Wij hebben hier eene tegenstelling
tusschen het gedrag van Beowulf en dat van Heremod.
Deze verzen dienen tevens tot aanknooping van de
Sigmund--Heremodepisode met den held van het gedicht.
Later wordt nog op twee plaatsen van Heremod melding gemaakt: 1742
vlg. en 2236 vlg.
De sage van Heremod heeft, volgens Bugge, veel overeenkomst met de
Noordsche sage van Ali frokni (de koene).
[167] 932 morgenlicht: morgenzon.
[168] 934 het wonderfeit: de arm van Grendel.
[169] 938 langs den medeweg: langs den weg naar Heorot, de drinkhalle.
[170] 941 Grendels hand, het zegeteeken van Beowulf, werd vóór de deur,
op de stoep gelegd, waar ieder ze zien kon.
[171] 945-46 Ingelascht.
[172] 957 Wie zij ook zij: Deze woorden zijn opvallend in Hrodgars
mond; immers wij weten, (v. 374) dat hij Beowulfs moeder «Hredels
eenige dochter» kende, al blijft ook haar naam in het duister.
[173] 976 in zijnen tooi: wapenrusting.
[174] 991 de groote dagvaart: dag des oordeels.
Deze drie verzen zijn blijkbaar van christelijken oorsprong.
[175] 1008 de weefsels: Het was de gewoonte bij feestelijke
gelegenheden de wanden met kostbare stoffen te bedekken, waarop
dikwijls kunstvolle onderwerpen waren voorgesteld.
[176] 1016 dit: de dood. Het onderwerp moet uit de beteekenis van
den vorigen zin worden opgemaakt.
[177] 1017-20 de noodwendig voor iedereen bereide doodstede.
[178] 1016-22 Iedereen moet sterven, dit kan zelfs dan gebeuren,
wanneer men zich het minste er op verwacht b. v. als men is ingedommeld
na het feestmaal.
Deze gebrekkige verzen zijn blijkbaar een inlapsel.
[179] 1022 de dagstond: Daar er, ten minste in het Noorden, twee
hoofdmaaltijden plaats grepen, een om 9 uur 's morgens en een 's
avonds na volbrachte dagtaak, moeten wij 9 uur aannemen.
Immers het was nog morgen (931-35) en later wordt gezegd, dat zij
den ganschen dag tafelden (2171).
Ook kan de tocht naar het meer, die vooraf had plaats gehad, geen
bezwaar opleveren, want de afstand was niet groot (1387) en zij lieten
somtijds hunne paarden draven (876).
Het feestmaal duurde tot 's avonds. Vgl. 1256, 2171.
[180] 1030 Hrodulf: Hrodgars neef en mederegent.
[181] 1032 Een strijd tusschen Hrodgar en Hrodulf wordt in het
verschiet gesteld, strijd waarover het gedicht het zwijgen bewaart. Zie
ook v. 1182. De dichter zinspeelt hier, evenals vroeger bij de
verhouding tusschen Hrodgar en Ingeld (v. 83), op de dichterlijke
overlevering van zijnen tijd.
[182] 1038 den vorst: Beowulf.
[183] 1049 Van deze acht paarden schenkt Beowulf er later vier aan
Hygelac en drie aan Hygd. Vgl. 2220, 2232.
[184] 1057 der Denen: der Ingwinen, in den tekst.
Deze naam herinnert ons aan de Ingaevones van Tacitus. De volkeren
langs de Noordzee vereerden den god Ing d. i. Freyr.
[185] 1067 den man: Hondsció. Vgl. v. 2131.
[186] 1071 Wyrd: noodlot, eigenlijk een der drie Nornen of
schikgodinnen; doch wordt, evenals in den Heliand, gebezigd voor
Gods Voorzienigheid. Christendom en heidendom worden weer in eenen
adem genoemd.
[187] 1069-76 Stichtelijk gerijm.
[188] 1073-76 Het vertrouwen op God is de beste steun in al de
omstandigheden dezes levens. worsteldagen: aardsche leven.
[189] 1078 Hnäf: vorst der Half-Denen en veldheer van Healfdeen,
koning der Denen. Daar Hrodgar, Healfdeens zoon, nu vijftig jaar het
bewind voerde, was er ruim eene halve eeuw verloopen sinds de hier
vermelde gebeurtenissen.
[190] 1081 de zanger van Hrodgar: Hunferd.
[191] 1082 Finnes zonen: de mannen van Finn, koning der Friezen.
[192] 1083 overrompeling: van den kant der zich wrekende
Denen. Vgl. 1161 vlg.
[193] 1084 Half-Denen: Volgens Bugge waren dit geene eigenlijke Denen,
ofschoon hunne bondgenooten; want Hnäf behoorde tot de Hokingen en
Sigeferd, waarvan in het Finsburglied sprake is, tot de Secgas. De
overige benamingen integendeel, als Noord-Oost-Zuid-Deen, zijn zoovele
benamingen voor een en hetzelfde volk nl. de Denen.
[194] 1085 't Friezenveld: slagveld, waar veel Friezen gevallen waren,
de Finsburg met omgeving. Vgl. 1094 vlg.
De kamp, waarin Hnäf verraderlijk viel onder de slagen van Finn en
zijne Friezen, wordt ons in het Finsburgfragment geschilderd en gaat
bijgevolg de hier verhaalde gebeurtenissen onmiddellijk vooraf.
[195] Hildburg, bloedverwante, misschien de zuster van Hnäf, en Finns
gemalin. In Widsidh heet Hnäf de vorst der Hokingen; daar nu Hildeburg
Hokes dochter is (Vgl. v. 1090), zoo was het vermoedelijk eene oude
veete, die door het huwelijk van Finn en Hildeburg was bijgelegd,
doch die nu weer losbreekt door den verraderlijken overval in Finsburg.
Dit verklaart dan Eotentrouw. Ettmüller.
[196] 1086 Eotentrouw: Friezentrouw.
[197] lieve loten en broeders: hare zonen en broeders, welke zich
onder de gesneuvelde Half-Denen bevonden.
[198] 1090 toen de morgen daagde: De Half-Denen werden 's nachts in
Finsburg overvallen.
[199] 1095 dingplaats: de vergaderplaats, waar beide partijen tot
onderhandeling of, desnoods, tot een nieuw gevecht tegenover elkander
stonden.
[200] 1096 Hengest: Hnäfs opvolger als bevelhebber der Half-Denen.
[201] 1098 veldheer van den koning: Hengest, veldheer van Healfdeen.
[202] 1099 Zij: de Friezen.
[203] 1106 als wilde enz. Finn onthaalde de Denen of Half-Denen,
alsof het zijne eigen Friezen waren.
[204] 1110 de resten van de ramp: de overblijvende Deensche strijders.
[205] 1111 volgens 't oordeel van de raden: in geval van oneenigheid
zouden de raadslieden uitspraak doen.
[206] 1112 hunner: Denen.
[207] 1114-15 Ofschoon de Denen Finn moesten gehoorzamen, den dooder
van Hnäf.
Finn vertegenwoordigt zijn volk, immers wij weten niet, of hij zelf
de dooder was.
1110-11 behelst den eed der Friezen, alsmede 1116-18;
1112-15 dien der Denen.
[208] 1120 het glanzend goud: waarmede Finn volgens v. 1103 vlg. de
Friezen en de Denen moest beschenken.
[209] de koenste wapenkrijger: Hnäf.
[210] 1122-24 sua cuique arma... igni.. adjicitur. Tac. Germ. 27.
[211] 1127 op 's broeders brandmijt: de tekst heeft: op Hnäfs
brandmijt.
[212] 1130 bij den schouder: van Hnäf.
[213] 1133 heuvel: grafheuvel.
[214] 1137 beide stammen: Friezen en Denen.
Geven wij hier duidelijkheidshalve een overzicht:
Finn, de koning der Friezen, heeft de Half-Denen of Denen, hetgeen op
hetzelfde neerkomt, des nachts verraderlijk overrompeld in Finsburg. De
vorst der Half-Denen, Hnäf, bevelhebber van den Deenschen koning,
en broeder van Hildeburg, is er gesneuveld met vele helden.
Hildeburg, de Deensche gemalin van Finn, betreurt bij het aanbreken
van den morgen den dood harer Deensche bloedverwanten.
Daar de meeste Friezen bij den aanval op Finsburg zijn gesneuveld, is
Finn niet meer bij machte om de overgebleven Denen te vernietigen. Hij
onderhandelt bij gevolg met Hengest, opvolger van Hnäf als bevelhebber,
en een vredesverdrag komt tot stand.
Voorwaarden: De Denen verkrijgen evenveel rechten als de Friezen,
worden gehuisvest en zullen met de gebruikelijke geschenken bedeeld
worden door Finn, dien zij als koning erkennen. De geschillen zullen
door de raadslieden worden bijgelegd.
Mocht een Fries zinspelen op de vroegere vijandschap, hij zal dit
met het leven boeten.
Dit verdrag wordt bezworen, en Finn deelt de koningsgaven uit aan
beide stammen.
Daarna wordt een groote brandstapel opgericht, waarop het lijk van
Hnäf met de gesneuvelde vrienden en vijanden verbrand wordt, terwijl
Hildeburg den gebruikelijken klaagzang aanheft.
[215] 1139-41. De verzoende Friezen en Denen gingen, beroofd van hunne
gesneuvelde vrienden, naar Friesland en Finns Koningsburcht terug. Bij
gevolg moet de Finsburg, waar de in 't vorige hoofdstuk vermelde
gebeurtenissen hebben plaats gehad, niet in het eigenlijke Friesland,
maar in eene aan de Friezen onderworpen naburige streek gelegen zijn.
[216] 1143 in alles een: in de beste verstandhouding, ten minste
in schijn.
[217] 1152-56. Met de aankomst der lente was de zee bevaarbaar,
derhalve wenschte Hengest naar Denemarken terug te keeren. Nochtans was
hij nog meer verlangend zich op de Friezen in een gevecht te wreken.
[218] 1157-60 Om zijn tweevoudig doel te bereiken, weigerde Hengest
niet, zich voor eenen dienstman van Finn te verklaren.
Dit geschiedde, volgens Bugge, door de hier vermelde zinnebeeldige
handeling, namelijk door Lafing, het zwaard des Konings, dat hem door
Hun wordt aangeboden, voor een oogenblik ter hand te nemen.
Hun, de bondgenoot van Finn, is volgens Widsidh de Koning der
Hettuarische Franken. Evenals later de Hetwaren met de Friezen
verbonden tegen Hygelac optreden, welke een inval in Friesland gedaan
heeft (Vgl. 2420 vlg.), zoo verschijnt hier Hun aan het hof van Finn.
Bugge vermoedt, dat Hun hier zooveel als een onderkoning van Finn
is, evenals Hnäf, die toch zelf koning geheeten wordt, Heal'deens
veldheer was.
[219] 1163 Gudlaf en Oslaf: twee Deensche krijgers, welke ook in
't Finsburglied te zamen vermeld worden.
