Middelerwijl was het nacht geworden. De schitterende maan lichtte
hen door den donkeren boschweg. Zeer vriendelijk heette graaf
Heribert, een statig ridder op gevorderden leeftijd, den
ridderlijken neef van zijn keizerlijken heer welkom op zijn burcht.
Totdat het twaalf uur sloeg, voerden ze in het gezellige vertrek van
den slotheer een onderhoudend gesprek.
Den volgenden morgen stelde graaf Heribert zijn dochtertje
Hildegonda aan den ridder voor. Vol bewondering hing Rolands oog aan
de lieftallige jonkvrouw. Tot nu toe had vrouwelijke lieftalligheid
geen diepen indruk op hem gemaakt. Naar wapenroem en
heldenwaagstukken, naar spel en strijd had zijn ziel steeds gedorst,
nu echter had de tooverstaf der liefde den vermetelen strijder
opeens aangeraakt. Hij, die gevreesde tegenstanders onversaagd in de
oogen gezien had, boog het onvervaarde hoofd in meisjesachtige
schuchterheid voor de betoovering van Hildegonda. Maar ook zij
stond, het gelaat met een purperen blos overtogen, voor den
gevierden held, wiens naam een goeden klank aan den Boven- en
Benedenrijn had.
De oude ridder verbrak onmerkbaar de gedrukte stemming. Met een
schertsend woord sneed hij het gesprek der verlegen jongelieden af
en geleidde den gast door de hooge vertrekken van het slot.
Roland bleef langer op de gastvrije Drachenburg, dan hij ooit op
eenig ander slot vertoefd had. Met sterke banden werd hij op den
verrukkelijken burcht gehouden. De liefde ontvlamde in zijn hart en
ook in Hildegonda's reine ziel wierp zij haar verterend vuur, en op
een dag -- de schemering spon reeds zilveren draden over de met
linden beschaduwde bank -- liet zij hand in hand, oog in oog en mond
op mond rusten en omzweefde juichend, als een zegevierende koningin,
hen, die ze verbonden had.
Gaarne vertrouwde graaf Heribert zijn allerliefst dochtertje aan den
gevierden paladijn toe. In het vooruitzicht van een vroolijke
toekomst maakte hij den verlovingstijd van zijn eenig kind zoo
aangenaam mogelijk. Een burcht zou op de rots tegenover de
Drachenburg verrijzen. Als een trotsche wachttoren zou de
toekomstige Rolandsburg van de steile rots in het prachtige
Zevengebergte neerzien. Reeds stegen haar muren omhoog en dagelijks
stonden de verloofden op de platform van de Drachenburg en keken
naar den overkant, waar vlijtige werklieden timmerden en metselaars
hamerden, en de mooie Hildegonda smeedde schoone plannen voor de
toekomstige woning, waar ze den aan avonturen gewenden ridder en
held door trouwe liefde boeien wilde.
Op een dag echter verscheen er een bode op de Drachenburg, gezeten
op een met schuim overdekt paard. De afgevaardigde kwam van het
keizerlijke Worms en berichtte, dat de oom van den ridder, de
keizer, tot de kruistochten tegen de ongeloovigen achter de
Pyreneeën besloten was. Karel wenschte den beproefden paladijn onder
zijn legeraanvoerders te zien optreden. Zwijgend ontving Roland de
boodschap van den hoogen gebieder. Hij keek naar Hildegonda, die met
doodsbleek gelaat naast hem stond, en een hevige smart kwam over
hem. Maar hij moest zijn plicht nakomen. Hij zegt den koningsbode in
het keizerlijke leger aan te kondigen, dat hij over drie dagen
verschijnen zal. Met somber gelaat wendt hij zich af. Hildegonda
werpt zich snikkend aan zijn borst.