HOOFDSTUK XIII,

WAARIN HET OUDE SPREEKWOORD BEVESTIGD WORDT, DAT EEN ONGELUK NOOIT

ALLEEN KOMT.

Bij Leo’s komst was natuurlijk het kleine museum door zijn nieuwe

huisgenooten met de noodige nieuwsgierigheid bekeken, maar zooals het

gewoonlijk gaat bij een eerste bezoek aan dergelijke verzamelingen:

alles had men overzien, maar niets in den grond bezien. Oom had het

meeste oog gehad voor de voorwerpen van plastische* kunst; Dolf voor de

wapenen en goudsmids-werken; Henriëtte voor de Indische gewaden en de

vogels, maar voor een uitvoerige verklaring van al dat moois had men

toen met de drukte van het uitpakken en ordenen geen tijd gehad.

Toen Leo evenwel zijn einddiploma had gehaald en hij nu enkele dagen

vacantie zou nemen, drongen mevrouw Van Dintelburg en Henriëtte er op

aan, dat er ook eens een middag zou worden besteed om de Indische

verzameling nog eens terdege in oogenschouw te nemen.

Leo was hiertoe gaarne bereid, en op zekeren middag ging hij met de

beide dames naar boven. Hij had altijd de gewoonte, de deur van het

bedoelde vertrek te sluiten, daar toch niemand er iets te maken had en

hij er niet gaarne iets door nieuwsgierige dienstboden bedorven wilde

hebben. Ook nu stak hij dus den sleutel in het slot; maar het

bevreemdde hem eenigszins, te merken dat hij de vorige maal zeker

vergeten had, de deur te sluiten,—tenminste ze was open.

„Je moet met de vogels beginnen, Leo,” zei Henriëtte, „want die vind ik

het mooiste uit de geheele verzameling.”

„Ja,” sprak mevrouw, „die Paradijsvogels, daar kom je niet aan

uitgekeken.”

„Daar hebt u wel gelijk in, tante,” gaf Leo ten antwoord, „en wat pa op

dit gebied heeft verzameld, behoort dan ook tot het zeldzaamste, dat er

in Europa wordt aangetroffen.”

„En wat zonderlinge vormen, hè?” sprak mevrouw.

„Ja tante,” zei Leo; „en die welke u daar op het oog hebt, is ook

werkelijk een van de zonderlingste. Zooals u op het papiertje ziet:

zijn eigenlijke naam is „Lophornia atra”; in ’t Hollandsch wordt hij

wel aangeduid als de „Prachtige Paradijsvogel”. Nu, in de schaduw, is

zijn grondkleur zwart, maar let eens op, nu ik de jaloezieën ophaal.”

Mevrouw Van Dintelburg en Henriëtte konden een uitroep van bewondering

niet bedwingen, want plotseling glansde de nek van den vogel met een

schitterende bronskleur, terwijl zijn kop omgeven werd door een

metaalachtig lichtende tint van groen en blauw. Op de borst van het

dier prijkte een stevig veeren schild, dat als met fijn glanzend blauw

satijn overtrokken scheen te wezen. Een ander schild, evenals het

eerste in den vorm van een aan de basis uitgeschulpten driehoek, maar

van aanzienlijk grooter afmetingen dan dit eerste, dekte zijn rug met

prachtige tinten van fluweelig zwart, goudbrons en hel-purper.

„Deze hier,” ging Leo voort, „is een van de weinige ongeschonden

exemplaren van den „Zes-penningsvogel”. De naam heeft geen betrekking

op de waarde, maar op het versiersel, dat het dier, zooals u ziet, op

het hoofd draagt. Aan elke zijde van het achterhoofd ontspringen drie

dunne schachtjes, die elk een prachtig, penningvormig vlaggetje

dragen.”

„Men zou uit de verte zeggen, dat het de zes meeldraden van een bloem

zijn,” merkte Henriëtte op.