[220] na de golfvaart: zij waren teruggekeerd uit Denemarken.
[221] 1161-67. Bugge stelt zich de toedracht der zaak volgenderwijze
voor:
Als dienstman van Finn is Hengest verplicht, den Koning geschenken
aan te bieden. Hij begeeft zich diensvolgens naar Denemarken en keert
daarop terug met versterking, waaronder Gudlaf en Oslaf.
Hengest had waarschijnlijk bevolen, Finn voorloopig in alles te
gehoorzamen; doch Gudlaf en Oslaf konden deze geveinsde rol niet lang
volhouden en zij verweten aan Finn, dat hij de Denen overvallen en
Hnäf verraderlijk gedood had.
Zoo werd de ontknooping bespoedigd.
Wat eene andere, even aanneembare, verklaring betreft, verwijs ik
naar de Aanmerkingen.
Die van ten Brink laat ik onbesproken, omdat zij verscheiden
tekstwijzigingen met zich brengt.
[222] 1175 de edelvrouwe: Hildeburg.
[223] 1181 Oom en broederzoon: Hrodgar en Hrodulf.
Deze laatste was waarschijnlijk de zoon van Halga, Hrodgars jongsten
broeder. Vgl. 62.
[224] 1182 Vgl. 1032 Nota.
[225] 1186-87 Vgl. v. 598. Alweer eene vingerwijzing op de epische
sagen, want uit het gedicht blijkt niets naders omtrent Hunferds
laakbare daad.
[226] 1196 den held: Beowulf.
[227] 1198 uw zonen: Hredric en Hrodmund.
[228] 1200 christelijke opvatting.
[229] 1201-3 Hieruit blijkt, dat Hrodulf Hrodgars mederegent was.
[230] 1210 daar: tegenover Hrodgar.
[231] 1218 Hama: Hij wordt in Widsidh vermeld en komt in de
Hoogduitsche sage voor onder den naam van Heime; (ei = angs a). Hij
staat er in betrekking met Diederik van Bern en met Ermanric en
vertegenwoordigt den trouweloozen, omkoopbaren strijder. Oorspronkelijk
is 't een mythisch wezen.
[232] 1219 Brosinghalsband: de halsband, dien de Brisingen eens
bezaten. 't Is hetzelfde kleinood als het Brisinga-men uit de Edda,
de beroemde halsband van Freyja.
[233] 1217-20 Sedert Hama, den bezitter van den Brosinghalsband,
had nooit een held schooner halsjuweel bezeten dan nu Beowulf.
[234] 1221 Ermenrics vervolging: Ermenric zette nl. den dief
na. Ermenric is de machtige koning der Oost-Goten Ermanarik uit de
4de eeuw. Hij vormt het middelpunt der Ermanaricssage.
Saxo bericht van hem, dat hij groote schatten bezat en deze in zijnen
burcht verborg.
Ons Middelnederlandsch gedicht Van den Vos Reynaerde kent hem ook:
2047 Wilen tere stonden
Hadde mine here mijn vader vonden
Des conincs Ermelincx scat
In eene verholne stat.
2374 Daer suldi vinden oec die crone
Die Ermelync die coninc droech.
[235] 1222 en koos zich 't eeuwig heil: hij trad in een klooster;
zooals in de Diederiksage van Heime verhaald wordt.
B. Symons toont aan, hoe deze plaats van 't gedicht den sleutel geeft
tot het verhaal van Jordanes, Historia Gothorum, c. 24, waar van
Hermanaricus gezegd wordt, dat hij eene vrouw, Sunilda, door paarden
liet vierendeelen, omdat haar echtgenoot zich bedrieglijk uit de
voeten had gemaakt; zonder dat dezes naam noch misdrijf vermeld wordt.
Wij weten nu uit ons gedicht, dat Hama de echtgenoot was, en dat zijn
misdrijf bestond in het rooven van Ermanariks schat.
[236] 1223 des rings: Beowulfs halssieraad.
[237] 1224 Swerting: Hygelacs grootvader. Higelac is de geschiedkundige
Chochilaicus, koning der Denen. Zie Inleiding.
[238] 1225 slagbuit: Dit bewijst, dat Hygelac een strooptocht
ondernomen had, dat zeerooverij bij gevolg in zwang was.
[239] 1226 hij sneuvelde.
[240] 1231 in Frankenhand: Het gedicht komt nog driemaal op dezen
tocht terug: XXXIII, XXXV, XL.
[241] 1233 slechter kampvermeetlen: de Franken; de dichter heet ze
zoo, omdat zij, naar zijne meening, als krijgslieden tegen de Gooten
niet konden opwegen; want Hygelac met de zijnen moest alleen voor de
overmacht bukken (Vgl. v. 3020.)
[242] 1240 mijn zoon ook: Ettmüller maakt de opmerking, dat Wealchtheow
den oudsten zoon Hredric op het oog heeft, die eens na Hrodgar zal
regeeren.
[243] 1251 blijft zoo handlen: blijft zoo verknocht, gehoorzaam
en wilvaardig.
[244] 1255 met menig edele: nochtans liet maar één ridder nl. Aschere
er het leven.
[245] 1258 een reuzig tal van ridders: het zijn Denen en geene
Gooten. Vgl. 1303, 1322. Beowulf had vóór zijnen strijd met Grendel
beloofd, dat zij den volgenden morgen weer bezit konden nemen van
Heorot. Vgl. 614 vlg.
[246] 1259 als vroeger: voor twaalf jaren.
[247] 1260 den bankvloer ruimden ze op: door het wegbrengen der
banken of tafels, om op de beschikbaar geworden ruimte stroozakken
of kermisbedden te plaatsen.
[248] 1262 Wie die beór-scealc, schenker, is, blijft in het onzekere,
daar er geene verdere melding van wordt gemaakt.
Probably some lines are wanting. Thorpe.
[249] 1267-71 Nihil autem neque publicae neque privatae rei nisi
armati agunt. Tacitus Germ. 13.
Ad convivia procedunt armati ib. 22.
Het was insgelijks bij de Scandinavische volken regel, dat ieder man
zijne wapens des nachts boven zijn bed had hangen.
[250] 1273 een: Aschere.
[251] 1278 een wreker: God.
[252] 1277-79 Christelijke voorstelling.
[253] 1281 de ijzing der kolk: de ijselijke kolk.
[254] 1292 die: Beowulf.
[255] 1283-99 Deze verzen, welke slechts zoutelooze herhalingen
vermengd met christelijke denkbeelden behelzen, zijn uit te werpen.
[256] 1301 het jammervolle pad: Grendels spoor, dat zich van het
nikkermeer tot aan Heorot uitstrekte.
[257] 1303 langs de woon: de bankvloer strekte zich langs de
hoofdzijden der zaal uit. Vgl. v. 2847 Nota.
[258] 1304 een omkeer: eene verandering ten kwade.
[259] 1306-8 Evenals de kracht der vrouw het niet kan halen bij die
eens krijgsmans, zoo ook boezemde het verschijnen van Grendels moeder
minder schrik in dan dat van haren zoon.
Deze bemerking kan men zoo voetstoots niet aannemen, immers het blijkt
later, dat Beowulf ter nauwernood en alleen door Gods hulp Grendels
moeder overwon.
[260] 1312 Zij waren dus van het leger opgesprongen, om zich achter
de in het midden der zaal geschoven banken te verschansen.
[261] 1315 wien overviel de vrees nl. de Denen.
[262] 1318 een ridder: Aschere.
[263] 1325-26 Hij d. i. de vijand. De reuzin nam bij het uitgaan
Grendels schouder mede, welken Beowulf tot zegeteeken voor de deur
had neergelegd.
[264] 1330 de boozen beiderzijds: immers Grendel en zijne moeder
hadden hun slachtoffers geëischt.
[265] de vorst: Hrodgar.
[266] 1343 naar zijn heusche wenschen: naar Beowulfs wensch.
[267] 1355-57 De juiste schuilplaats van Grendels moeder t. w. de
onderzeesche woning is den koning natuurlijk onbekend; waar het
monster zich ophoudt, weet hij zeer goed, gelijk later blijkt. Cosijn.
[268] 1365 Grendels moeder heeft een begin gemaakt met de
vijandelijkheden, waarvan het einde niet te voorzien is. Men vergete
niet, dat de bloedwraak openlijk, niet arglistig moest geschieden,
zoodat er geen zweem van misdaad mocht bestaan. Vandaar euveldader
v. 1363.
[269] 1367 heerscher: Aschere. Nog een ander vorst, Wulfgar, behoorde
tot Hrodgars gevolg. Vgl. 340.
[270] 1368-69 Ascheres hand zal geene geschenken meer uitdeelen,
zooals een vorst pleegt te doen.
[271] 1377 op ballingswegen: in de eenzaamheid, ver van het menschdom.
[272] 1382 Sarrazin beschrijft de omgeving ten Noorden van Lerje
als volgt. Daar bevindt zich een moeras, het Kattinge-moor, waarbij
zich oostwaarts het kleine en groote Kattinge-meer aansluiten. Dit
laatste staat met den Roeskilder fjord door middel van de Kornerup-Aae
in verbinding, welke nu eene beek, doch vroeger eene bevaarbare
rivier was.
Het eigenlijke verblijf van Grendel is er achter, in de bocht, ter
plaatse waar een stroom door eene kloof in zee stort 1385.
Deze kloof meent hij te herkennen in het oude bed der Kornerup-Aae,
waar deze in den vorm van ravijn uitmondt.
Hier tegenover ligt in den inham zelf een klein eiland, waarop een
hert zich zou kunnen redden 1394.
Dit eiland is de eigenlijke schuilplaats van Grendel, ofschoon de
heele omgeving, het moeras en de twee meren, tot zijn gebied behooren.
Wat de rotsen en klippen betreft, waarvan het gedicht gewag maakt,
vindt Sarrazin geene verklaring, daar er in werkelijkheid slechts
duinen en zandheuvels te vinden zijn.
Hij heet dit dan ook eene overdrijving, welke aan de dichterlijke
phantasie is toe te schrijven. (?)
[273] 1399-1402 Een bewijs dat Grendel oorspronkelijk een stormgeest
was. Als zoodanig vertoont hij zich, volgens Sarrazin, nu nog in de
volkssprookjes te Roeskilde.
Is het wel noodig, op deze sombere, aangrijpende beschrijving van
het geheimzinnige Grendelmeer te wijzen?
[274] 1410-15 Deze woorden doen de scherpe tegenstelling uitkomen
tusschen den weekhartigen Hrodgar en den roemzuchtigen Beowulf,
den man van het Noorden «met daden in de vuisten.» Daarom kan ik mij
niet met Ettmüller vereenigen, die 1412-15 uitwerpt, als zijnde te
zeer zinspreukig.
[275] 1433 d'ontzielden man: Aschere.
[276] 1435 der eedlen telg: Hrodgar.
[277] 1439 hij: Hrodgar.
[278] 1456 zeilstraat: Zee.
