III.

Genoveva's bestaan was hoogst treurig. Geheel opgaande in haar

smart, doolde zij dood vermoeid door het onbekende woud rond. De

honger kwam en deed zijn rechten gelden. Zacht kermde het knaapje op

haar arm, en een innig gebed zond de vertwijfelde moeder ten hemel.

Het drukkende harteleed loste zich op in een vloed van tranen, die

haar eenigszins verlichtten. De knaap was, nadat ook hij lang

geschreid had, ingeslapen. Eensklaps zag Genoveva, als door den

hemel, dien ze aangeroepen had, gezonden, een hol voor zich, dat

haar een schuilplaats en toevluchtsoord aanbood. En, als wilde God

haar toonen, dat hij harer welwillend gedacht, kwam er een witte

hinde in het hol, die zich vertrouwelijk aan de voeten van de

verlatene neervlijde. Haar uiers waren gevuld met melk; zij moest

eenige dagen geleden jongen gekregen hebben. Gewillig liet het

zachte dier toe, dat de vrouw haar kindje laafde. Ook den volgenden

morgen kwam de hinde weder, en Genoveva dankte God uit den grond van

haar hart. Zij vond wortels, bessen en kruiden, waarmede ze zich in

het leven kon houden. Het makke dier kwam elken dag in het hol en

bleef eindelijk voortdurend bij haar.

Zoo verliepen er dagen, weken en maanden. Door de onveranderlijke

vroomheid der zwaar beproefde vrouw was de hevige smart in zachten

weemoed overgegaan. Na verloop van tijd kon zij haar echtgenoot, die

haar onschuldig veroordeeld had, vergeven, evenals hem, die zich

meedoogenloos op haar deugd gewroken had. Wel waren haar liefelijke

wangen smal geworden, maar de gekruide boschlucht veranderde de

bleekheid, die de kerkerlucht daarop verspreid had in een zacht

rood. Meer nog nam de knaap in beterschap toe, daar hem niet zooals

zijn moeder dat verterende leed aan het hart knaagde. Een bloeiende

twijg aan een geknakten stengel.

Sagen van den Rijn(#60942) · 第 72 / 108 题