Wat is den arme 't schoon der lente? Niets!
Een starrenhemel? Niets! Wat is hem kunst?
Wat zijn hem tonen, tinten, geuren? Niets!
Wat is hem Poëzie?
Zonder zich juist op het standpunt te moeten plaatsen van Multatuli,
zal wel menig dichter met hem instemmen bij het zien van de practische
richting onzer eeuw, waarin onder de ontwikkelden slechts weinigen,
eenige fijnproevers en voor het overige beoordeelaars, wier vak het
meebrengt, belang stellen in de poëzie, terwijl de groote menigte in
de beslommeringen en bekommeringen van den strijd om 't bestaan doof
blijft voor alle «godentaal» en «hemelval».
Welk verschil met de eerste eeuwen onzer beschaving, met het
heldentijdperk onzer Germaansche voorouders, toen de poëzie, in en door
het volk geschapen, aan een gemeenschappelijk ideaal beantwoordde,
alle borsten deed zwellen, aller begeestering afdwong en zoozeer
vergroeid was met het «profanum vulgus», dat de dichter, welke thans
als eene scherpe, hooger begaafde persoonlijkheid optreedt, in de
groote massa verloren ging, als een druppel in den oceaan.
Evenals het tot man opgroeiend kind zijne begoochelingen aflegt,
naarmate het, door weetgierigheid geprikkeld, de koude en ernstige
werkelijkheid leert kennen, zoo ook hebben de beschaafde volken
sinds lang de ongekunstelde voorstellingen hunner jeugd over boord
geworpen; en indien er nog eenige sporen voorhanden zijn van de oude,
dichterlijke overleveringen, dan zijn ze tot den nederigen rang van
sprookjes afgedaald, welke nog alleen in de kinderwereld onder de
strooien daken rond den zetel van het goedhartige, kind geworden
grootje, te vinden zijn.
Hofdijk zegt te recht van de sage:
Toen vlood de onterfde maagd, door twijfels kille handen
Beroofd van kroon en bloemenwâ,
En vond in 't halflicht van de ruwe, leemen wanden
Der schaamle eenvoudigheid genâ.
Welnu, keeren wij in deze lang vervlogen tijden, in het rijk der sage
terug; het is immers zoet voor het hart, zich de schoone jeugd weer
voor den geest te halen.
Aan de Oudengelsche letteren is het voorrecht te beurt gevallen den
Beowulf, het oudste Germaansche epos, te bezitten. Alle Germaansche
volken hadden wel is waar dichterlijke overleveringen, doch deze
gaven slechts het ontstaan aan afzonderlijke liederen of sagen.
Op dezen trap bleven de Scandinaviërs staan, terwijl bij de Franken
de oude heldensage grootendeels voor de poëzie verloren ging. Alleen
de Duitschers kunnen met rechtmatigen trots op volksheldendichten
als de Nibelungen en Gudrun wijzen, doch deze zijn van veel lateren
oorsprong dan de Beowulf.
Het is waar, de Beowulf is geen eigenlijk heldendicht in de hooge
beteekenis, welke men, verwend als men is door het Grieksche epos,
aan dit woord toekent.
Er wordt geene gebeurtenis van zulk algemeen nationaal belang als de
oorlog van Troje geschilderd; zelfs ontbreekt de eenheid, welke alleen
een letterkundig voortbrengsel tot volmaakt kunstwerk kan stempelen;
het Angelsaksische epos werd immers in het midden zijner ontwikkeling
tot staan gebracht door de uitbreiding van het Christendom. Doch dit
neemt niet weg, dat het een juweel is, en als zoodanig onze warme
belangstelling verdient.
Immers het gedicht, dat in de grondtrekken heidensch is gebleven,
is een der weinige schatten, welke gered zijn uit de schipbreuk
van de rijke Germaansche volkspoëzie; de taal, de epische stijl,
de geschied- en aardrijkskundige bijzonderheden, de aanwezigheid
der voornaamste heldensagen, de bestanddeelen waaruit het tot een
geheel is saamgevloeid, dat alles spreekt tot den beschaafden lezer
en tot den dichter, dat alles biedt de taalwetenschap, geschiedenis,
letterkunde en tekstcritiek een rijk veld ter ontginning aan.
Wat de laatste wetenschap betreft, zij heeft zich in de herstelling
van den Beowulftekst een blijvend gedenkteeken gesticht.
De gebrekkige toestand van het handschrift hulde het gedicht in een
apocalyptisch duister; dank aan de onderzoekingen van Bugge, Cosyn,
Kluge en Sievers is er licht ontsproten uit den baaierd, zoodat wij
ons thans in eenen leesbaren tekst kunnen verheugen. Om zich hiervan
te overtuigen vergelijke men de oude vertaling van Ettmüller en
zelfs die van Heyne met die van Grein, en men zal moeten bekennen,
dat op dit gebied reuzenstappen zijn gedaan.
Voor ons, Nederlanders, heeft het gedicht nog eene bijzondere reden
tot belangstelling: de inval der Denen, het eenige geschiedkundig na
te wijzen feit, heeft op Nederlandschen bodem plaats gehad. Dit is
des te meer opmerkelijk, nu diezelfde gewesten zich niet onbetuigd
hebben gelaten bij de totstandkoming van de Nibelungen en Gudrun [1].
Doch nog om eene andere reden is de Beowulf belangrijk. Indien
het boven allen twijfel verheven is, dat elk letterkundig werk van
eenigen omvang de uitdrukking zijn moet van zijnen tijd, wil het
op den naam van meesterstuk aanspraak maken, dan is dit vooral waar
van het volksepos, dat natuurlijk uitvloeisel van de ziel der natie,
van het gemeenschappelijk leven en streven gedurende heel een tijdvak.
Dit vinden wij bij het Oudengelsche gedicht bewaarheid; het is de
uitdrukking van het volksideaal en bijgevolg de nagenoeg trouwe
afbeelding van het karakter, van de zeden en gewoonten der oude
Germanen.
De krijgshaftige inborst van het volk, welke wij uit de geschiedenis
als zijn hoofdkenmerk leerden waardeeren, zijn leven verdeeld
tusschen oorlog en drinkgelagen, zijn voorliefde en afkeer, zijn
rechtsbegrippen, de opvoeding van den jongen krijgsman, de inrichting
van de woningen der grooten, de beschrijving van de gastmalen
en begrafenisplechtigheden: het treedt hier in kleur en beeld, in
levenden lijve voor het voetlicht.
Beter dan de kronieken met hare dorre opsomming van feiten stelt het
volksepos den geschiedschrijver in staat, om den juisten maatstaf te
leggen aan de beschaving der eerste middeleeuwen, daar wij eenen
dieperen blik slaan in de geaardheid van het volk, waarvan de
gebeurtenissen slechts eene afspiegeling zijn.
Onderzoeken wij daarom den toestand van de maatschappij, die in
ons epos te voorschijn treedt, zoo zullen wij ons rekenschap kunnen
geven van