In de slagbeschrijvingen wordt op twee bijzonderheden veel nadruk
gelegd, op de vermelding der wapenen: harnas, helm, schild en zwaard,
en op de «lijkschoffeerende» roofdieren.
Wij zagen reeds bij de behandeling van de dichterlijke taal, dat
het zwaard met voorliefde wordt betiteld en zelfs als een levend
wezen gedacht.
In het gansche leven en streven treedt het op den voorgrond.
Het is het meest gewaardeerde erfstuk; manschap wordt bewezen door
de zinnebeeldige ontvangst van het wapen des vorsten (Hengest); de
krijger ontvangt het ten geschenke tot loon voor zijne dapperheid
of andere diensten, en hij verwerft daardoor de bijzondere achting
zijner makkers (de scheepswachter); wordt het uitgeleend, dan is dit
een bewijs van vriendschap en hoogachting (Unferd); de held schat
het zelfs zoo hoog, dat hij zich weigerachtig maakt om het aan zijnen
zoon te schenken (Heorogar), en dan alleen daartoe overgaat, wanneer
de jongeling in staat is het waardig te voeren (Wigstan). Het is een
trouwe «krijgsvriend», dien men nooit verlaat, zelfs niet gedurende
de nachtrust, en die op zijne beurt den bezitter nooit in den steek
laat. Is het zwaard deugdelijk, dan is het wijd en zijd bekend en
luistert het den volksstam op (Friezen).
Het is een kunstwerk, soms het gewrocht van Weland, den besten
wapensmid; het is zelfs met hoogere kracht bedeeld (reuzenzwaard)
en prijkt met opschrift en voorstellingen van gebeurtenissen, zoodat
wij hier den vinger kunnen leggen op eene verre overeenstemming met
het wonderschild van Achilleus.
Niet minder kenteekenend voor de noordsche slagbeschrijvingen is het
optreden van raaf, arend en wolf.
Het zijn geene redelooze dieren meer, maar zelfbewuste wezens, die
zich verheugen over den rijken oogst der dooden en elkander op het
slagveld hunne indrukken mededeelen.
Welk ijzingwekkend tooneel als dat in het Finnsburgfragment!
Nu zwierf de rave zwierend om de lijken,
Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig. (36-37)
En welke tegenstelling tusschen het aanvalligste beeld en het
Tantalstooneel met al zijne verschrikkingen op het nachtelijke
slagveld:
Geenszins zal het harpgefluister
De dappren wekken; maar de donkre rave
Zal, vlammend over dooden, veel verhalen,
Den arend melden, hoe het maal haar meeviel,
Toen zij de riffen met den wolf beroofde. (3131-35)
Al zijn de slagbeschrijvingen onder de best geslaagde tooneelen
van ons epos te rekenen, toch valt het niet te verhelen, dat deze
lichtende plaatsen hunne schaduwzijde hebben.
Wij bedoelen de hebbelijkheid des dichters van telkens het verhaal
af te breken door het invlechten van overwegingen, welke niet alleen
den gang stremmen, de opmerkzaamheid afleiden, maar ook wegens hun
gering gehalte doorgaans veilig kunnen gemist worden.
Komen wij nog eens terug op het gevecht met Grendel.
Grendel is Heorot binnengedrongen, een tweeslachtig licht schemert
in zijne oogen, moordlust en vreugde.
Onze verwachting is gespannen, wij zijn benieuwd om te weten, wat er
gaat gebeuren.
Daar drukt de dichter het hoofd in aan onze belangstelling met eene
bemerking, ontnuchterend als een koud bad:
Nochtans gehengde hem het lot niet langer,
Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen. (750-51)
Een tweede waterstraal wordt ons toegediend, als Beowulf Grendel
heeft vastgeklampt en deze te vergeefs het hazepad tracht te kiezen:
Niet boden zich alhier de bezigheden,
Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. (772-73)
en wat verder:
De tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot
De weebewerker. (783)
Heeft het gevecht het hoogste punt bereikt, nu Grendel zich met de
kracht der wanhoop verdedigt, zoodat de zaal dreigt in te storten
onder het geweld der reusachtige kampvechters, dan wordt alweer de
domper op onze blakende geestdrift gezet:
Hierop hadden
De raden eer der Schyldings niet gerekend,
Dat ooit der mannen een door krachtvermogen
De weidsche, met gewei getooide woning
Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten;
Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen
In rook. (795-801)
Ten slotte wordt ons alweer oudbakken nieuws opgedischt bij het
vruchteloos bijspringen van Beowulfs tochtgenooten:
Toch zou armzalig wezen
Het einde zijns bestaans op deze stonde,
In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. (820-22)
Hetzelfde laat zich aantoonen bij alle eenigszins uitgebreide
beschrijvingen; overal schemert de subjectiviteit van den dichter door.
Kamp met Grendels moeder: 1554-57, 1564-66, 1567, 1581-87, 1608-16.
Kamp met den draak: 2650-52, 2656-58, 2661-69 enz. enz.
Zoo spreiden zich deze overwegingen als een roode draad door het heele
gedicht ten toon; overal verraadt zich de zucht van den dichter om
zich ook eens te laten gelden, in plaats van zich uitsluitend bij
zijn onderwerp te houden.
Dit gebrek aan objectiviteit is stuitend, doch vindt zijne
verklaring en tevens zijne verontschuldiging in den aard zelf van
het volksepos. De nadichter of, beter gezegd, de inlasscher was
gebonden door de overgeleverde epische stof, ja door den vorm, en
kon slechts op deze wijze, door middel van persoonlijke overwegingen,
zijne dichtjeukte tot bedaren brengen.
Wijzen wij ten slotte nog op het geliefkoosd gebruik der
tegenstellingen, waardoor de personen des te scherper te voorschijn
treden: op den stokouden koning en den krachtvollen man (Hrodgar en
Beowulf); op den jeugdigen Ingeld en zijnen grijzen raadgever; op
den vergrijsden held en zijnen pas volwassen krijgsmakker (Beowulf
en Wiglaf); op den voorbeeldigen vorst en den dwingeland (Beowulf en
Heremod); op zelfverloochenende trouw en laffe zelfzucht (Wiglaf en
zijne makkers), en eindelijk op de zachte, minnende echtgenoote Hygd
en de wildfiere Thrydo.