[279] 1460-1469a Müllenhoff breekt zoo maar klakkeloos den staf over
deze regels. Hij vindt ze doelloos, ja onnoozel!
[280] 1482 noch brand: dit woord kan, evenals het Angs. brond, zoowel
vuur als zwaard beteekenen.
[281] 1489 angstwegen: het krijgspad.
[282] 1492 de zoon van Ecglaf: Hunferd. Zijne woordenwisseling over
Brecca's zwemtocht wordt hier in herinnering gebracht.
[283] 1499 met d'andere: Beowulf.
[284] 1504 der vromen: in de oude beteekenis van dapper.
[285] 1506 voor mij: in stede van mij.
[286] 1516-18 Laat mij (nl. Beowulf) het zwaard hebben. Hunferd had
immers Hrunting aan Beowulf geleend. Vgl. v. 1483.
[287] 1521 Weder-Gooten: Weders, Gooten.
[288] 1523 Vgl. v. 1392 vlg.
[289] 1525-28 Grendels moeder werd gewaar, dat iemand in het meer
was gedoken.
[290] 1532 dat: zoodat.
[291] 1525-40 Müllenhoff strijkt deze verzen, omdat niet gezegd
wordt, hoe Beowulf uit de klauwen van het monster is losgekomen,
hetgeen nochtans met het oog op v. 1547b vlg. moet verondersteld
worden. Het valt nochtans te betwijfelen of het afwezig zijn van eene
omstandigheid, welke men gemakkelijk uit den samenhang kan opmaken,
tegen een grooter bezwaar nl. het wegcijferen van de heele plaats,
kan opwegen.
[292] 1544-45 De open haardstede, die, volgens Oud-Germaansche
gewoonte, zich in het midden van het vertrek bevond. Ook hingen er,
zooals het gebruik was, wapens aan den wand. Vgl. 1588.
[293] 1547 slagzwaard: Hrunting.
[294] de vreemde: Beowulf.
[295] 1551 strijdstraal: zwaard.
[296] 1560 't gebloemde zwaard: gedamasceerd.
[297] 1573 de moegezwoegde: het monster.
[298] 1587 hij: Beowulf.
De kamp met het meerwijf is verwant met de IJslandsche Grettissaga
en met de Noordsche sage van Ormr Storolfsson. Bugge.
[299] 1585-87 Inlassching.
God verleende aan Beowulf zijne hulp door dezes blik te doen vallen
op het reuzenzwaard aan den wand, zooals volgt. Vgl. 1692 vlg.
[300] 1592 een ander krijger: dan Beowulf.
[301] 1594 hij: Beowulf.
Wat levendigheid van schildering aangaat en wisseling van krijgskans,
die de spanning voortdurend gaande houdt, overtreft deze beschrijving
die van den kamp met Grendel en mag als een waardig tegenhanger naast
het gevecht met den draak gelegd worden.
[302] 1602 Het reuzenzwaard begint gloeiend te worden en zal daarna
wegsmelten. Vgl. v. 1638.
[303] 1605-23a Müllenhoff kan zich niet vereenigen met Beowulfs inval,
om aan Grendels lijk het hoofd af te slaan. Dat een bloedstroom uit
het lijk ontspringt vindt hij bedenkelijk; volgens hem is het bloedig
worden van het water een gevolg van den slag, waardoor Beowulf Grendels
moeder doodt.
[304] 1632 het negende uur: drie uur 's namiddags.
[305] 1634 schatvriend: vriend, die schatten uitdeelt; Hrodgar.
[306] 1635 de vreemden: de Gooten.
[307] 1638 Later (1645 vlg.) wordt nog eens hierop
teruggekomen. Vandaar dat Müllenhoff 1638-43a verwerpt.
[308] 1645-46 Buiten Grendels hoofd en het gevest van het reuzenzwaard
moet Beowulf ook Hrunting meegenomen hebben, immers hij geeft het
geleende aan Hunferd terug. Vgl. 1848.
[309] 1673 de veertien: Van de vijftien Gooten (v. 211) was er één,
nl. Hondsció door Grendel gedood.
[310] 1674 medeërf: Heorots onmiddellijke omgeving.
[311] 1681 vreeslijk: betrekt zich op Grendels hoofd.
[312] 1697 der woning wachters: Grendels moeder en, ofschoon het
niet uitdrukkelijk gezegd wordt, eenige van de overige watermonsters
(v. 1538), met inbegrip van het op den oever getrokken gedrocht.
[313] 1711 het grijze wapenhoofd: Hrodgar, 3de naamval.
[314] 1712b-14 Van latere hand, immers eenige regels verder (v. 1717
vlg.) wordt hetzelfde herhaald.
[315] 1719 Schedeneiland: Schonen, het zuidelijkste deel van Zweden,
aan Denemarken behoorend, doch in ons epos eene benaming voor het
Deensche rijk in het algemeen. Socin.
[316] 1721 voorkamps: kamp uit den voortijd.
[317] 1721-26 Ingeschoven toespeling op de giganten en op den
zondvloed.
Onmiddellijk hierop wordt gezegd, dat de naam van den eersten bezitter
op het zwaardgevest stond ingegrift.
Eene blijkbare tegenspraak.
[318] 1728 runen: schrijfteekens der oude Germanen. Het runenschrift,
waarin verscheidene opschriften tot ons zijn gekomen, werd in de eerste
eeuwen onzer jaartelling aan het latere Latijnsche alphabet ontleend.
[319] 1730 adorned with figures of snakes interlaced, a favourite
and universal ornament among the Scandinavian nations. Thorpe.
[320] 1731 toen nam het woord: neemt den na v. 1720 afgebroken draad
van het verhaal weer op.
[321] 1735 beter: dan ik.
[322] 1740 Vgl. v. 961.
[323] 1742 Tweede herinnering aan Heremod; tegenstelling tusschen
hem en Beowulf.
[324] 1747 tot hij eenzaam scheidde: hij verliet, hetzij vrijwillig
of gedwongen, zijne Denen.
Volgens Bugge beteekenen deze regels, dat hij stierf in de eenzaamheid
en verlatenheid.
[325] 1753 hij deelde geene ringen: volgens de Germaansche opvatting
een blijk van een slecht vorst.
Heremod is het afschrikkend voorbeeld van den dwingeland.
[326] 1755-56 Bugge verklaart: na zijnen dood werd hij in de hel
gestraft.
[327] 1767 hij: God.
[328] 1768 hij zelf: de man van hoogen huize, de koning.
[329] 1776 de hoeder: het geweten.
[330] 1778 de moorder: de bekoring.
[331] 1781 helmbeschutsel: ofschoon hij zich tegen het kwaad wil
verzetten.
Müllenhoff oppert de meening, dat de nadichter den brief aan de
Ephesiërs voor oogen heeft gehad: In omnibus sumentes scutum fidei,
in quo possitis omnia tela nequissimi ignea extinguere. Eph. 6, 16.
[332] 1783 des boozen geestes: de bekoring.
[333] 1785 uit praalzin: hij schenkt geene gouden ringen meer, zooals
hij eerst uit praalzin deed.
Dit is een Germaansche trek, welke onder deze christelijke denkbeelden
ingeslopen is.
[334] 1787-88 Hij verwaarloost zijn eeuwig heil, omdat hij door
hoogmoed verblind is. 't Is het oude thema: quos perdere vult Jupiter,
dementat.
[335] 1796 eeuwigdurend welzijn: het eeuwig heil.
[336] 1803b-4 door de tooverkunsten van het kwade oog.
[337] 1732b-1805 Müllenhoff schrijft deze verzen aan den interpolator
B toe, die zijne bedrevenheid in de Godgeleerdheid en zijne kennis der
sagen pleegt ten toon te spreiden. Het eerste gedeelte der toespraak
(1732-1805) is eene preek in den mond van den heidenschen Hrodgar;
het tweede gedeelte integendeel, dat met v. 1806 begint, is geheel
en al in overeenstemming met het verhaal.
[338] 1812-13 Te veel voorspoed haalt onspoed binnen; zoo dachten de
oude Grieken er ook over.
Omgekeerd zien wij vele jongelieden, die in hunne jeugd geene
verwachtingen van zich lieten koesteren, zich later boven alle anderen
onderscheiden.
Dit was het geval met Scyld (v. 6 vlg.) en vooral met Beowulf. (v. 2241
vlg.)
Zulke vadsige en stompzinnige jongelingen, die later door
bovenmenschelijke krachten uitblonken, droegen in het Noorden den
eigenaardigen naam van kolenbijters (kolbitar), omdat zij den ganschen
dag bij het vuur in de asch zaten gedoken.
[339] 1819 het hoofd: van Grendel.
[340] 1825 zijn zetel zoeken: op den tegenovergestelden bankvloer.
[341] 1837 de zeeliên: de Gooten.
[342] 1841 de donkre raaf: speelt eene groote rol in de Germaansche
wereld; wij zien hier, dat de raaf den dag aankondigt. Wodan is door
twee raven vergezeld: Hugin (gedachte) en Munin (herinnering).
[343] 1849 Ecglafs zoon: Hunferd.
[344] 1853 't was een moedig strijder: nl. Beowulf.
Volgens Müllenhoff is hier Hunferd gemeend; doch waar blijven
dan de afkeurende woorden van vroeger: «hier ging zijn roem te
loor»? Vgl. v. 1498.
[345] 1855 de heerscher: Beowulf.
Müllenhoff werpt 1848-53 uit, omdat bij Beowulfs terugkeer
uit de diepte niet gezegd wordt, dat hij ook Hunferds zwaard
medebracht. Vgl. 1645 vlg.
Bij Wealchtheows verdwijning uit Heorot en bij Beowulfs kamp op den
bodem van het meer hebben wij reeds op deze al te strenge methode
gewezen.
[346] 1861 Ofschoon eene waarlijk vorstelijke gastvrijheid bij de
Germanen heerschte, zoo was het nochtans minder welvoeglijk, indien
men meer dan drie nachten op dezelfde plaats vertoefde.
Dit verklaart Beowulfs onmiddellijk vertrek, nadat hij zich van zijne
taak gekweten heeft.
Den eersten nacht na zijne aankomst verslaat hij Grendel in Heorot;
den tweeden nacht brengt hij door in een ander verblijf dan Heorot,
hoogstwaarschijnlijk in den burcht, terwijl Grendels moeder in de
troonzaal binnendringt; den derden dag doodt hij haar op den bodem
van het meer, waarna hij alweer ongestoord mag slapen.
Den vierden dag heeft eindelijk het vertrek plaats, zoodat hij, de
twee etmalen er bijgerekend, welke de heen- en terugreis vorderde,
op den 6den dag na zijn vertrek bij Hygelac terugkomt.
[347] 1869 de haatgezinden: Grendel en diens moeder.
[348] 1875 wapenhout: de lans.
[349] 1880-81 Tacitus Germ. 14. plerique nobilium adulescentium petunt
ultra eas nationes, quae tum bellum aliquod gerunt, quia et ingrata
genti quies et facilius inter ancipitia clarescunt.
