is gespaard. Van dichtbij bespeurt men het dadelijk, doordat het
zoo eigenaardig alleen te midden der golven is gelegen. De voet, die
een weinig is afgebrokkeld, de zwaardere romp en de kleur doen het
gelijken op een schip met volle zeilen, gedreven door den wind. Een
weinig struikgewas op den top volmaken de illusie, want ze doen denken
aan den top van den mast. De gelijkenis bedriegt altijd, zoo treffend
is ze. De nautische aanwijzingen maken er melding van en stellen de
rots voor als een nuttig baken; men wordt er toch ondanks dat alles
door gefopt. De vergissing is buitendien onaangenaam. Inderdaad is de
toegang tot Wallis een van de lastigste, en het is de gewoonte, een
kanonschot te lossen, om de hulp in te roepen van een loods, die te
Mua woont op het eiland Uvea, en het schip, dat op assistentie wacht,
laveert heen en weer tot de komst van den inlandschen loods. De Rots
met de Zeilen is dan een bron van emoties en teleurstellingen voor
de zeelui, die er verlangend naar zijn aan den wal te komen en eens
uit te rusten. Dat willen ze dan allen graag na de lange zeereis,
die noodig is geweest om op de Walliseilanden te komen. Dan staat die
stille rots daar en doet, alsof ze alle zeilen bijzet, om naar u toe
te varen, en tergt de wachtenden, die natuurlijk de neiging voelen,
haar te verwarren met het vaartuig van den loods, dat ding, welks
komst de reizigers moet verlossen van het vervelende anti-chambreeren
in open zee.
Wij leerden alle stadia van dat wachten kennen, waren om beurten
vol hoop of diep teleurgesteld, eer wij de koraalzee binnen den
Wallisarchipel konden binnenvaren.
Bij het heldere licht van den Stillen Oceaan namen deze kleine
eilanden, gevat in den ring van het mooie koraalrif, den glans aan
van kostbaar gesteente. Eerst had men den nevel van de branding, die,
welker schuim de zonnestralen brak en er alle kleuren van het spectrum
in tooverde; in de binnenzee ging het koraalgesteente naar de diepte,
waarop het zich bevond, over van den eenen groenen schijn in den
anderen en daarachter onderstreepte de donkere kustlijn het tooneel.
Op de Fidsji-eilanden maakten wij kennis met het wreede ras van de
Melanesiërs; hier komen we in aanraking met veel zachter menschen.
De Wallisarchipel is ontdekt in 1767 door den beroemden zeevaarder,
die er zijn naam aan verbond. Hij was Engelschman. De groep ligt op
den 13den graad Z.B.; het is er zeer warm, want het klimaat wordt niet
gematigd door de nabijheid van hooge bergen, zooals op de meeste der
oceanische eilanden. Er loopen slechts heuvelrijen over de eilanden,
die niet hooger worden dan 150 meter. De groep bestaat uit een tiental
eilandjes, die in het Noordoosten het dichtst bij elkaar liggen. De
meeste er van, Natu-Mea, Faiva, Natu-Fetam, zijn niet anders dan
koraalrotsen of gewone rotsen, beplant met kokospalmen. Zij dienen
slechts tot tijdelijk verblijf voor zwervende visschers.
Die groene eilanden, die alle een weinig heuvelachtig zijn, loopen in
een kaap van regelmatigen vorm uit en maken een zeer schilderachtig
effect.
De krans van koraalriffen wordt op drie plaatsen doorbroken, en
slechts één der drie doorgangen, die van Honokulu, is voor schepen
toegankelijk.
