Wij hebben er reeds op gewezen dat ons epos op geene kunsteenheid
kan bogen.
Inderdaad er worden twee afzonderlijke onderwerpen in behandeld,
de kamp met de watermonsters en die met den vuurdraak; deze wordt
geleverd in Jutland, gene op Seeland; deze door den honderdjarigen
koning, gene toen de held nog niet den troon beklommen had en zich
in de volheid zijner krachten mocht verheugen.
Verschillende pogingen zijn in het werk gesteld, om de oorspronkelijke
kern van het epos van de latere bijbewerkingen af te zonderen.
Degene die hiermede een begin heeft gemaakt, is Ettmüller.
Zijne pogingen hadden vooral de terzijdestelling van de Christelijke
toevoegsels ten doel, welke bovendien gemakkelijk te herkennen zijn.
Daarenboven scheidt hij van het onderwerp de episoden of bijverhalen
af, welke negen in getal zijn, te weten: Brecca, Sigmund-Heremod,
Finn, Thrydo, Headobarden, de eenzame schatbezitter, de oorlogen met
Franken en Zweden, en Ongentheows dood.
Müllenhoff werkte op deze gegevens voort.
Hij drong dieper door in de schifting van de interpolaties en bouwde
op dezen grondslag een heel stelsel omtrent de oorspronkelijke en
later toegevoegde onderdeden van het epos.
Hij onderscheidt vijf afzonderlijke deelen:
1º Inleiding 1-193.
2º Beowulfs gevecht met Grendel 194-836.
3º Gevecht met Grendels moeder 837-1628.
4º Beowulfs terugkeer 1629-2199.
5º Kamp met den draak en Beowulfs dood 2200-3183.
Het gevecht met Grendel en dat met den draak, ziedaar de twee
oorspronkelijke bestanddeelen, welke nochtans niet het werk zijn van
denzelfden dichter.
Het eerste oude lied kreeg, waarschijnlijk van twee verschillende
voortzetters, eene dubbele uitbreiding: eerst het gevecht met Grendels
moeder, daarna de Inleiding.
Een derde voortzetter A voegde Beowulfs terugkeer er aan toe en vulde,
om zijn aanhangsel met het geheel in overeenstemming te brengen,
het eerste en vooral het tweede oude lied op verscheiden plaatsen aan.
Een vierde voortzetter B, of in de rij der Beowulfdichters no 6,
verbond eindelijk den drakekamp met het door A tot 2199 voortgezette
werk en verwaterde het gansche epos door allerlei lapwerk van
zedekundigen en godgeleerden aard.
Deze B is de eigenlijke interpolator.
Men mag er Müllenhoff een verwijt van maken, dat hij in het brandmerken
van de, volgens hem, van elders aangewaaide plaatsen al te voortvarend
is te werk gegaan. Vandaar dat hij, na aftrek van de onechte verzen,
het epos bijna tot op de helft besnoeit.
Immers in elk der vijf deelen vinden de volgende regels slechts genade:
1º 126 regels; 2º 490; 3º 333; 4º 399; 5º 440; te zamen 1788 echte
verzen op de 3183.
Hermann Möller tracht de oorspronkelijke bestanddeelen in vierregelige
strophen te rangschikken.
Ofschoon deze meening geen opgang maakt, nemen ten Brink en Heinzel
toch aan, dat eene zekere neiging tot vierregelige strophen in den
verhaaltrant niet te miskennen is.
Eene laatste poging is die van ten Brink.
Het zou ons te ver leiden, moesten wij zijn betoog, waarmede wel een
twintigtal bladzijden gemoeid zouden zijn, tot in de bijzonderheden
napluizen.
Trachten wij daarom het grondbeginsel, waarvan hij uitgaat, duidelijk
te maken.
Het gebrek van Müllenhoff's theorie is, dat zij aan den inlasscher
eene overwegende rol toekent.
Daardoor heeft hij de natuur van het volksepos uit het oog verloren,
waarvan de afwijkingen niet uitsluitend het werk zijn van den
interpolator, zooals dit het geval is bij de kunstpoëzie.
Drie invloeden zijn, volgens ten Brink, werkzaam geweest bij het
opstellen van den Beowulf: de mondelingsche afwijkingen, de diaskeuast
of rangschikker, en de interpolator.
Het voortbestaan der heldensage door de voordracht riep
natuurlijkerwijze verschillende varianten in het leven, welke
mettertijd eene gansch verschillende gedaante konden aannemen. Het was
de taak van den rangschikker, eenheid te brengen in die uiteenloopende
behandelingen. Veronderstellen wij, dat hij twee bewerkingen van
dezelfde stof voor zich had; wat was natuurlijker dan de bewerking,
die hem het geschiktste voorkwam, ten grondslag te leggen en daarnevens
de andere bij gelegenheid te benuttigen!
Hij zelf voegde niets van het zijne toe.
Daarna toog de inlasscher aan den arbeid, die in den tot stand gekomen
tekst zijne godgeleerde en zedekundige aanmerkingen binnensmokkelde.
Steunend op dit beginsel, trekt ten Brink op de volgende wijze de
grenzen tusschen de vijf van Müllenhoff overgenomen deelen:
1º Inleiding 1-193.
2º Kamp met Grendel 194-836.
3º Kamp met Grendels moeder 837-1904 of 1913.
4º Beowulfs terugkeer 1905 of 1914-2199.
5º Kamp met den draak 2200-3183.
De grenzen tusschen 3e en 4e bakent hij anders af dan Müllenhoff.
Dit stelsel heeft dit nog voor op het vorige, dat niet de helft van
het gedicht als onecht over boord wordt geworpen.
Welke zijn de verschillende lezingen of varianten, die de rangschikker
in elk der vijf deelen benuttigd heeft?
1º De Inleiding is naar twee lezingen samengesteld: A, welke tot
richtsnoer is genomen, en B, welke slechts ter loops is aangewend.
2º Als onder 1º, de grondvorm A en de bijvorm B.
3º Grondvorm C, bijvorm D.
4º Eéne lezing E; dit is het jongste deel.
5º Grondvorm F, bijvorm G.
B, D en E zijn gekenmerkt door de opmerkzaamheid, welke zij aan de
Deensche toestanden wijden.
Ten Brink plaatst de 1ste Beowulf bewerking (A C F) in 't jaar 690;
de 2de (B D E G) tegen 710; terwijl van de volledige afwerking,
waardoor A C F door B D E G gewijzigd werd, zich alleen laat zeggen,
dat zij vermoedelijk nog de 8ste eeuw toebehoort.