In plaats van thuis te blijven, zal Hredric dus beter doen, zoo hij, in
den aard der schildknapen in de middeleeuwen, zich bij Hygelac in den
wapenhandel komt bekwamen. Ook Beowulf had zijne jeugd doorgebracht bij
Hredel. Zich roem in den vreemde verwerven, behoorde tot de opvoeding
der Scandinavische jongelingen.
[350] 1885 op die jonge jaren: Dat Beowulf niet meer piepjong was,
blijkt uit v. 373 nota. Hrodgar heeft hem misschien zoo geheeten,
omdat hij aan het verschil tusschen Beowulfs ouderdom en zijnen eigen
hoogen leeftijd dacht.
[351] 1889 den zoon van Hredel: Hygelac.
[352] 1894-95 Wij zullen later zien, dat zulks zijn wensch niet was.
[353] 1904 duikelaarsbad: de zee, het bad der duikereend.
[354] 1901b-4 Gaudent praecipue finitimarum gentium donis. Tacitus
Germ. 15.
[355] 1919 Hrodgar hoopte, dat Beowulf frisch en gezond zijn land
zou bereiken, en daarna spoedig terugkeeren. Vgl. 1912-14.
Wat dit laatste betreft, koesterde hij nochtans slechts eene flauwe
hoop.
[356] 1920 bij de toespraak: in de volksvergadering.
[357] 1924-25 in het geheim
[358] 1926 ondanks het bloed: Ofschoon Beowulf niet tot zijne familie
behoorde, beminde Hrodgar hem meer dan zijne eigen kinderen.
[359] 1935 der dappren stoet: de Gooten
[360] 1941-42 Hun terugkeer naar het land der Gooten zou den
landgenooten aldaar welkom wezen.
De wensch des kustwachters (v. 299 vlg.) had zich dus bewaarheid.
[361] 1946 den hoeder: Vgl. v. 294 vlg.
[362] 1976 Hygd: Hygelacs gemalin, Häreds dochter.
[363] 1981 Thrydho: gemalin van Offa en bekend om hare wreedheid. De
zachte, vrouwelijke aard van Hygd wordt in het licht gesteld door
tegenstelling met het fier, wildjonkvrouwelijk karakter van Thrydho,
dat ons aan de noordsche Walkuren en aan Brunhilde herinnert.
[364] 1986-90 Zij liet den vermetele in boeien klinken en daarna ter
dood brengen.
[365] 1993 de vredeweefster: zoo heet de koningsgade, welke dikwijls
uitgehuwelijkt werd, om den vrede tusschen twee vijandelijke stammen
te stichten. Men herinnere zich Hildburg en Fin en vergelijke vooral
Freoware en Ingeld v. 2078 vlg. Over het algemeen hadden de noordsche
volken zeer kalme en beredeneerde beschouwingen bij het sluiten van
een huwelijk.
[366] 1595 Hemings bloedmaag: Offa, koning der oude Angelen.
Hij maakte een einde aan Thrydho's wreedheid, door haar andere
gevoelens in te boezemen, als volgt.
Deze Offa der sage, die in de vroegere verblijfplaats der Angelen
heerschte, wordt ook in Widsidh vermeld. Volgens dit gedicht lag zijn
rijk in Sleeswijk.
Ons epos heet zijne schoone echtgenoote Thrydho, dat kracht, zooveel
als virago beteekent en nog in ons Geertruid, de speerkrachtige,
voortleeft.
Verder wordt gezegd, dat zij eene hardvochtige vrouw was. Geen man,
uitgenomen haren echtgenoot, mocht de oogen naar haar opslaan, of
hij werd aanstonds geboeid en daarna gedood.
Nadat zij op raad van haren vader de zee was overgestoken en in
Offa, den koning der Angelen, eenen waarden echtgenoot had gevonden,
veranderde haar inborst en werd zij eene voortreffelijke koningin en
liefhebbende gade.
Deze lezing is, volgens Müllenhoff, de oudste vorm der sage, terwijl
in latere bewerkingen haar oorspronkelijk wild karakter weer bovenkomt.
Buiten dezen Offa der sage, is er ook een geschiedkundige Offa, koning
van Mercië, gestorven in 796. Zijne echtgenoote heette Cynethrydh
d. i. virago regia, en in het Vita Offae II Drida (Thrydho) of na
haar huwelijk Quendrida d. i. koningin Drida.
In dit Vita Offae I en II uit de 13de eeuw werden, wegens de dubbele
overeenkomst van naam, op deze laatste al de wreedheden van de gemalin
des eersten Offa's overgebracht; een bewijs dat de sage van Offa bij
de Angelsaksen zeer verbreid was. Suchier toont aan, dat zij zich
ook bij de Kelten en Romanen voortplantte.
Müllenhoff schrijft de heele Thrydho-Offaepisode aan den interpolator
B toe.
[367] 1996 zeiden zij iets anders: De krijgers, welke bij de
drinkgelagen oude sagen plegen op te halen, verhaalden iets anders
over de gehuwde Thrydho.
[368] 1997 geringer gruwlen: in 't geheel geene
gruwelen. (litotes.) Cosijn.
[369] 2000 Offa's halle: in het oude Anglië.
[370] 2005 den heldenvorst: Offa.
[371] 2011-12 Deze drie eigennamen komen maar eens voor; het zijn
helden van de Angelsaksische volksoverlevering.
[372] 2013 de held: Beowulf. Zij begeven zich naar Hygelacs
woning. Vgl. v. 1971 vlg.
[373] 2016 vanuit het Zuid: het was middag.
[374] 2019 Verwinnaar Ongentheows: het was niet Hygelac, maar Eofor,
een zijner mannen, die den koning der Zweden doodde, doch de vorst
vertegenwoordigt zijne onderhoorigen.
[375] 2027 daar zat hij nu: Beowulf; hij zat, als voornaamste gast,
op den tegenovergestelden bankvloer.
[376] 2029 de mannenkoning: Hygelac.
[377] 2032 Hareds dochter: Hygd.
[378] 2037 Hij werd gefolterd door nieuwsgierigheid, om te weten enz.
[379] 2059 op gindschen uchtendgil: ziet terug op «het machtig
morgenwee» (v. 132-33) dat door de Denen werd aangeheven bij het zien
van het door Grendel aangerichte bloedbad.
Als nog eenig monster leeft, dan hoeft het niet te pochen op Grendels
daden.
[380] 2067: vreeverwante: Wealhtheow, Hrodgars gemalin; het woord
beteekent hetzelfde als vredeweefster.
[381] 2072 Vroeger is van Freaware geen sprake geweest.
[382] 2077 Froda: vorst der Headobarden en Ingelds vader.
[383] 2078 Schyldingsvriend: Hrodgar
[384] 2080-81 Vandaar de naam vredeweefster, vreeverwante.
Men houde in het oog, dat Beowulf hier toekomstige gebeurtenissen
voorspelt; Freaware heeft hij alleen als verloofde (v. 2077) gekend.
De episode der Headobarden komt hierop neer:
Froda, de vorst der Headobarden, heeft het onderspit gedolven in het
gevecht met de Denen en is er gesneuveld. Ten einde de twee volken
met elkander te verzoenen, schenkt Hrodgar de hand zijner dochter
Freaware aan den jeugdigen Headobardenkoning Ingeld, zoon van Froda.
Onder Freawares dienaars bevindt zich de zoon van den Deen, welke Froda
gedood heeft. Terwijl hij bedient in de koningshal, pronkt hij met den
door zijnen vader buitgemaakten krijgstooi van Froda, onder anderen met
het zwaard. Dit ziet slechts noode een oud krijger der Headobarden,
die alle gevechten heeft meegemaakt. Hij wijst er Ingeld op en zet
hem door zijne verontwaardigde taal langzamerhand tot wraakneming
aan. De jonge, praalzieke Deen wordt gedood; de moordenaar ontvlucht
en de strijd tusschen Denen en Headobarden is weer losgebroken. Men
vergete niet dat, volgens de Oudgermaansche denkbeelden, het voor
den zoon een heilige plicht was zijnen vader te wreken.
[385] 2085 den heer der Headobarden: Ingeld.
[386] 2087 met zijne gade: Freaware, Hrodgars dochter; de zaal
is Heorot.
[387] 2088-89 Een der edelen was belast met het bier in te
schenken. Vgl. v. 501.
[388] 2090 des vaders heertuig: de kamptooi van Froda, Ingelds vader.
[389] 2096 een grijze lansheld; een krijgsman der Headobarden; zijn
naam wordt niet vermeld evenmin als die van Froda's dooder en den
Deenschen hofjonker.
[390] 2099 des jongen krijgerkonings: Ingeld.
[391] 2115 de dienaar van de vrouwe: de jonge Deen, welke aan Freaware
tot hofjonker werd gegeven.
[392] 2116 de tweede: de moordenaar van den jongen Deen.
Zou het misschien de grijze lansheld zijn geweest?
[393] 2119-20 De zucht om zijnen vader en zijn volk te wreken legt
het zwijgen op aan zijne liefde tot Freaware, zijne Deensche gade.
Voorwaar een echt dramatische toestand!
[394] 2121b-23 Dat Beowulfs voorspelling zich bewaarheid heeft,
hebben wij reeds uit meer dan eene toespeling gezien. Hoe deze strijd
afgeloopen is, weten wij buitendien uit Widsidh, waar gezegd wordt,
dat de Headobarden door Hrodgar en Hrodwulf in Heorot verslagen werden.
Dat er afzonderlijke liederen bestaan hebben over den krijg met de
Headobarden is aan geenen twijfel onderhevig.
Immers Müllenhoff toont ons een overeenkomstig verhaal bij den
Deenschen schrijver Saxo Grammaticus omtrent Frotho, den vader van
Ingellus. Saxo deelt zelfs de Latijnsche vertaling mede van twee
liederen uit de 10de eeuw, die in hoofdzaak hetzelfde verhaal ophangen
van eenen ouden strijder, Starcatherus geheeten, die Ingellus tot
wraak aanzet.
Ziedaar een afdoend bewijs voor het ontstaan van het volksepos uit
afzonderlijke epische liederen.
Müllenhoff schrijft de Headobarden-episode (v. 2085-2120a) aan
inlasscher B toe.
Hij ziet in de Headobarden niet de Longobarden, maar een volk, dat
tot de Herulers behoorde.
Het zijn de bewoners van Seeland, die op het einde der 5de of in 't
begin der 6de eeuw door de Denen werden verdrongen; immers Jordanes
bericht, dat de Denen van uit Scandinavië (Schonen) afzakkende de
Herulers uit hun land verdreven.
Müllenhoff veronderstelt diensvolgens, dat beide volken een tijdlang
hebben samengeleefd, zoodat Ingeld als zelfstandig koning naast
Hrodgar kan optreden.
Ons epos herinnert hier dus een feit van overwegend belang, nl. de
grondvesting van het Deensche rijk. Much neemt deze verklaring aan.
[395] 2127 't juweel der transen: de zon.
[396] 2131 Hondsció Vgl. 756, 1067.