Het voornaamste eiland, dat de andere als zijn dépendances kan
beschouwen, is Uvea. Als men langs de kust vaart, wordt men getroffen
door de vreemdheid der omgeving, die men vóór zich ziet. Het strand
is, evenals dat van alle eilanden der Stille Zuidzee, bedekt met
een uiterst weelderigen plantengroei; maar het lijkt, of op de
Walliseilanden die vegetatie nog veel donkerder en weelderiger
is. Bovendien zijn, en dat is het bijzondere karakter van deze
eilanden, alle inlandsche hutten op een rij langs het strand der
zee geplaatst. Het zijn liliputachtige woningen van bladeren; het
schijnen echte bijenkorven, neergezet aan den voet van magere, lange
kokospalmen. Het dak van die primitieve hutten raakt nog niet tot een
vijfde van de hoogte van de kruin der palmen. In geen enkel land heb
ik zulke lage woningen gezien. De aanblik van die dwergdorpen, in een
halven kring geschaard rondom de baai, is zeker een der eigenaardigste,
die men onder de oogen kan krijgen. Hij verplaatst u in een lang
vervlogen fabelachtigen tijd, en de inboorlingen, die men uit die
huisjes verwacht te zien te voorschijn treden, zijn sprookjes wezens,
die onder hun rieten dakjes tot in eeuwigheid kinderen blijven onder
den invloed van een kwaadwillig noodlot.
Te midden van die bijennesten verdient daarentegen de hut van den
koning den naam van paleis. Van steenen opgetrokken, twee verdiepingen
hoog, is zij nog omringd door een dubbele veranda. Rechts van de
koninklijke residentie wappert aan een vlaggestok de vlag van Zijne
Majesteit, een rood doek met vakjes, rechts de driekleur, het teeken
van het protectoraat, en links een wit kruis, het symbool van de
almacht der christelijke zending.
Uvea telt op het oogenblik 4000 inwoners. Daar de europeesche ziekten,
die zoo groote verwoestingen aanrichten onder de Zuidzee-eilanders,
er nog niet zijn verschenen, neemt de bevolking toe, wat iets zeer
bijzonders is. De zendelingen rekenen zich terecht de eer toe van
het behoud der soort, want zij hebben tusschen de Walliseilanden
en het overige deel der wereld een slagboom opgetrokken, die even
onoverwinnelijk is voor rhum als voor de bacillen van Koch.
Te Uvea kan men het Maoriras nog zuiver aantreffen. In de groote
menschenfamilie vormen de Maori's of Polynesiërs een der merkwaardigste
ethnographische takken; maar ze zijn als de zeldzame orchideën
verdwaald tusschen het gebladerte. Aan de aarde gebonden door ik weet
niet welke onzichtbare draden, zijn die bloemen bestemd, spoedig te
ontbladeren tusschen de groene takken. Zoo is voor de Maori's, die
nog nauwelijks een enkele eeuw bekend zijn, reeds het uur van hun
dood geslagen; zij verdwijnen uit de archipels en de Wallisarchipel
is de eenige, waar ze nog in aantal vooruitgaan.
Deze eilanders verbaasden degenen, die het eerst met hen in
aanraking kwamen. Toen ze den aangenamen omgang hadden genoten,
moesten de Europeanen erkennen, dat de eilanders een uitstekend
ingerichte maatschappij hadden. De vrouwen wekten enthousiasme, en
nergens kwamen zooveel deserteurs voor als op de schepen in dienst
op de zuidelijke zeeën. Te goeder trouw verklaarden veel kapiteins
het nieuwe ras voor het mooiste ter wereld, en Quatrefages, die zelf
niet onder hen geleefd heeft, geeft hun gelijk.
Er werden over de ontdekking van wat het vijfde continent genoemd
werd hevige twisten gevoerd van dogmatischen aard. De wijsgeeren
uit de school van Jean Jacques Rousseau maakten zich meester van
de opgewonden verhalen, gedaan door de zeelui, om daaruit steun af
te leiden voor hun theorie omtrent de oorspronkelijke goedheid der
menschen. Zoo werden nooit wilden meer gevierd dan de jonge Otoe,
die door Bougainville naar Parijs was meegenomen. Beroemde dichters
maakten oden en elegieën op hem. Elken dag opnieuw verschenen in
onze letterkunde werken, gewijd aan het jonge meisje en aan den
jongeling van Otahiti. Die dithyrambische liederen, ingegeven door
de verbeelding der schrijvers, wekken een glimlach bij hen, die in
anima vili de helden hebben ontmoet.
Maar vooral uit het oogpunt der anthropologie deden de eilandengroepen
der zuidelijke zeeën de geschillen ontbranden. De wetenschap was toen
in twee kampen verdeeld, de polygenisten, wier leer gegrond was op
de veelheid van de oorspronkelijke menschen, en de monogenisten, die
volhielden, in aansluiting aan den tekst van Genesis, dat het geslacht
homo uit een enkel paar menschen was voortgekomen. Die Polynesiërs,
die men daar plotseling had gevonden aan de uithoeken der wereld, die
zachtzinnige, schoone en verfijnde individuen, zoo verschillend van de
Melanesiërs, hun naaste buren, waar waren ze vandaan gekomen? Behoorden
zij niet tot een afzonderlijke groep zonder vroegere betrekking tot
de overige menschheid?
Ja, dat is blijkbaar het geval, antwoordden de polygenisten; het is
niet aan te nemen, dat de Polynesiërs van buiten zijn gekomen, omdat
het onmogelijk is, de haard, van waar ze zijn uitgegaan, te vinden.
Quatrefages, de monogenist van officiëele bekendheid, boven reeds
genoemd, beproefde daarentegen in zijn boek te bewijzen, dat de
bewering der polygenisten onjuist was. In het werk "Des Polynésiens
et leurs migrations" zegt hij, niet aan het autochthone der naturellen
uit de Stille Zuidzee te gelooven.
De waarheid is moeilijk te vinden in dat onmetelijke gebied van den
oceaan, waar de vorming der eilanden, de ontwikkeling der fauna en
flora en der volksstammen, alles onpeilbaar is als de horizons. Maar
toch, zonder partij te willen kiezen in den strijd van beginselen,
veroorloven wij ons ten aanzien der Oceaniërs eenige opmerkingen,
die door de ervaring in de pen zijn gegeven. In de eerste plaats
is de hypothese van de vroegere verbinding van Polynesië aan het
groote australische vasteland, dat nu in deelen is uiteengespat,
opgegeven; het is voldoende, de geologische gesteldheid van den
bodem van den oceaan te bestudeeren, om zich er van te overtuigen,
dat hij van betrekkelijk jongen vulkanischen oorsprong is. Hoe zou
men kunnen aannemen, dat de mensch daar ontstaan zou wezen, daar,
waar geen enkel ander zoogdier werd gevonden? Dat zou een ontkenning
zijn van de wet der evolutie, waarop de polygenisten steunen.
De Polynesiers moeten dus de eilandengroepen bevolkt hebben langs
den weg der landverhuizing; maar waar vandaan zijn ze dan gekomen,
daar hun type toch eenig is in zijn soort? Ik geloof niet, dat men
kan volhouden, dat ze uit Amerika zijn overgestoken, niet enkel
om den enormen afstand, die hen er van scheidt, maar ook omdat
er geen voorbeeld bestaat, dat de landverhuizingen over zee in
de richting van den heerschenden wind hebben plaats gehad, daar
dan terugkeer niet voor goed verzekerd was. In die omstandigheden
wachten zeevarende volken, die zich verplaatsen, zich er wel voor,
hun vaderland te verlaten. Daarentegen leidt alles er toe, te gelooven,
dat de Polynesiërs, rekenend op de hulp van den passaatwind, om terug
te keeren, van de kalmte van den drogen tijd hebben gebruik gemaakt,
om zich in het onbekende te wagen. Eindelijk maakten ze gebruik van
het voordeel, zich naar de zon te richten, een omstandigheid, waar de
primitieve volken zeer gevoelig voor zijn. Deze redeneering, die ik
grond op de practische ervaring van het karakter der inlandsche zeelui,
acht ik zeer aannemelijk. Men moet onbekend zijn met den bewoner van
Oceanië, wat ongelukkig het geval is met de theoretici, die alleen deze
vraag hebben behandeld, om te veronderstellen, dat deze beschroomde
wilden zich op den oceaan hebben durven wagen op booten, die alleen
konden varen met den wind mee, als ze niet overtuigd waren, naar huis
te kunnen terugkeeren met de zon. De onveranderlijke terugkomst der
passaat winden had tot resultaat, dat de landverhuizers den noodigen
moed kregen voor hun exploratie van den Stillen Oceaan.
