Sedert deze treurige gebeurtenis was het verdriet een trouw bezoeker
op het slot van den paltsgraaf. De hevige toorn was in knagend
hartzeer overgegaan. Dikwijls, wanneer hij onrustig door de kamers
dwaalde, waaraan zooveel herinneringen verbonden waren en doodsche
stilte hem omringde, waar vroeger de zachte stem van de geliefde
vrouw weerklonken had, dan overweldigde hem de smart. En het berouw
kwam en fluisterde hem met gloeiende woorden in het oor: of de
gruwelijke straf, die hij opgelegd had, niet te zwaar geweest was
-- of hij niet te snel het vonnis uitgesproken had en of hij niet
had moeten overwegen, wat tot verzachting der ontmaskerde zonde had
kunnen bijdragen.
Als deze vermanende stemmen hem vervolgden, dan werd het slot en de
eenzaamheid den paltsgraaf te veel, en hij snelde naar buiten met de
keffende honden en het gevolg, om door jachtfanfares en hondengeblaf
de innerlijke aanklagers tot zwijgen te brengen. Maar het gelukte
hem slechts zelden, en ook buiten zag steeds een doodsbleek
vrouwengezicht tot hem op, om dan in een stralenkrans weg te
smelten. Golo had wel bemerkt, hoe het met den zielstoestand van
zijn meester gesteld was, en dubbel drong de sluwe man zich aan den
paltsgraaf op, huichelde steeds grootere onderdanigheid en zorg voor
diens welzijn. Een hongerige neemt zelfs het brood aan, dat een
bedelaar hem biedt Siegfried meenende, dat de slotvoogd hem in zijn
eenzaamheid wilde troosten, nam deze bewijzen van genegenheid
minzaam aan en beloonde ze met welwillendheid, hoewel hij in zijn
binnenste vertoornd was op den man, die hem den treurigsten dienst
zijns levens bewezen had. Eens ging de paltsgraaf weer op de jacht.
Slechts een klein gevolg begeleidde hem. Ook Golo was onder hen.
Dieper dan gewoonlijk was Siegfried het bosch ingegaan. Een
sneeuwwitte hinde was voor hem opgesprongen, en als een goed jager
rende de paltsgraaf over heg en struik, om het zeldzame dier neer te
schieten. Reeds had zijn speer het dier aangeraakt, toen het
plotseling in een hol verdween.
En een vrouwelijke gestalte met een knaapje aan de hand trad
plotseling in de opening tusschen de rotsen. De hinde, die
bescherming bij haar zocht, vlijde zich tegen haar aan. Zij
bespeurt den jager en werpt met een blos van schaamte haar rijke
mantel van blond haar over het armoedige gewaad.
[Illustratie: Die Loreley
Nach dem Gemälde von C. Begas]
Maar een siddering overvalt haar, onbeweeglijk staren de groote
vermoeide oogen den jager aan. Een kreet klinkt van haar lippen,
half juichend, half kermend en zij werpt zich aan de voeten van den
paltsgraaf. En van de lippen, die maandenlang slechts vurige gebeden
gepreveld of het verlaten kind zoete vleierijen toegefluisterd
hebben, stroomen nu betuigingen van onschuld en aanklachten tegen
haar vervolgers. Als vuur dringen haar woorden in de ziel van den
paltsgraaf, als vuur, dat verlicht, loutert en ontvlamt.
Plotseling tot bezinning gekomen, trekt hij zijn wedergevonden vrouw
aan zijn borst, kust haar traan voor traan van de wangen weg en
werpt zich dan zelf aan haar voeten, terwijl hij berouwvol om
vergeving smeekt. Den knaap drukt hij aan zijn hart en geeft het
miskende kind duizend teedere namen.
Dan blaast hij op den jachthoorn. Het gevolg nadert; ook Golo. De
paltsgraaf trekt hem uit den kring der ontstelde wapendragers en
sleurt hem vlak voor Genoveva.
"Kent gij haar?"
Als door geeselslagen getroffen, kromp de ellendeling ineen, en
omklemde voortdurend de knieën van zijn meester, die hem
verachtelijk van zich stiet. Hij biechtte zijn misdaad en smeekte om
genade. Siegfried schudde treurig het hoofd, liet hem boeien en
wegbrengen. Een smadelijke dood was, niettegenstaande de voorspraak
van de vrome paltsgravin, Golo's loon.
* * *
De zon van nieuw geluk bestraalde weer paltsgraaf Siegfried en zijn
engelachtige vrouw. Met dubbele teederheid schonk de paltsgraaf zijn
liefde aan de trouwe gemalin en zijn bloeiend knaapje. In het bosch,
waar de hinde hem het spoor naar het hol gewezen had, liet hij, uit
dankbaarheid aan God, een kerk bouwen. Dikwijls ging de vrome
paltsgravin in dit godshuis bidden en prees Gods goedheid, die haar
tranen in vreugde had doen veranderen.
Op een dag werd haar omhulsel onder groote droefheid weggedragen en
in deze kerk bijgezet. Nog heden staat de oude Vrouwenkerk te Laach
in de "Mayenfelder Au", nog heden laat men den bezoeker het
grafteeken, den toren, waarin zij smachtte, het rotshol, waarin zij
leed, zien, en er is niemand in het Rijnland, die de deugdzame
gemalin van paltsgraaf Siegfried, de heilige Genoveva niet kent.