[397] 2140 een handschoen: eene nieuwe bijzonderheid.
[398] 2150 uw volk: stam. Dit was de hoogste eenheid bij de Germanen,
zij kenden geen volk of natie in de tegenwoordige beteekenis van het
woord. Het eenige verband tusschen verschillende stammen was alleen
van godsdienstigen aard b. v. de Ingaevonen.
[399] 2162-66 Müllenhoff zet deze verzen op rekening van den
nadichter. Inderdaad dat Hrodgar de harp bespeelt, mag wel wat
verwondering baren, vooral nu wij gezien hebben, dat niet hij maar
zijn zanger de Finn-episode voordroeg.
[400] 2167-70 Deze weemoedige stemming bij het terugdenken
aan de vroegere heldenkracht is een kenmerkende trek van het
gedicht. Vgl. v. 1934.
[401] 2172 den ganschen dag: diem noctemque continuare potando nulli
probrum. Tacitus, Germ. 22.
[402] 2206-7 Nu dien ik u weer alleen, als vroeger, en geenen vreemden
koning meer.
[403] 2208 tenzij U, Hyglac: Als eene halve eeuw later Beowulf zal
sterven, blijft nog alleen Wiglaf over van den stam der Waegmundings,
waartoe Beowulf behoort. Vgl. v. 2910 vlg.
[404] 2210 de hoofdbanier: voornaamste banier; zij was bekroond met
een everkop.
De geschenken, welke hier aan Hygelac worden aangeboden, zijn dezelfde,
welke aan Beowulf v. 1034-54 door Hrodgar werden gegeven.
[405] 2216 Heorogar: Hrodgars oudste broeder, die reeds lang dood
was. Vgl. v. 471.
[406] 2221 op 't voetspoor: onmiddellijk hierop.
[407] 2229 den halsring: Wij hebben gezien, hoe later dit
prachtig juweel door den dood van Hygelac in het bezit der Franken
geraakte. Vgl. v. 1222 vlg.
Hygd moet het dus aan Hygelac afgestaan hebben.
[408] 2236-40 Toespeling op Heremod.
[409] 2234-47a Müllenhoff beschouwt deze verzen, welke den gang van
het verhaal stremmen, als een invoegsel, vooral met het oog op de
hem hier toegeschreven onmannelijke jeugd.
Immers wat wordt er dan van zijnen wedstrijd met Brecca, dien hij als
knaap ondernam, en van zijne eigen woorden «Menig roemvol waagstuk
bestond ik in mijn jeugd» v. 409?
[410] 2252 een landmaat: volgens Bugge de hid d. i. een halve
vierkante meter.
[411] 2256 den tweede: Hygelac. Hij volgde zijnen broeder Hadcyn op
en had dus meer aanspraken op den troon dan Beowulf, welke slechts
de neef was.
[412] 2258 Hier eindigt het eerste gedeelte van het epos; de kamp
met den draak, welke het onderwerp van het tweede gedeelte uitmaakt,
heeft ten minste eene halve eeuw later plaats, daar Beowulf reeds
vijftig jaar over de Gooten heerscht.
Volgens Müllenhoff zijn de verzen 2258-2465 het werk van B, om de
twee deelen aan elkaar te verbinden.
[413] bij de strijdonstuimen: bij de Gooten.
[414] 2260 Heardred: de zoon van Hygelac, 3de naamval.
[415] 2261 de Schilfings: Zweden, het zijn hier de zonen van Ochter,
den koning der Zweden.
Men verwarre niet de Schilfings (Zweden) met de Schyldings (Denen).
[416] 2263 zijn zegevolk: de Gooten.
[417] 2264 Den neef van Hererik: Heardred; deze naam komt maar
eens voor.
De zin is: Nadat Hygelac gesneuveld was en zijn zoon Heardred, die
hem opvolgde, op zijne beurt was gevallen bij eenen inval, welken
de Zweden in het land der Gooten hadden gedaan, beklom Beowulf den
troon. Hier hebben wij de eerste toespeling op den krijg met de Zweden;
er wordt nog driemaal XXXIII, XXXV, XL-XLI op teruggekomen.
In XXXIII worden nadere bijzonderheden gegeven over hetgeen hier
slechts ter loops is aangestipt.
[418] 2266 wel vijftig winters: Beowulf was dus meer dan honderd jaar
oud toen hij stierf. Immers hij had de vijftig achter den rug toen hij
Grendel doodde (Vgl. v. 373 nota) en het was slechts in later dagen,
(v. 2259) dat hij den troon beklom. Men kan zonder overdrijving zijnen
ouderdom op 120 jaar aanslaan.
[419] 2273 des heidens: de eenzame edelman. Vgl. v. 2338.
[420] 2274-78 vertaald naar Bugges aanvulling, daar de tekst op eenige
letters na is verloren gegaan.
[421] 2279-80a Vertaald naar Bugges gissing.
[422] 2280 wien het zeer zou schaden: de dief, immers hij moet later
zijns ondanks den weg naar het drakenhol toonen. Of hij eene andere
straf onderging, wordt niet vermeld.
[423] 2285-86a bij het zien van den slapenden draak.
[424] 2287 op zoek naar eenen ingang: naar een
toevluchtsoord. Vgl. v. 2283.
[425] 2284-88 Vertaald naar Bugges verbetering van den geheel en al
verminkten tekst.
[426] 2297-98 Hij wenschte zijnen stervensdag uit te stellen, om nog
lang de schatten te kunnen genieten.
[427] 2308 ontvingen dit van u: het goud, dat uit den grond wordt
opgedolven, hetzij uit mijnen, hetzij uit grafsteden.
[428] 2311 't heil des hemels: Angs, sele-dreám; het kan ook beteekenen
het zaalgejubel, en moet dan verstaan worden van de luidruchtige
drinkgelagen.
[429] 2324 gezellig hout: de harp.
[430] 2328 In de klacht van dezen eenzamen edelling vertoont zich
reeds dat weemoedige waas, dat, als een herfstnevel, aan de Engelsche
en Duitsche letteren die droomerige, hoogst dichterlijke tint bijzet.
Nochtans vraag ik me af, of de oude Engelschen zich door hunne weekheid
van gemoed kenmerkten, zooals Heinzel, ten Brink en anderen beweren.
Wij zien dit wel is waar bij Hrodgar, doch hier zijn bijzondere
redenen toe.
Mij dunkt, dat de levensopvatting eerder blijmoedig mag heeten;
ten bewijze de lustige feestmalen en de omschrijvingen voor sterven,
als de volgende:
en luttel
genoot hij nog de vreugde van het daarzijn 2152.
nu 's legers leidsman
't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven. 3127.
Bugge verklaart den elegischen toon, die op sommige plaatsen
onmiskenbaar is, door Keltischen invloed.
[431] 2334 bergen: grafheuvels, waar schatten in verborgen zijn.
[432] 2339 niet beter zal 't hem wezen: vingerwijzing op de
ontknooping.
[433] 2342 gene man: de dief.
[434] 2343 bij zijn meester, Beowulf. Vgl. v. 2473. De «heldenzoon»
(v. 2282) wiens slagen de arme ontvlucht, moet iemand anders
zijn. Müllenhoff.
[435] 2353-54 Christelijke beschouwing. Hiervolgens moet door geheime
hulp (v. 2351) geen toovermacht, maar Gods bijstand verstaan worden.
[436] 2361 De draak verheugde zich bij voorbaat in de verwoestingen,
die hij zou aanrichten.
[437] 2363 Hij bemerkte dit reeds voor den derden keer (2350, 2355).
[438] 2374 schattenplenger: Beowulf.
[439] 2376 heerenhoven: Beowulfs hof, de volksburg van v. 2399.
De draak maakte Beowulf aansprakelijk voor den diefstal, want volgens
de Germaansche rechtsbegrippen was de meester verantwoordelijk voor
de daden van zijnen slaaf.
Het koningshof was niets anders dan eene groote hoeve.
Zulke hoeve bestond in 't Noorden uit minstens drie of vier woonhuizen,
buiten bijgebouwen en stallen.
De hoeve vormde een op zich zelf staand geheel, dat in zijne eigen
behoeften moest voorzien.
Vandaar dat elk van de vrij talrijke bewoners zijnen bepaalden
werkkring had. Vgl. v. 2317 waar van de wapensmeden gesproken wordt.
[440] 2388 op strijd en wand: op zijnen moed en op de rotswanden van
den grafheuvel.
[441] 2392 giftgestoelte: koningshalle.
[442] 2392b-98 Christelijke overweging.
[443] 2399 Het verblijf der Gootische koningen bevond zich dicht bij
zee. Vgl. v. 1971 vlg.
[444] 2409 lang: 300 jaar. Vgl. v. 2340.
[445] 2413 Hij vreesde niet de kampvaardigheid van den draak, maar
wel zijnen vuurgloed.
[446] 2420 Hier wordt voor den tweeden keer de krijg met de Franken
of Friezen vermeld. Vgl. XIX, XXXIII, XXXV, XL.
[447] 2427 Hij had ja de kracht van dertig man. Vgl. v. 377 vlg.
[448] 2428 de Franken: de tekst heeft Hetwaren.
[449] 2430 die hem aanvielen.
[450] 2432 van den kampheld: uit Beowulfs handen.
[451] 2433-34 Beowulf legde dus den afstand van den Benedenrijn tot
Jutland al zwemmende af.
[452] 2437 haren zoon: Heardred.
[453] 2440 verlatenen: de koningslooze Gooten.
[454] 2444-46 Tijdens de minderjarigheid van Heardred oefende Beowulf
de voogdijschap uit.
[455] 2447 hem: Heardred.
[456] 2448 de zonen Ochters: Eánmund en Eádgils.
[457] 2449 Schilfingheer: Onela, hun oom, vorst der Zweden. Daar hij
ouder was dan zijn broeder Ochter, beklom hij den troon na den dood
van Ongentheow.
[458] 2453 voor zijn onthaal: Heardred werd door Onela aangevallen,
omdat hij de twee vluchtelingen had opgenomen.
[459] 2455-56 Onela keerde na Heardreds dood naar Zweden terug.
[460] 2458 het volk: over het volk.
[461] een beste koning: Onela. Vgl. v. 2450.
[462] 2459 des vorsten: Heardred.
[463] 2460 hij: Beowulf.
[464] 2464 die: Ochters afkomst, Eádgils.
[465] 2465 rijksheer: Onela.
Hier wordt voor den tweeden keer (Vgl. v. 2257 vlg.) van den oorlog met
de Zweden gesproken. Gooten en Zweden leefden na den dood van Hredel
(vgl. v. 2543) op gespannen voet. Dit verklaart waarom de Gootenvorst,
Heardred, eene schuilplaats schonk aan de Zweedsche ballingen Eánmund
en Eádgils, die tegen hunnen oom Onela, opvolger van Ongentheow,
waren opgestaan.
De gastvrijheid aan zijne neven geschonken was Onela een doorn in het
oog; hij deed eenen inval in het land der Gooten en doodde Heardred.
Door Heardreds dood stond de troon voor Beowulf open. Onela verzette
zich niet tegen Beowulfs troonsbestijging en trok naar Zweden terug.
Later wilde Beowulf den dood van Heardred op Onela wreken en
ondersteunde te dien einde den banneling Eádgils in zijnen krijg met
den Zwedenkoning.
Eádgils doodde Onela en nam alzoo wraak over zijne ballingschap.
[466] 2466 Met dit vers laat Müllenhoff het oorspronkelijke lied
beginnen, mits verandering van alzoo in voorwaar.
[467] 2473 ontdekkers: de dief van de kostbare vaas.
[468] 2504 den oudsten: Herebald.
[469] 2507 vriend en meerdre: Angs freáwine d. i. heer en vriend,
Herebald was ja de oudste.
[470] 2510 onverzoenbaar: Hredel kon geen weergeld vorderen, want
dan moest hij het aan zich zelf betalen, noch den bewerker van den
manslag dooden, want dan verloor hij twee zonen.
[471] 2512 voor het gemoed: van Hredel.
[472] 2515 zijn zoon: Hadcyn.
[473] 2516 weemoedig lied: het gebruikelijke rouwlied.
[474] 2521 vroegstgeboren: Herebald.
[475] 2522 een ander erfbewaarder: Waar blijft dan Hygelac, de
jongste zoon?
[476] 2525 des zoons: Herebald.
Müllenhoff neemt niet aan «dass der junge, noch nicht dem
knabenalter entwachsene Herebeald, der sich noch mit seinem bruder im
bogenschiessen übte, schon in einem eignen hause hof gehalten habe.»
Maar waar staat het vermeld, dat Herebeald nog niet de kinderschoenen
ontwassen is?
Of kan zich geen volwassene in het boogschieten oefenen?
[477] 2530 een rouwlied: de dichtkunst werd dikwijls als het beste
middel beschouwd, om de smart over het verlies van eenen zoon te
verlichten.
[478] 2531 de eene om den eene: Hredel om Herebald.
[479] 2532 te ruim: wegens de schande, dat zijn zoon ongewroken moet
blijven, verbergt hij zich in de engste schuilhoeken.
[480] 2537 al was hem die niet dierbaar: hij beminde Hadcyn niet meer.
[481] 2540 den zonen: Hadcyn en Hygelac.
[482] 2546 kroost van Ongentheow: Onela en Ochter.
[483] 2549 bij Hreosnaberg: voorgebergte in 't land der Gooten;
volgens Bugge eene dichterlijke, geene aardrijkskundige benaming.
[484] 2550 mijn verwante vrienden: de neven, Hadcyn en Hygelac.
[485] 2556 een maag: Hygelac.
[486] den andren: Hadcyn.
De zin is: ik vernam dat Hygelac zijnen broeder Hadcyn op den
moordenaar, Ongentheow, wreekte, doordat Eofor, de krijgsman van
Hygelac, Ongentheow doodde.
Hygelac, de koning, vertegenwoordigt zijne mannen, zooals wij meer
dan eens gezien hebben.
[487] 2558 de grijze Schilfing: Ongentheow.
[488] 2560 de hand: van Eofor.
In deze verzen hebben wij het beknopt verhaal van den oorlog met de
Zweden na Hredels dood. In XLI, waarheen wij verwijzen, worden dezelfde
geschiedkundige gebeurtenissen, doch in bijzonderheden behandeld.
[489] 2566 de Gifden: de Gepiden; worden ook in Widsidh genoemd.
[490] 2568 een zwakker kampgezel: dan ik, Beowulf.
[491] 2574 der Hugen: een Frankische stam; Ettmüller ziet er de
Chauci in.
Hier wordt voor den derden keer op de Franken of Friezen gewezen.
[492] 2575-76 Daghrefn, een krijger der Hugen, waarschijnlijk Hygelacs
dooder, gelukte er niet in, Beowulf te verslaan en den hem ontnomen
krijgsroof aan den Friezenkoning te brengen.
[493] 2495-2581 Voor Müllenhoff is heel deze plaats later bijgevoegd.
[494] 2582-86 Ettmüller strijkt deze verzen, daar zij slechts herhalen
wat Beowulf boven (2495-96) gezegd heeft. Buitendien spreekt Beowulf
hier niet voor het laatste, zooals aanstonds zal blijken.
Ettmüller ziet er het bewijs in, dat ons gedicht uit afzonderlijke
liederen is samengesteld geworden, een stelsel dat B. Ten Brink later
heeft uitgebreid.
[495] 2592 mijn kampwoord: Vgl. v. 2580 vlg.
[496] 2600 Heidendom en Christendom.
[497] 2615 op de sterkte van een enkle: op zijne eigen sterkte.
[498] 2623 bij den buit: bij het hol, waar de schatten verborgen zijn.
[499] 2628 In zijnen toorn vergeet hij, dat hij van alle
uitdagingswoorden wilde afzien. Vgl. v. 2601 vlg.
[500] 2647-49 Het opzettelijk tot dit gevecht vervaardigde stalen
schild verleende hem geene voldoende bescherming.
Het was nochtans niet verbrand. Vgl. v. 2759 vlg.
[501] 2650-52 Hij zou voor het eerst vreemde hulp noodig hebben,
hetgeen hen nog nooit overkomen was.
Anders Socin: «er muste zum ersten Male den Feind im Schwertkampfe
angreifen, in dem ihm das Geschick den Sieg versagte». Vgl. in
voce môtan.
Alsof hij Grendels moeder niet met het blanke wapen, eerst Hrunting
en later het reuzenzwaard, had aangetast!
[502] 2656 minder hevig beet het: het drong in 't geheel niet
door. (litotes.) Dit wordt 2663 nog eens herhaald. Later zullen we
zien, dat Nageling, Beowulfs zwaard, aan stukken springt. Vgl. v. 2765.
[503] 2666 Zijne stelling: het terrein vóór de schatkamer. Beowulf
had zich wegens het vuur alleen aan den ingang gewaagd. Vgl. 2633.
[504] 2667 Naar elders: hij moest sterven.
[505] 2674 die eerst het volk bestuurde: Beowulf.
Cosijn verklaart: die nu van zijn volk verlaten was; immers zijne
makkers sloegen op de vlucht.
[506] 2679-80. Bij een edeldenkend man kan niets de stem des bloeds
tot zwijgen brengen.
[507] 2682 een vorst der Schilfings: der Zweden.
Müllenhoff veronderstelt, dat Wiglaf lang bij de Zweden had geleefd
en in hoog aanzien gestaan, doch daarna tot de Gooten overging, toen
Beowulf, die inmiddels koning was geworden, hem het oude erfgoed der
Waegmundings afstond, dat hij Weohstan had laten behouden.
[508] 2687 Waegmundings: eene Zweedsche koningsfamilie, waaraan
Beowulf ook verwant was.
[509] 2688 volksbezit: bezit en rechten der gezamenlijke krijgsschaar.
Beowulf had het erfgoed der Waegmundings na den dood van Weohstan
ook voor zich kunnen houden, daar Weohstan deelgenomen had aan den
inval van Onela in 't Gootenland en zelfs Eánmund had gedood.
[510] 2693 vreugdeloozen zwerver: Eánmund en Eádgils waren
bannelingen. Vgl. v. 2447.
[511] 2695 aan diens verwanten: aan Onela, oom van Eánmund.
[512] 2698 hem: Weohstan.
[513] 2702 hij: Weohstan.
Ziehier hoe ik mij de toedracht der zaken voorstel:
Weohstan heeft Eánmund gedood en geeft zijne spolia, drie in getal,
aan Onela, den oom des gesneuvelden. Doch deze geeft ze aan Weohstan
terug en verwijt hem zelfs niet den dood van Eánmund, den zoon van
Ochter, zijnen broeder.
Weohstan behoudt nu de wapenrusting gedurende vele jaren en schenkt
ze aan Wiglaf, als deze volwassen is.
Onela oefende dus geene bloedwraak uit, waartoe hij nochtans verplicht
was, afgezien van zijne verhouding tot den gedoode. Een blijk van
edelmoedigheid.
[514] 2708 voor dezen jongen kamper: Wiglaf.
[515] 2715-19. Exigunt enim a principis sui liberalitate..... illam
cruentem victricemque frameam. Tacitus, Germ. 14.
[516] 2732-34 Ik zou liever met mijnen koning sterven, dan hem te
overleven.
[517] 2738-40 Door zijne vroegere heldenfeiten, waardoor hij altijd
de anderen te hulp kwam, heeft hij dit niet verdiend nl. alleen van
ons twaalf te sterven.
[518] 2713-42 Müllenhoff beschouwt deze eerste toespraak van Wiglaf als
onecht. Het oogenblik is weinig geschikt om eene lange redevoering
te houden, vooral met het oog op v. 2730-31. Buitendien schijnt
de dichter vergeten te hebben, dat de tien mannen de vlucht hadden
genomen. Vgl. 2675 vlg.
Bugge wijst er nochtans op, dat deze toespraak veel overeenkomst heeft
met de woorden, welke in de Noordsche sage van Hrolf kraki aan Hjalti
in den mond worden gelegd en welke Saxo in 't Latijn weergeeft.
De zaak is licht verklaarbaar, indien men volgens het stelsel van
ten Brink verscheiden oorspronkelijke varianten aanneemt.
[519] 2741-43 Wij beiden zullen te zamen strijden.
[520] 2744 strijdhoofd: dichterlijke benaming voor helm.
[521] 2756 Wiglafs schild was van lindenhout. Vgl. v. 2690.
[522] 2778 Hij: Beowulf.
[523] 2786 Wiglaf stak den draak een weinig lager dan het hoofd,
waarop Beowulf zijn zwaard had stuk geslagen. Vgl. v. 2764.
[524] 2795 naar elders: naar de hel.
[525] 2809 met water: er ontsprong immers eene beek.
[526] 2812 des strijdens moe: bepaalt vriend en heerscher.
[527] 2819-20 na mij bestemd: bestemd om na mij te heerschen.
De grijsheid stond niet zooals bij de Grieken in bijzondere achting
bij de Germanen; het verval der lichaamskrachten, de verzwakking der
verstandelijke vermogens wekten eerder hun medelijden dan wel eerbied
op. Doch des te meer werd hij bewonderd, die ondanks zijne hooge jaren,
zijne spierkracht onverzwakt behouden had. Dit zien wij bij Ongentheow,
doch vooral bij Beowulf.
[528] 2827 noch legde menig eed af: in het geheel geen eed. (litotes).
[529] 2835 den sluimer: doodslaap.
[530] 2847 ter zitplaats nl. binnen in de schatkamer.
Wij geven hier eene korte beschrijving van de Scandinavische woning.
Zij vormde een langwerpig vierkant. Het dak werd door vier rijen
stutten geschraagd. De twee buitenste rijen bevonden zich dicht langs
de hoofdzijwanden, de twee overige meer naar binnen, op een derde
der huisbreedte van de eerste verwijderd, zoodat het vertrek in een
middenschip en twee zijschepen verdeeld was. In het middenvak bevond
zich de open haard. (Vgl. v. 1544). De twee zijvakken waren geheel
door eenen planken bodem, bankvloer, (Vgl. v. 491), ingenomen, die
zich trapsgewijze, gewoonlijk met twee treden, langs den wand verhief
en die tot zitplaats diende. Van deze twee bankvloeren was de eene,
rechts van den ingang, de voornaamste.
Juist in het midden van elken bankvloer bevonden zich de twee
eereplaatsen, waarvan de bovenste, naar blijkt uit ons gedicht,
de voornaamste was, en die ruim genoeg waren voor verscheiden personen.
Hunferd, die aan de voeten van Hrodgar zat (v. 507), bevond zich dus
op de onderste eereplaats.
De eerste eereplaats, die van den voornaamsten bankvloer, werd steeds
door den huisheer ingenomen; de tweede op de tegenovergestelde zijde
door den voornaamsten gast.
Beowulf was op deze laatste eereplaats gezeten bij zijn bezoek aan
Hrodgar en aan Hygelac. (Vgl. v. 497, 634 vlg., 1207 vlg., 1820,
2063, 2027.)
De losse tafels, welke eigenlijk niets anders dan banken moeten
geweest zijn, werden op den rand des bankvloers geplaatst.
Op dezen bankvloer sliepen de Gooten en Denen, nadat de
tafels of banken naar den bodem in 't middenvak der zaal waren
verhuisd. (Vgl. v. 1260, 1303).
[531] 2850 het leger: het goud. Ettmüller.
[532] 2852 Ook (zag hij) kruiken staan.
[533] 2856 Toespeling op den diefstal der kostbare vaas.
[534] 2866 de krijger: Wiglaf.
[535] 2871 den schatbeheerscher: den draak, de degen van Wiglaf.
[536] 2877 de bode: Wiglaf.
[537] 2878 door 't goud genoopt: genoopt door 't verlangen om het
goud aan Beowulf te toonen.
[538] 2896 hier: op aarde.
[539] 2897 beveel den strijdberoemden: beveel aan de Gooten.
[540] 2898 na de houtmijt: na de verbranding van Beowulfs lijk.
[541] 2901 Hrones klip: de Walvischklip. Bugge ziet er eene louter
dichterlijke benaming in.
[542] 2905 de goudwrong: Buiten de ringen aan arm en vinger, was het
ook de gewoonte eenen prachtigen gouden of zilveren halsband te dragen.
[543] 2916 het heete strijdgegolf: van de vlammen.
[544] 2917 Christelijke inlassching.
[545] 2924-41 Enkel uit herhalingen samengeflanste plaats.
[546] 2952 en wekte hem met water: trachtte hem met water te wekken.
[547] 2955-57 Inlassching.
God wilde door dit feit nl. Beowulfs dood aan het menschdom toonen,
dat hij de meester is.
[548] 2962 de schuwbren: de tien lafaards.
[549] 2969 de beste nl. helmen en pantsers.
[550] 2971 verdeed: hij schonk den kamptooi aan onwaardigen, daar
deze hem in den steek lieten.
[551] 2978 Ofschoon Müllenhoff Wiglafs strafrede alleszins gepast
vindt, kan hij geenen vrede hebben met de verzen, waar Wiglaf zich
zelven ophemelt. Indien er eigenlof bestaat, dan mag die volgens
v. 2980-82 zeer bescheiden heeten.
[552] 2981 hij: de draak.
[553] 2989 landbezit der stammen: gemeenschappelijk bezit. Agri
pro numero cultorum ab universis in vices occupantur. Tacitus,
Germ. 26. De Germanen ten tijde van Tacitus bewoonden reeds omheinde
dorpen. De woning met voorraadskelder en tuin was het eigendom van
het gezin. Daarenboven had elk dorp een bepaald grondgebied (mark),
waarvan het bouwland onder al de gemeenteleden verdeeld was, terwijl
de weiden, bosschen en woeste gronden voor algemeen gebruik bleven.
[554] 2991 vanuit de verte: moet verbonden worden met vernemen.
[555] 2992b-93 Turpe comitatui virtutem principis non adaequare. Iam
vero infame in omnem vitam ac probrosum superstitem principi suo ex
acie recessisse. Tacitus, Germ. 14.
[556] 2995 het landgoed: Beowulfs hof.
[557] 3001 die: een bode.
[558] 3011 hij houdt de lijkwacht: Vgl. v. 448 volgens Oudgermaansch
gebruik.
De oude gebruiken houden vooral bij sterfgevallen stand; zoo bestaat
deze gewoonte nog in Hollandsch Limburg, waar de buren 's nachts bij
het lijk blijven waken.
[559] 3016 De oorlog met de Franken of Friezen wordt hier voor de
vierde maal in herinnering gebracht.
[560] 3024 Merewingers gunst: de koning der Franken. Naklank der
geschiedenis.
[561] 3028 het Ravenbosch: eene dichterlijke benaming, volgens Bugge.
[562] 3029-30 De Gooten hadden eenen inval gedaan in Zweden.
[563] 3031 hem: Hadcyn, de Goot.
[564] Ochters oude vader: Ongentheow, de Zweed.
[565] 3034 zijn vrouwe: Elan, zooals aangenomen wordt, de dochter
van den Denenkoning Healfdeen. Vgl. v. 63.
Hadcyn moet haar dus hebben gevangen genomen.
[566] 3042-44 Hij wilde hen in 't gevecht dooden door het zwaard en
de overgeblevenen ophangen.
Deze verzen gaan mank; Bugge vult aan: Hij zeide, dat hij met den
morgen door de snede van het zwaard hen wilde dooden, en voor eenigen
galghouten in het bosch kappen en hen er aan hangen tot vreugde
der vogels.
[567] 3046 den hopeloozen: den Gooten.
[568] 3052 de stoute: Ongentheow moest den terugtocht aanvaarden.
[569] 3058 het varensvolk: de Gooten.
[570] 3062 hun standaard: deze werd nu buit gemaakt op de Zweden.
[571] 3063 Zij: de Gooten.
[572] hun: de Zweden.
[573] 3064 Hredels drommen: de Gooten. In den tekst: de Hredlingen;
Hredel zelf was immers gestorven.
[574] 3068a dit ziet op de ontknooping.
[575] 3069 hem: Ongentheow.
[576] Wulf: Eofors broeder; beiden zijn Gooten.
[577] 3074 Zoodra de Zwedenkoning Ongentheow zich omgekeerd had naar
Wulf, die hem dezen slag had toegebracht.
[578] 3075 zoon van Wanred: Wulf.
[579] 3084 hun kunstwerk: der reuzen kunstwerk.
[580] 3089 hun: aan de Gooten.
[581] 3090 Eofor beroofde Ongentheow.
Daar de strijd met de Franken en Friezen op verschillende plaatsen
van het gedicht verhaald wordt, zullen wij hier al die gegevens
samenvatten, ten einde door een duidelijk overzicht alle verwarring
te voorkomen.
Oorlog met de Franken of Friezen.
Hygelac had over zee eenen strooptocht in Friesland gedaan; hij
sneuvelde in den strijd en de Franken maakten zich van zijn kostbaar
halskleinood meester. XIX.
Toen Hygelac in Friesland sneefde, ontsnapte Beowulf, met dertig
schilden op den arm, door in 't water te springen, nadat hij al zijne
Frankische aanranders had verslagen. XXXIII.
Beowulf doodt den Frank Däghrefn met de vuist, zoodat deze in de
onmogelijkheid gesteld wordt, om Beowulfs krijgssieraden aan den
Franken- of Friezenkoning te brengen. XXXV.
Hygelac was met eene vloot naar Friesland gestevend, waar hij bezweek
onder de overmacht der Franken. Sinds dien tijd bestond er vijandschap
tusschen Gooten en Franken. XL.
Oorlog met de Zweden.
Deze barstte tweemaal uit, eerst bij den dood van Hredel, en later
bij de opname van de Zweedsche ballingen door Heardred.
Eerste oorlog:
XXXV. Na Hredels dood breekt de oorlog met de Zweden uit. Ochter en
Onela doen invallen bij Hreosnaberg. Dit wreken Hadcyn en Hygelac,
ofschoon de eerste bij 't Ravenbosch het leven laat. Hygelac wreekt
op Ongentheow Hadcyns dood, doordat Eofor Ongentheow velt.
XL, XLI. Verhaal van den bode:
De Gooten onder Hadcyn hadden de Zweden aangevallen (3029). Ongentheow
schonk aan Hadcyn den tegenslag, doodde hem en bevrijdde zijne
eigen gade (3030 vlg.); hij zette de Gooten na (3036), die zich in
het Ravenbosch verscholen (3038). Daar omsingelde hij hen (3039) en
bedreigde hen den ganschen nacht (3041 vlg.). 's Morgens daagt Hygelac
op, om de Gooten te ontzetten (3045); een gevecht heeft plaats (3049
vlg.); Ongentheow moet wijken (3052) en trekt zich terug bij zijne
verschansing (3060). De Gooten vervolgen hem (3061), maken zijnen
standaard buit (3062) en trekken over de versterkte stelling, welke
de Zweden verlaten hebben (3063). Zij brengen Ongentheow tot staan
(3065). Wulf wondt Ongentheow (3069 vlg.), doch wordt door dezen buiten
gevecht gesteld (3071 vlg.). Eofer, Wulfs broeder, doodt nu Ongentheow
(3082 vlg.) en berooft hem van zijne wapenrusting (3090). Wulf wordt
door zijne makkers opgericht en verbonden. De Zweden hadden het veld
moeten ruimen.
Tweede oorlog:
XXXI. Heardred, zoon van Hygelac, valt in den oorlog met de Zweden,
en Beowulf beklimt den troon.
XXXIII. Heardred ontvangt de zonen Ochters, Eánmund en Eádgils,
die tegen Onela, koning der Zweden, waren opgestaan. Onela doet een
inval in 't land der Gooten en doodt Heardred; hij laat Beowulf den
troon beklimmen.
Later, maar deze derde krijgstocht wordt slechts ter loops aangestipt,
wreekt Beowulf Heardreds dood door Eádgils te ondersteunen, die Onela
van 't leven berooft.
[582] 3096 de Gootenkoning: Hygelac.
[583] 3099 honderd duizend. Vgl. v. 2252.
[584] 3101 Niemand schatte het loon te gering.
In de Noordsche sage wordt door Hrolf Kraki dezelfde belooning
toegekend als hier door Hygelac. Bugge.
[585] 3104 met zijne dochter: Het is moeilijk aan te nemen, dat
Hygelac, die gezegd wordt nog jong te zijn (Vgl. v. 2020), reeds eene
huwbare dochter zou gehad hebben. Müllenhoff stelt te recht deze
verzen op rekening van den inlasscher. Wanneer hij nochtans zegt,
dat Hygelac en Beowulf van denzelfden leeftijd moeten zijn, dan kan
ik hem geen gelijk geven.