Het land der Maleiers was zonder twijfel, zooals ook Quatrefages
beweert, het punt van uitgang voor de tochten naar den Grooten
Oceaan. Toch laat het zich begrijpen, dat de Melano-Polynesiërs
van het primitieve maleische type verschillen. Aan den eenen kant
hebben ze zich vermengd met melanesische elementen, een te verwachten
gevolg, daar ze de eilanden der Kanaken hebben doorreisd, en aan den
anderen kant hebben ze zich mongoolsche kruisingen laten welgevallen,
tot steun van welke bewering wij ons op Futuna kunnen beroepen. Een
enkel punt blijft intusschen onopgelost; het is niet twijfelachtig,
dat sommige eilanders met ons trekken van overeenkomst hebben en zelfs
een treffende gelijkenis; hun afkomst moet zoo dicht bij de onze zijn
gelegen, dat reeds na het eerste geslacht geen verschil meer merkbaar
is. De geest verdiept zich in gissingen, om het geheim te doorgronden
van die verwantschap, waaraan wij het verschijnsel onzer bewondering
toeschrijven, die wij als instinctief voor de Maori's voelen.
In het kort, het melano-polynesische ras schijnt ons niet in oorsprong
onderscheiden; het is naar onze meening een anthropologische schepping
van kunstmatigen aard door blinde kruisingen. Het is niet noodig, er
meer van te zeggen, om de weinige onderlinge gelijkheid te verklaren,
evenals de geringe levenskracht van een groep menschen, die bestemd
is te verdwijnen, zooals ze verschenen is.
Het is moeilijk te zeggen, wat men verstaat onder "het mooiste ras der
wereld", maar op de verschillende trappen van vrouwelijke schoonheid
nemen de polynesische dames een zeer hooge plaats in. Afkomstig van de
drie voornaamste ethnische elementen, heeft het ras van de Papoea's of
Austraalnegers den lichtelijk platten neus geërfd, de dikke lippen,
groote tanden en een matig prognatisme. Wat er te zinnelijk is in de
gelaatsuitdrukking, heeft het van zijn laagstaande voorouders.
Aan de Aziaten ontleende het iets van het lieve der Japansche vrouwen
en de fijne handen en voeten. Terwijl het mongoolsche ovaal de rondheid
der wijd geopende oogen temperde, gaf het gele pigment aan de huid
iets vergulds, warms en metaalachtigs.
Maar de Maori'sche heeft haar voornaamste karaktertrekken van haar
moeder, de Maleische. Van haar heeft ze den uitdrukkingsvollen blik,
het lenige en evenredige lichaam, de weelderige haren. Aan de frissche
bronnen heeft zij de geheimzinnige bekoring der dalen ontleend;
zij heeft in de lijst eener liefelijke natuur het gemakkelijke
leven gekend.
En eindelijk is zij als de spiegel eener verwijderde arische
verwantschap. Misschien moet men opklimmen tot het centrale plateau,
van waar, naar men zegt, alle semietische volken afstroomden, om het
eerste begin te vinden van een emigratie naar Polynesië! Misschien
zou dat de ontroerende gevoelens verklaren, die wij, zonen van het
oude Europa, gevoelen voor de wilde meisjes uit Oceanië! Wij zouden
mogelijk de verontschuldiging hebben, dat we in haar terugvonden iets
van ons eigen verleden en dat zij den sluier ophieven, die voor ons
het verre verleden bedekt.
Maar men moet goed begrijpen, wat er onder een maori'sche schoonheid te
verstaan is. Loti, die over Rarahu spreekt, drukt zich aldus uit: "Het
was een bijzonder meisje, wier doordringende en wilde bekoorlijkheid
alle regels eener conventioneele schoonheid verwaarloosde, zooals wij
die in Europa begrijpen. Er was in haar iets, dat men niet beter kan
omschrijven dan met de woorden "een polynesische bevalligheid". Het
is onmogelijk, om aan diegenen, die ze niet hebben ontmoet, een
denkbeeld te geven van den indruk, door de vrouwen van Oceanië
gemaakt. Als men haar voor de eerste maal ziet, gevoelt men altijd
in haar tegenwoordigheid een soort van desillusie; maar weldra
wordt men geboeid door de exotische kwijning van haar zwarte oogen,
door de verleidelijke zachtheid van het gelaat, de elegante losheid
van haar taille en haar ronde schouders, aantrekkelijkheden, die de
bedriegelijke photographie niet kan uitdrukken; buitendien gewent men
spoedig aan wat eerst ons aesthetisch gevoel onaangenaam aandoet, dat
wil zeggen, aan den platten neus, het prognatisme en de vooruitstekende
jukbeenderen.
Als men onder de Polynesiërs leeft, begrijpt men in den
anthropologischen zin van het woord het oordeel van de Quatrefages over
haar, maar haasten wij ons er bij te voegen, dat er veel overdrijving
schuilt en veel dichterlijk enthousiasme in de beschrijvingen der
zeevaarders. De deprimeerende invloed van de omgeving heeft er veel
toe bijgedragen, dat de Europeanen de inboorlingen niet behandelden,
zooals men na dien lof zou verwachten.
Uvea is de hoofdplaats voor de Paters Maristen. Aan den naam
van die plaats is verbonden die van hem, wien de eer toekomt, de
voorvechter te zijn van hun werk in Oceanië, Monseigneur Bataillon,
bisschop van Enos. Het leven van dezen zendeling werd bijna geheel
op de Walliseilanden gesleten, namelijk tot zijn verheffing tot het
episcopaat; en zijn stoffelijk overblijfsel rust onder de grafsteenen
in de kerk te Mua.
In hun apostolische verbeelding zien de priesters den archipel
als het beloofde land, waar zonder een enkele afvallige ziel de
geloovigen eenvoudig geloovig zijn, zooals in den gouden tijd van
het christendom. Daar ze in het geheel geen geregelde gemeenschap
onderhouden met de wereld, is deze schuilplaats inderdaad hun ideale
koninkrijk op aarde.
Sedert 1843 is de macht der zendelingen er steeds toegenomen
onder den invloed van koningin Amelia. In 1887 haalden ze hun
koninklijke getrouwe over, zich onder het protectoraat van Frankrijk
te stellen. Amelia is gestorven kort na die gebeurtenissen, zonder
dat de positie der paters Maristen er door is veranderd.
De archipel wordt tegenwoordig bestuurd door een onbeperkt
alleenheerscher, die zijn gezag krachtens goddelijk recht uitoefent met
de raadgevende stem van de districtshoofden. Zijn wijze van regeeren
is nog dezelfde als in den ouden tijd. Met het aanleeren van de lessen
der beschaving heeft de vorst alleen zijn bloedige gewoonten verloren,
en tevens heeft zijn regeering er door in vastheid gewonnen. De rust
van de dynastie, die vroeger veel te lijden had van den opstand der
hoofden, is nu bij het volk veilig.
De tegenwoordige koning is een man van ongeveer vijftig jaren, van een
levendig temperament en groote intelligentie. Hij schijnt inderdaad
regeeringstalent te bezitten. Zijn onderdanen koesteren te zijnen
opzichte den traditioneelen eerbied, vol bijgeloof. Ze zouden niet, eer
de zon is ondergegaan, zijn huis durven passeeren met een pak of last.
Dicht bij het huis van den koning waait onze vlag op de woning van
den franschen resident. Die ambtenaar, gewoonlijk gekozen uit het
corps der koloniale bestuurders, woont alle beraadslagingen bij,
zonder dat hem een bepaalde macht is gegeven. Hij verveelt zich
gruwelijk op de Walliseilanden en wordt moedeloos en onverschillig
in zijn isolement en zijn eenzaamheid.
Wat de zendelingen aangaat, die doen niet aan politiek; maar hun
oppergezag zweeft boven de besluiten van den Raad en boven de
beslissingen van den koning...
In werkelijkheid is de regeering van de eilanden zuiver theocratisch;
alle wetten hebben een godsdienstige strekking, en het eiland Uvea
maakt den indruk van een zeer groot klooster, waar ieder aan de
regelen gehoorzaamt van de kloosterlijke tucht en zich veilig voelt
achter de beschermende wallen.
Men behoeft slechts aan wal te gaan, om zich rekenschap te geven van
het feit, dat het eiland, zoo groen, uit de verte gezien, te groote
illusies wekt op het punt zijner vruchtbaarheid. De palmen, die te
dicht opeen staan, leveren maar zeer weinig vruchten; de droge grond
van vulkanische asch is niet bijzonder productief. In tegenstelling
met de meeste Polynesiërs moeten deze eilanders wel werken, om aan
voedsel te komen. Maar de groote oorzaak van zorg en ellende, die als
een zwaard van Damocles boven de bewoners hangt, zijn de cyclonen,
in welker centralen weg de eilanden liggen.
Herhaaldelijk is de regeering van Nieuw Caledonië, onder wier
regime deze bezitting behoort, te hulp moeten komen. De economische
minderwaardigheid van den archipel is een gevolg van het feit,
dat wij hier niet te doen hebben met een bodem, ontstaan tengevolge
van een vulkanische uitbarsting, zoodat er een bergland ontstond,
aan welks voet de humus zich kon afzetten in de dalen, die door
erosie ontstonden.
De archipel der Walliseilanden heeft ongetwijfeld zijn ontstaan te
danken aan de uitbarsting van groote gasmassa's naar de oppervlakte
van de zee, en die een aschregen deden neerstorten rondom den ontstanen
krater. Men vindt er inderdaad geen lava, en de weinige trachieten, die
men in het midden van het eiland vindt, zijn maar klein van afmeting.
Men kan op Uvea een zeldzaam verschijnsel van plutonischen aard
opmerken, namelijk de plaatsen, waar die uitbarstingen van gas
zich voordoen. Het zijn, als het ware, schoorsteenen van beslist
cylindrischen vorm, met steile wanden, afgeslepen door de opstijging
der gloeiende stoffen. In de diepte van die arena van wel 500 meter
middellijn heeft het hemelwater een groenachtig meer gevormd, waar
reusachtige vleermuizen in menigte boven rondfladderen.
Er is iets, dat nog vreemder is dan de theocratische regeering en
de geologische gesteldheid van het priesterlijke rijk, dat zijn de
jonge meisjes. Die blijven tot haar huwelijk onder de leiding der
Zusters van het district. Elken morgen na de mis worden ze aan hun
families afgestaan voor het gewone huishoudelijke werk, en zoodra
de avond begint te vallen, keeren ze naar de school terug, waar ze
gedurende den nacht opgesloten blijven. Op die wijze wordt haar deugd
nauwlettend bewaakt; want officieren van de zedenpolitie houden de
wacht in het dorp, om de minste overtreding tegen de regelen der
kuischheid aan den dag te brengen.