„Ja,” zei Leo; „de kleuren van dit dier zijn zóó schitterend, dat men

nauwelijks kan gelooven, dat het een dier is. ’t Lijkt wel of het uit

louter edelgesteenten gesneden is. Op het achterhoofd prijkt een wrong

van topaas en smaragd, en de groene en blauwe veeren op de borst

krijgen, als ik dit gordijn wat laat zakken, den glans van fonkelend

fijn goud.”

„Is het waar, Leo,” vroeg Henriëtte, „dat de Paradijsvogels alleen op

Nieuw-Guinea worden aangetroffen?”

„Deze exemplaren zijn van Nieuw-Guinea,” was het antwoord, „maar men

vindt er ook op Halmaheira, de Papoeasche eilanden en de Molukken.”

De verschillende soorten van opgezette buideldieren werden door de

dames met groote belangstelling bezichtigd, evenals de prachtige

verzameling van vlinders en zeldzame torren. Nog meer echter

interesseerden haar de voorwerpen voor huiselijk gebruik en een

miniatuur-huisje met volledig ameublement, dat nog door Bamboe’s

kunstvaardige hand uit hout gesneden was. Van de kleedingstukken was

bijna alles vertegenwoordigd, van den moeizaam, maar kunstvol

gebatikten sarong* af, tot het eenvoudige kleed toe, dat de Papoea

klopt uit boomschors. Een somber gezicht leverde de verzameling van

wapenen op: de prachtige, met goud bewerkte, slangvormige kris van

Java, de vreeselijk scherpe klewang* van den Atsjinees, en de lans en

de blaaspijp met vergiftige pijlen, van den Papoea.

„Wat zijn de gevesten van die wapenen toch prachtig bewerkt,” liet

mevrouw Van Dintelburg zich hooren.

„Ja, tante,” antwoordde Leo, „en als men de eenvoudige werktuigen

gadeslaat, waarvan de inlander zich bedient, dan moet men erkennen, dat

hij het in de kunst van smeden ver gebracht heeft. Ik zal u meteen een

paar prachtige armbanden laten zien, die nog aan mama hebben

toebehoord. Ze zijn met diamantjes ingelegd en op Borneo vervaardigd.

„Maar wat is dat?” riep hij, opeens een etui openende, „ze zijn wèg!”

„Wat? Wàt is weg?” vroeg mevrouw haastig.

„De armbanden, tante; ze zijn weg; kijk maar!” zei Leo en toonde haar

het ledige etui.

„Zijn ze hier weggeraakt?” vroeg mevrouw.

„Ja, tante,” zei Leo, terwijl hij moeite had zijn tranen in te houden.

„Veertien dagen geleden waren ze er nog, en nu vind ik de deur geopend

en de armbanden weg.”

„Dat is schande!” riep mevrouw uit. „Niemand kan dat hebben gedaan dan

een van de dienstboden. Ik zal Jan onmiddellijk gaan zeggen, dat hij de

politie waarschuwt.”

„Daar zou ik niet zoo haastig mee zijn, Mama,” viel Henriëtte in; „Leo

kan eerst nog wel eens gaan zoeken. ’t Is altijd mogelijk, dat er een

vergissing heeft plaatsgehad, en ’t is evenzoo mogelijk, dat een ander

dan een van de dienstboden de schuld er van heeft,—stel dat er van

schuld sprake is.”

Leo ging naar zijn kamer, diep bedroefd, niet bepaald om de

geldswaarde, die hij verloren had, dan wel omdat het een aandenken van

zijn moeder was, dat men hem ontnomen had.

„Dag Leo, dag baas! Ben je boos?” riep Jok, toen hij de kamer

binnentrad.

Leo had namelijk de beide vogels, wegens hun voortdurende vijandige

houding jegens Rudolf, bij zich op de kamer genomen.

„Nee Jokje,” zei Leo, zonder naar de dieren om te zien, „boos ben ik

niet. Ik ben bedroefd.”

„Arm Plokje, arm Plokje,” ging de papegaai op meewarigen toon voort,

„Plokje is ziek, Plokje is ziek.”