[586] 3112 die de dappre Schyldings behoedde enz. Dit vers slaat
op Beowulfs tocht naar Hrodgar; de gedoode helden zijn Grendels
slachtoffers.
[587] 3115 ons thans te haasten: die aanbeveling van den bode komt
wel wat laat.
[588] 3116 branduitvaart: plechtige optocht naar den brandstapel.
[589] 3118-22 de heele schat en niet een enkel deel ervan zal met
hem op den brandstapel gelegd worden. Wij zullen later zien, dat de
heele schat in den lijkheuvel begraven werd.
[590] 3124-27 Perhaps a glee-maiden is maint, who, having lost her
patron, is compelled to wander abroad. Thorpe.
[591] 3129 de morgenklamme: vochtig na nachtelijke tochten. In andere
woorden: Beowulfs dood zal oorlog na zich sleepen.
[592] 3131-35 Hoogst dichterlijke, echt Noordsche beschrijving.
[593] 3136 de koene strijder: de bode. Vgl. 2994 vlg.
[594] 3003-3137 Müllenhoff ziet er het werk van den interpolator in.
[595] 3137 Er brak derhalve oorlog uit na Beowulfs dood. Om dit te
beweren, moet de dichter het oog gehad hebben op epische liederen.
[596] 3139 aargebergte: adelaarsgebergte, Earna-naes, in 't land der
Gooten; het is weer eene dichterlijke benaming, volgens Bugge. onder:
aan den voet.
[597] 3146-47 zeldzamer schouwspel: dan dat van den gesneuvelden vorst.
[598] 3152 't genot der luchten: genotvolle lucht.
[599] 3156-57 Dit moeten de door Wiglaf gehaalde kostbaarheden zijn,
want het lijk van den draak lag buiten de schatkamer, daar de kamp
vóór den ingang had plaats gegrepen. Vgl. 3213 vlg.
[600] 3159 duizend winters: niet letterlijk op te vatten, daar de draak
er slechts 300 jaar gehuisvest was; duizend wordt hier overdrachtelijk
gebezigd voor een onbepaald groot aantal jaren.
[601] 3160 Alstoen: toen de schat in den grond geborgen
werd. Vgl. v. 2290. Dat er een vloek op het goud rust, zien wij ook
in de Nibelungen.
[602] 3168: de hooggeroemde heerschers: Vlg. v. 2289.
[603] 3174 Aan hem: aan den draak.
[604] 3175 hem had de wachter: de wachter of draak had hem alleen
nl. Beowulf eerst gedood. De zin is: de vloek werd bewaarheid; de
draak had Beowulf gedood, maar hij zelf liet er ook het leven.
[605] 3177b--81 't Is soms verwonderlijk, waar, op welke plaats een
held moet sterven: men kan niet vooruit weten, waar men sterven zal.
[606] 3146-85 Het springt in 't oog, dat dit een inlapsel
is. Müllenhoff merkt te recht aan, dat deze verzen de lamlendigste
van het gansche gedicht zijn.
[607] 3184-85 Volgens Ettmüller. Beowulf had den draak (goudbezitter)
niet aangetast, om zijn goud machtig te worden, maar om het land
te verlossen, want reeds vroeger zou hij volgaarne met den draak
vriendschap gesloten hebben; dan was hij nu niet genoodzaakt geweest
hem te bevechten. Volgens v. 2349 was het strijdgeding vernieuwd;
hieruit kan men veronderstellen, dat de draak voorheen al verwoestingen
had aangericht. Hiermede schijnt mij v. 3192-95 niet in tegenspraak.
[608] 3188-89 Ziet dit op de straf der lafaards, ofwel op toekomstige
verwikkelingen met Franken en Zweden? Dit laatste komt mij het
aannemelijkst voor.
[609] 3226: naar den goede: naar Beowulf.
[610] 3232-33 Als de werpspies het spoor volgde van den pijl; als
gestreden werd.
[611] 3236 in 't moordvertrek: in de onderaardsche schatkamer.
[612] 3239 Niet lag aan 't lot: De bestemming van den schat stond
vast; hij moest met Beowulf ten deele verbrand en ten deele begraven
worden; bijgevolg hoefde hij niet door het lot verdeeld te worden,
zooals geschiedt bij eenen onbeheerden buit.
[613] 3242-44a Ik versta dit als volgt: niemand was droevig bij het
zien van die schatten, welke zij zelven niet mochten bezitten.
Dit zou pleiten voor hunne verkleefdheid aan Beowulf, dien zij,
niettegenstaande hij het anders verzocht had, alles wilden meegeven.
[614] 3257: op den berg: op de walvischhoogte.
[615] 3258 de houtwalm hief zich: het hoog opstijgen der vlam was
een teeken, dat den afgestorvene des te meer eer in Walhalla zou te
beurt vallen.
[616] 3264 de jonkvrouw: Beowulfs bijslaap. Vgl. v. 3124 vlg.
Heur naar voorgevoel stemt overeen met de voorspelling van den bode.
Cosijn wijst erop, dat hier geen sprake is van Beowulfs weduwe,
zooals Socin aanneemt en ook Müllenhoff, die nochtans den inlasscher
voor deze bijzonderheid verantwoordelijk stelt.
[617] 3264-69 Vertaald volgens Bugge's aanvulling, want de tekst
biedt tal van leemten aan.
[618] 3278: in den berg: in den grafheuvel.
Men heeft groote schatten uit de noordsche grafsteden opgedolven. De
rijkdom aan goud is in den oudsten tijd der ijzerperiode verrassend;
in een later tijdperk komt meer zilver voor.
Ons gedicht levert ons hier eene juiste en volledige beschrijving
van de Oudgermaansche begraafplaatsen.
Op de brandplaats, hier de walvischhoogte, werd een heuvel
opgericht. Wapens, geliefkoosde voorwerpen en kostbaarheden werden
den overledene meegegeven, somtijds ook slaven en huisdieren. Dikwijls
werd het lijk op een in den heuvel ingesloten schip uitgestrekt. Een
steenen wal omgaf somtijds het gansche.
Evenals bij de Grieken en Romeinen mocht geen lijk onbegraven blijven
liggen.
Quando rex jacebat in hac civitate, servabant eum XII homines de
melioribus civitatis.
Reeds ten tijde van Tacitus bestond er een adel bij de Germanen,
welke eene zekere onderscheiding, doch geene voorrechten genoot.
Cosijn wijst er op, dat Jornandes in de bekende beschrijving van
Attila's begrafenis van eene soortgelijke plechtigheid gewaagt.
«Nam de tota gente Hunnorum electissimi equites in eo loco, quo erat
positus, in modum circensium cursibus ambientes, facta ejus cantu
funereo.. referebant.» Cap. 16.
[619] 3284-85 De zonen der twaalf voornaamste edellieden, welke
laatsten, volgens Domesdaybook, de eerewacht des konings uitmaakten.
[620] 3291-92 Dolorem et tristitiam tarde ponunt; feminis lugere
honestum est, viris meminisse. Tacitus. Germ. 27.
[621] 3296-98 Ziedaar het ideaal van den Germaanschen koning!
Het zij mij hier vergund de aandacht in te roepen op eenige
merkwaardige overeenstemmingen tusschen den Beowulf en de Westvlaamsche
folklore, overeenstemmingen, welke ik aan de bereidwillige mededeeling
van Dr. Gezelle te danken heb en welke aantoonen, dat de sage van
Grendel eens inheemsch moet zijn geweest in Vlaanderen. Om niet
te spreken van verscheiden Wvl. woorden, die eene merkwaardige
overeenkomst toonen met het Angelsaksisch, kan ik met het volgende
volstaan.
De mede, die in de middeleeuwen in onze streken zeer verspreid was,
zoodat in verschillende steden, o. a. te Leuven, er eene belasting op
stond, wordt nu nog door het volk nabij de Vlaamsche kust gedronken
en staat als zeer koppig bekend; sommige sparren behoorende tot het
timmerwerk van de Vlaamsche huizen heeten hoornboom, hoornbalke,
hetgeen aan Heorot doet denken; Grendele, Degrendele is nog zoo
algemeen in Westvl. als Dendievel.
Eindelijk wijst mijn geleerde berichtgever nog op de uitdrukking de
duivel en zijn moer, die in Vlaanderen (en ook in Hollandsch Limburg)
van algemeen gebruik is en aan Grendel en diens moeder herinnert.
[622] Men herinnere zich, dat dit fragment de gebeurtenissen verhaalt,
die de in het epos behandelde Finn-episode voorafgaan.
[623] 1 de wapenjonge heerscher: Hnäf, volgens Bugge.
Een der Deensche krijgers in Finnsburg moet bij het ontwaren van
eenen schemer te midden der duisternis gevraagd hebben: Wordt het dag,
vliegt een vuurdraak voorbij, of staat de burg in brand?
De koning antwoordt eerst ontkennend op elk der drie punten en geeft
daarna eene stellige uitkomst: De Friezen, wier wapens in het maanlicht
glanzen, naderen om ons aan te vallen.
[624] 3 de horentrans: de Finnsburg is, evenals Heorot, met een
gewei bekroond.
[625] 5 oorlogsvogels: de pijlen. De tekst heeft vogels alleen; ten
Brink ziet er geene beeldspraak in, maar de slagvogels: raaf en arend.
[626] 4-5 vertaald naar Bugges verbeterden tekst.
[627] 6 het kamphout: de houten lans met stalen punt.
[628] 7 't schild antwoordt: de Friezen slaan met hunne lansen op
de schilden.
[629] 8 weedaân: vijandelijkheden staan te gebeuren, waardoor zich
de haat der Friezen zal uiten.
[630] 11 lindebast: schild.
[631] 13 met goud behangen: Bugge verwijst naar eenen tekst van Saxo,
waarvolgens de arm met ringen werd bezwaard, om des te forscher slagen
toe te dienen.
[632] 18 de Strijd-Deen: Sigeferd.
[633] Garulf is een Fries volgens Möller en Bugge.
[634] 22 hij: Sigeferd; het: Garulfs leven.
Sigeferd daagt Garulf in spottende taal uit, om de deur, waar hij op
post staat, aan te vallen.
[635] 18-22 zijn vertaald naar den door Bugge gewijzigden tekst.
[636] 24 deze dappre: Garulf.
[637] 28 wat van beide: leed of harde kamp, als blijkt uit het
voorgaande vers.
Sigeferd laat hem bij wijze van galgenhumor de keus tusschen deze twee.
Deze verklaring van ten Brink schijnt mij aannemelijker dan die van
Socin, welke bij swädher = utrumcunque onderverstaat «Schlimmes oder
Gutes, Tod oder Leben.»
[638] 32 de beerhelm: everhelm.
[639] 36 Bugges lezing is hier gevolgd.
[640] 46 een gewonde kamper: een Fries, volgens Holtzmann en Möller.
[641] 49 de herder van de volkschaar: Finn, volgens Holtzmann en
Möller.
[642] 51 Gedeeltelijk zoek geraakt vers, door Bugge hersteld.