Toch branden in de borst van die kinderen de warme gevoelens van het
Maori-bloed. Men kan het zich bijna niet voorstellen, dat die meisjes
in het algemeen braaf zijn, en de zendelingen moeten er wel diep
den eerbied voor de kuischheid in hebben gebracht, om dat resultaat
te bereiken.
Toch valt er iets bijzonders bij op te merken. Die dames, die uit
atavisme zich eigenlijk als bloemen zoo maar zouden moeten geven,
bezwijken bijna nooit anders dan in geval van een huwelijk; maar de
behoefte om liefde te schenken is bij haar zoo groot, dat het flirten
spontaan op Uvea is ontstaan.
Het denkbeeld, te flirten met een vrouwtje van de Wallis-eilanden
deed ons glimlachen. Denkend aan de lichtvaardige gemakkelijkheid
der zeden op Tahiti, wilden wij te dezer zake geen geloof slaan aan
de verhalen van degenen, die er vóór ons waren geweest. Maar later
moesten wij wel toegeven, dat ze gelijk hadden gehad, want er vielen
ook onder ons helden op te merken van die liefdeshistorietjes als
kostschoolamourettes.
Wij maakten kennis met de dames op een feest, gegeven door den
koning. De jonge meisjes uit Uvea zongen, zittend op de hurken en
het gezang begeleidend met handgeklap. Zij roemden de grootheid van
Frankrijk, van haar vaderland en van ons schip. Tot minder verheven
onderwerpen overgaand, deelden zij mede, hoe en met welke bloemen men
kransen moest vlechten en guirlanden; ze noemden den pandanuspalm,
welks geur bedwelmt, den hibiscus, rood als bloed, de groene lianen
en de varens, die met hun donkere kleuren een achtergrond vormen voor
de kleurige kronen.
Daarna verheerlijkten ze het eiland Samoa, de koningin der westelijke
zeeën van den Grooten Oceaan; ze roemden de bevalligheid van
zijn fafinérs of jonge meisjes, de koelte van zijn stroomen en de
heerlijkheid van zijn bergen... telkens met eentonig rhythme herhalend:
Lelei, Lelei Samoa... (het schoone, schoone Samoa), welk refrein door
de eerste zangeres op scherpen toon werd aangegeven.
Amalia, de dochter van den koning, een groote jonge dame van 18 jaar,
zat in het midden der rij en had zelve de leiding van het gezang harer
vrouwelijke onderdanen. Zij is, evenals haar grootmoeder koningin
Amelia, een zeer geloovig schepseltje, dwepend met de zendelingen. Er
werd zelfs verteld, dat ze de eer verlangde, den sluier aan te
nemen. De religieuses uit het klooster van Mata-Utu zijn inderdaad
voor een groot deel inlandschen, wier amberkleurig gelaat onder de
witte huif vreemd uitkomt. Ik denk, dat de Maristen verstandig genoeg
zullen zijn, om aan die roeping paal en perk te stellen, ten einde zulk
een trouwe vriendin aan het hoofd van de zaken des lands te behouden.
Na de jonge meisjes dansten de jonge mannen en vormden een treffende
tegenstelling met de zachte, golvende bewegingen der eersten door
hun ongeordende en woeste sprongen.
De krijgslieden waren enkel gekleed met een gordel van kokosvezels,
op het hoofd droegen ze een soort van mijter, tapa geheeten; de dansers
bootsten een gevecht na; ze lieten in hun handen houten lansen allerlei
bewegingen uitvoeren, en wisten die zoo snel te draaien, dat men de
wapens niet kon onderscheiden. Bij het simuleeren van aanvallen en
verrassingen in den oorlog bezongen ze de barbaarsche vreugden van
de zegepraal.
Ze waren ontzagwekkend, die bronzen lichamen, tegen den strakken
horizon. De passaatwind, die krachtig waaide, deed de doode bladen
opvliegen, wrong de kokospalmen tot grillige houdingen en gaf aan
het tooneel een indruk van kracht en majesteit.