Thans ging Leo op de kooi toe, die in een hoek van de kamer stond.

Plokje lag op den rug, met gesloten oogen en de pooten omhoog. Plokje

was erger dan ziek: Plokje was dood!

Waar was dàt aan te wijten? Vanmorgen scheelde den vogel nog niets, en

nu zoo maar ineens dood? Had Leo soms vergeten den dieren voedsel te

geven? Neen, het bakje was nog bijna vol. Drinken dan? Ook niet! Met

betraande oogen haalde Leo het arme Plokje uit de kooi. Daar viel op

eens zijn blik op enkele korrels, die op den bodem van het drinkbakje

lagen. Het waren luciferskoppen.

Thans begreep Leo wat er gebeurd moest zijn. Niemand anders kon dit

hebben gedaan dan Dolf!

Hij werd bij deze ontdekking doodsbleek, balde zijn vuisten, sloeg ze

in woede op de tafel, en riep met luide stem: „Die gemeene schoft!”

„Leo, wat is er gaande?” vroeg Henriëtte, die nog even op haar pa’s

studeerkamer was gebleven, om een boek te halen, en nu op dezen kreet

van woede ijlings kwam toesnellen.

„Plok is dood! hij is vergiftigd!” zei Leo, op somberen toon door zijn

tanden sissend.

„Vergiftigd?” vroeg Henriëtte verbaasd.

„Ja, kijk maar,” zei Leo en hield haar het bakje met luciferskoppen

voor.

Hij beefde over zijn geheele lichaam.

„Zeg aan je broer, dat hij mij vandaag niet onder de oogen komt,”

vervolgde hij met een stem, die heesch was van toorn, „want als ik hem

zie, dan trap ik hem in mekaar!”

Henriëtte werd doodsbleek.

„Leo, Leo!” stamelde zij met betraande oogen.

„Ja,” barstte hij uit, „denk je, dat ik mij àlles maar van hem zal

laten welgevallen? Hij heeft me gesard en getergd van dat wij beiden

nog jongens waren tot nu toe. Er is al deze jaren geen dag

voorbijgegaan, of ik heb allerlei hatelijkheden en schimpscheuten van

hem moeten verduren; en nu hij zijn duivelachtige vijandschap niet

genoeg op mij kan botvieren, nu doet hij het op die arme dieren.—En wie

denk je, dat mijn moeders armbanden gestolen heeft?”

„Ik denk Rudolf,” gaf Henriëtte met zachte, bedroefde stem ten

antwoord.

Met oogen brandende van toorn staarde Leo recht voor zich uit.

„Leo,” zei Henriëtte, terwijl zij op hem toetrad en hem vriendelijk de

hand op den schouder lei, „heb ik je laatst, in het priëel in de

Bijbelclub, niet hooren beweren, dat de vergevensgezindheid de meest

kenmerkende eigenschap van het Christendom is?”

„Ik kàn niet, Henriëtte, ik kàn niet!” snikte Leo, „ik heb hem lang en

vaak vergeven; maar nu is het te veel!”

En met de handen voor het gelaat viel hij neer op een stoel, en boog

zich weenend met het hoofd voorover op de tafel.

„Ga wat rondloopen, Leo,” zei Henriëtte, „dan zul je wat tot kalmte

komen.”

Leo stond op en ging met den dooden papegaai in de handen naar beneden.

„Gaat Plokje weg?” riep Jok. „Plokje is dood. Bamboe is dood en Plokje

is dood!”

„Ja, arm dier,” zei Leo, „als je nu zelf van verdriet óók maar niet

sterft.”

„Wat is dat?” vroeg mevrouw Van Dintelburg, toen hij beneden kwam. „Wat

scheelt den papegaai?”

„Hem scheelt niets meer, tante,” zei Leo somber; „hij is dood.”

„Wel jongen,” zei mevrouw, „dat is twee ongelukken bij mekaar. ’t Zal

me benieuwen, wat nu het derde zal wezen.”

„Daar kom ik de tijding van brengen,” zei de heer Van Dintelburg,

binnentredende. „Op het hoofdkantoor is een diefstal gepleegd van

verscheidene honderden guldens. Maar de dader is ontdekt: de

hoofdadministrateur. Ik heb hem natuurlijk op staanden voet ontslagen

en de zaak bij de politie aangegeven.”

„Wat!—meneer Korvers?” riep mevrouw, „hoe is het mogelijk! Zoo’n nette,

fatsoenlijke man!”

„Ja, je ziet het, vrouw,” gaf meneer Van Dintelburg ten antwoord, „je

wordt nergens meer mee bedrogen dan met menschen! Maar de feiten wijzen

het uit. Schoon hij ’t ook ontkent,—hij en niemand anders is de dader.”

„Maar hoe heeft zich dat toch toegedragen, Pa?” vroeg Henriëtte.

„Dat zal ik je zeggen,” antwoordde haar vader.

„Vanmorgen ontving ik van Dalfhuizen en Co., de kassiers, het bedrag

van een wissel, groot twaalfhonderd gulden, in briefjes van honderd. Ik

ben juist bezig de nommers te boeken, toen er een telegram komt, waarop

ik onmiddellijk moet antwoorden. Ik moet voor dit antwoord een en ander

nazien aan de Leyefabriek, en leg zoolang de papiertjes tusschen mijn

boek. Even over half twaalf kom ik terug en het kantoor is gesloten. Ik

kom binnen en het geld is weg. Onmiddellijk alles nagezocht. De

hoofdadministrateur was het laatst op het kantoor geweest, en kijk!

tusschen zijn lessenaar en den muur vind ik twee van de briefjes terug.

De man zit nu in hechtenis.”

Mevrouw Van Dintelburg schudde op deze mededeeling zwijgend het hoofd,

en ook Henriëtte voelde weinig lust tot spreken.

Leo deelde mee, dat hij dezen middag bij Frits Wildering bleef eten.

Het was hem onmogelijk, Rudolf vooreerst van goeder harte aan te

kijken.

„Leo,” fluisterde Henriëtte, toen hij in de gang klaar stond om uit te

gaan, „is er geen middel om die armbanden zonder veel drukte terug te

krijgen? Als je ze eens heimelijk liet terugkoopen?”

„Ik weet niet, of ik wel zooveel contanten heb, nicht!” zei hij.

„Nu,” was het antwoord, „ik heb nog wel wat; laten we het dan samen

doen.”

„Neen, dan leen ik dat geld van je,” zei Leo.

Beiden ledigden hun spaarpot en vormden zoo een som gelds, die naar hun

gedachten wel voldoende zou zijn.

’s Avonds bevond zich die som in handen van Dirk Drijver, die er zich

mee naar Knijp, den uitdrager, spoedde, want zonder hem mee te deelen,

wie naar zijn vermoeden den diefstal gepleegd had, had Leo hem gezegd,

dat het verlorene dáár wel te vinden zou zijn.

Den volgenden morgen vond Rudolf op zijn waschtafeltje een

vogeldrinkbakje met enkele doorweekte luciferskoppen, dat door de zorg

van Henriëtte daar, bij wijze van herinnering, neergezet was, en aan de

ontbijttafel werd een pakje gebracht: „voor den heer Leo van

Dintelburg”. Toen Leo het in tegenwoordigheid van de huisgenooten

openmaakte, kwamen daaruit een paar prachtige gouden armbanden te

voorschijn.

Rudolf bloosde, en boog zich over zijn bord. Dien morgen werd er over

deze quaestie verder geen woord gesproken, en ’s middags óók niet, want

toen was er weer iets anders en heel iets ergers met Rudolf gaande, en

niet alleen met hem, maar met de heele familie. Doch dat bewaren we tot

het volgende hoofdstuk.

Blank en Bruin · 第 22 / 35 题