Men kan gerust staande houden, dat de oud-engelsche beschaving,
zooals zij zich in ons gedicht afteekent, eene verrassing, ja eene
openbaring mag heeten voor elken onpartijdigen lezer, die niet behept
is met de Fransche vooroordeelen omtrent Germaansche toestanden.
Deze vooroordeelen dagteekenen reeds van de vroegste tijden.
Met uitzondering van Tacitus, den man gewapend met den adelaarsblik
van het vernuft, hebben geschiedschrijvers als Gregorius van Tours,
wiens geest gevormd was in de school der Romeinsche beschaving,
niet altijd recht laten wedervaren aan de Noordsche denkbeelden.
Welnu uit den Beowulf straalt eene betrekkelijk hooge ontwikkeling,
waarop wij ons geenszins bij de «Noordsche barbaren» verwachten,
en die gunstig afsteekt bij de bloederige tooneelen der Edda en de
reusachtige, teugellooze hartstochten der Nibelungen.
Deze ontwikkeling spreekt zich uit op maatschappelijk, stoffelijk,
geestelijk en zedelijk gebied.
Op maatschappelijk gebied zijn de toestanden, zooals Tacitus die
beschreven heeft, in hoofdzaak ongewijzigd gebleven. Nog altoos treedt
het volksleger op, dat op de bloedverwantschap is gevestigd, zoodat
ieder gezond, vrij man dienstplichtig is; zelfs ontmoeten wij nog de
dienstgevolgschappen, comitatus van Tacitus; doch het gezag des konings
heeft zich uitgebreid, en zijne waardigheid is erfelijk geworden.
De koning blinkt uit door edele geboorte en door persoonlijken moed;
hij voert het leger ten strijde.
Van Hrodgar heet het:
Nooit aan de legerspits, als lijken vielen,
Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden. (Vert. 1055-56.)
Het gevolgschap was eene vrijwillige vereeniging van strijdlustige
mannen, waaronder ook bloedverwanten, onder het gezag van eenen vorst,
wien zij onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaamheid beloofden.
Het bestond uit beproefde krijgers (dugudh) en aankomende jongelingen
(geogodh).
Bij voorkeur schaarden zij zich onder de banier van een dapper
krijgshoofd.
Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar,
De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen
Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam,
De breede jonglingschaar. (65-68.)
Deze afhankelijkheid was geene schande, immers de zonen der
aanzienlijkste geslachten gingen er toe over: Beowulf had in zijne
jeugd Hredel gediend en op zijne beurt stelt hij aan Hrodgars zoon
de gelegenheid open, om zich bij Hygelac aan te sluiten.
De dienstgevolgschappen doen zich in het gedicht voor als een bond
van blijvenden, ten minste niet van voorloopigen aard, evenals bij
Tacitus; ofschoon niets belet, dat de verplichting met toestemming
des vorsten voor een tijd lang kan opgeheven worden. Zoo zien we,
dat Beowulf met Hygelacs oorlof de Denen ter hulp snelt, om daarna
weer tot zijnen vroegeren heer terug te keeren:
Geheel mijn hulde
Zij wendt zich weder uwaart. (2206.)
De dienstman ontving van den vorst: 1º huisvesting en voedsel:
(Wij zijn) Hygelacs genooten aan de haardstee. (263.)
2º zijne wapens; Wiglaf zegt:
Den tijd gedenk ik, toen wij mede ontvingen
En in de hal aan onzen heer beloofden,
Die ons de ringen schonk, dat wij de rustings
Vergelden zouden enz. (2715-18.)
3º allerhande geschenken, kleinoodiën, paarden en vooral spiraalvormige
ringen, die tot munt dienden, zoodat men er een stuk van kon afbreken;
4º daarenboven een aandeel in den krijgsbuit: