Op zijn burcht te Boppard woonde graaf Koenraad Bayer, die tot een
hoogadellijk Rijnsch geslacht behoorde. Hij was nog jong, vol
levenslust en dikwijls beheerscht door jeugdige onstuimigheid en
gevaarlijke dartelheid, maar niet ontaard. Ongelukkigerwijs
verkeerde hij in zeer slecht gezelschap, en de verderfelijke
invloed, die deze lieden, waarmede hij drinkgelagen hield en ter
jacht ging, op den jongen ridder hadden, verstikte menige goede
kern, die in zijn ziel sluimerde.
Op een dag had hij de jonkvrouw van een naburigen burcht leeren
kennen, en de betooverende lieftalligheid van de jonkvrouw had hem
het besluit doen nemen om haar hand te dingen.
Hun vaders waren zeer bevriend geweest en gaarne ontving men den
ridderlijken jongeling op het slot. Ook Marie de burchtjonkvrouw
leerde hem achten en hoewel de buitengewoon krachtige mannelijkheid
van den ridder het zachtzinnige meisje niet aangenaam aandeed, zoo
toch koesterde zij een innige genegenheid voor den vermetelen jager
en ridderlijken aanbidder.
Toen hij dus haar hand vroeg, gaf ze hem gaarne haar jawoord en
verheugde zich er in zijn verloofde te zijn. Gelijk met de nieuwe
maan zou de bruiloft plaats hebben en vol hoop op de toekomst bracht
het lieftallige meisje de volgende weken van haar verlovingstijd
door.
Minder vroolijk was de zielstoestand van haar bruigom. Op spottenden
toon hadden zijn drink- en jachtgenoten hem gelukgewenscht. Zij
vonden het allen onaangenaam, dat het dolle jonggezellenleven in den
burcht van den gastvrijen vriend zoo niet eindigen, dan toch zeer
beperkt worden zou. En terwijl de een hem voorspiegelde van welk een
heerlijke vrijheid hij lichtzinnig voor altijd afstand deed,
trachtten anderen hem schertsend en spottend te overtuigen welke
drukkende ketenen hij zich in den bloei zijner jaren vrijwillig op
den hals wilde halen. In den beginne hoorde de ridder hen rustig
glimlachend aan. Het beeld zijner verloofde verdrong de treurige
tafereelen, die de welbespraakte heeren hem voor oogen stelden, doch
toen zij steeds voortgingen met hem over te halen, werd hij
besluiteloos. Trots en jeugdige overmoed kookten sterker dan ooit in
zijn binnenste en verdrongen alle edele gevoelens.
Eens, toen de jonkvrouw den ridder verwachtte, kwam hij niet. In
zijn plaats kwam er een brief, en bij het lezen daarvan viel ze in
zwijm. Hij bevatte de verklaring van graaf Koenraad Bayer, dat hij
zich nog niet rijp voelde, om het huwelijksjuk te dragen, en dat hij
haar haar woord teruggaf.