Wiglaf herinnert zich Beowulfs mildheid:
Hij was alsdan het eigendom gedachtig,
Waarmee hem gene vroeger had begiftigd,
De weeldevolle woning der Waegmundings,
Elk volksbezit, gelijk bezat zijn vader. (2685-88.)
Wij zien insgelijks, dat Hygelac met landerijen Wulf en Eotor
beschenkt en zelfs den laatste met de hand zijner dochter. Uit de
aangehaalde woorden van Wiglaf blijkt, alsmede uit andere plaatsen,
dat de koning een stuk van het aan de gezamenlijkheid, aan den stam
behoorend eigendom aan enkelen toewees.
De latere Engelsche koningen pasten die handelwijze in het breede
toe, en zoo ontstond mettertijd de dienst- en bezitsadel, welke den
oorspronkelijken geboorteadel over het hoofd wies. In den Beowulf
zijn dus de kiemen van het leenstelsel reeds aanwezig.
Uit het gevolgschap koos de vorst soms eenige dapperen uit voor eene
moeilijke onderneming; dit zien wij bij gelegenheid van Beowulfs
tocht naar Denemarken en later bij zijnen kamp met den draak.
In tijd van vrede maakten de mannen van het gevolgschap den hofstoet
des konings uit.
Zij bekleedden de hoogste waardigheden, als daar zijn: raadsheer
(Aeschere); schenker (501, 2088); zanger (Unferd); ceremoniemeester
(Wulfgar); hofmeester (1835).
Men wane niet, dat wij met eene maatschappij te doen hebben, welke een
bekrompen en armoedig bestaan leidde, zooals die bij Tacitus. Verre
van daar.
Onder stoffelijk oogpunt heerscht er aan de vorstenhoven zoo niet
weelde, dan ten minste welvaart.
Het verblijf der Deensche koningen bestaat uit de burcht, welke nogal
aanzienlijk moet geweest zijn, en uit Heorot, de troonzaal, die zich
in de nabijheid verheft; het geheel is omgeven met een ruim plein, het
medeërf v. 1674, waar zich ongetwijfeld andere bijgebouwen bevonden.
Het gedicht vermeit zich in de beschrijving van Heorots pracht,
De trots gebouwde zaal in bonten goudglans.
Het was de wijdst vermaarde woon ter wereld
Bij 't menschdom, waar de machtige verwijlde.
De vuurglans lichtte over vele landen. (310-13.)
Het gebouw was van binnen met ijzeren bouten versterkt; kostbare
kleeden met geborduurde tafereelen bedekten de wanden; goudversieringen
blonken allerwegen, en een veelkleurig geplaveide weg, breed genoeg
om een troep ruiters te laten draven, voerde er heen: