WAARIN HET OUDE SPREEKWOORD BEVESTIGD WORDT, DAT EEN ONGELUK NOOIT
ALLEEN KOMT.
Bij Leo’s komst was natuurlijk het kleine museum door zijn nieuwe
huisgenooten met de noodige nieuwsgierigheid bekeken, maar zooals het
gewoonlijk gaat bij een eerste bezoek aan dergelijke verzamelingen:
alles had men overzien, maar niets in den grond bezien. Oom had het
meeste oog gehad voor de voorwerpen van plastische* kunst; Dolf voor de
wapenen en goudsmids-werken; Henriëtte voor de Indische gewaden en de
vogels, maar voor een uitvoerige verklaring van al dat moois had men
toen met de drukte van het uitpakken en ordenen geen tijd gehad.
Toen Leo evenwel zijn einddiploma had gehaald en hij nu enkele dagen
vacantie zou nemen, drongen mevrouw Van Dintelburg en Henriëtte er op
aan, dat er ook eens een middag zou worden besteed om de Indische
verzameling nog eens terdege in oogenschouw te nemen.
Leo was hiertoe gaarne bereid, en op zekeren middag ging hij met de
beide dames naar boven. Hij had altijd de gewoonte, de deur van het
bedoelde vertrek te sluiten, daar toch niemand er iets te maken had en
hij er niet gaarne iets door nieuwsgierige dienstboden bedorven wilde
hebben. Ook nu stak hij dus den sleutel in het slot; maar het
bevreemdde hem eenigszins, te merken dat hij de vorige maal zeker
vergeten had, de deur te sluiten,—tenminste ze was open.
„Je moet met de vogels beginnen, Leo,” zei Henriëtte, „want die vind ik
het mooiste uit de geheele verzameling.”
„Ja,” sprak mevrouw, „die Paradijsvogels, daar kom je niet aan
uitgekeken.”
„Daar hebt u wel gelijk in, tante,” gaf Leo ten antwoord, „en wat pa op
dit gebied heeft verzameld, behoort dan ook tot het zeldzaamste, dat er
in Europa wordt aangetroffen.”
„En wat zonderlinge vormen, hè?” sprak mevrouw.
„Ja tante,” zei Leo; „en die welke u daar op het oog hebt, is ook
werkelijk een van de zonderlingste. Zooals u op het papiertje ziet:
zijn eigenlijke naam is „Lophornia atra”; in ’t Hollandsch wordt hij
wel aangeduid als de „Prachtige Paradijsvogel”. Nu, in de schaduw, is
zijn grondkleur zwart, maar let eens op, nu ik de jaloezieën ophaal.”
Mevrouw Van Dintelburg en Henriëtte konden een uitroep van bewondering
niet bedwingen, want plotseling glansde de nek van den vogel met een
schitterende bronskleur, terwijl zijn kop omgeven werd door een
metaalachtig lichtende tint van groen en blauw. Op de borst van het
dier prijkte een stevig veeren schild, dat als met fijn glanzend blauw
satijn overtrokken scheen te wezen. Een ander schild, evenals het
eerste in den vorm van een aan de basis uitgeschulpten driehoek, maar
van aanzienlijk grooter afmetingen dan dit eerste, dekte zijn rug met
prachtige tinten van fluweelig zwart, goudbrons en hel-purper.
„Deze hier,” ging Leo voort, „is een van de weinige ongeschonden
exemplaren van den „Zes-penningsvogel”. De naam heeft geen betrekking
op de waarde, maar op het versiersel, dat het dier, zooals u ziet, op
het hoofd draagt. Aan elke zijde van het achterhoofd ontspringen drie
dunne schachtjes, die elk een prachtig, penningvormig vlaggetje
dragen.”
„Men zou uit de verte zeggen, dat het de zes meeldraden van een bloem
zijn,” merkte Henriëtte op.
„Ja,” zei Leo; „de kleuren van dit dier zijn zóó schitterend, dat men
nauwelijks kan gelooven, dat het een dier is. ’t Lijkt wel of het uit
louter edelgesteenten gesneden is. Op het achterhoofd prijkt een wrong
van topaas en smaragd, en de groene en blauwe veeren op de borst
krijgen, als ik dit gordijn wat laat zakken, den glans van fonkelend
fijn goud.”
„Is het waar, Leo,” vroeg Henriëtte, „dat de Paradijsvogels alleen op
Nieuw-Guinea worden aangetroffen?”
„Deze exemplaren zijn van Nieuw-Guinea,” was het antwoord, „maar men
vindt er ook op Halmaheira, de Papoeasche eilanden en de Molukken.”
De verschillende soorten van opgezette buideldieren werden door de
dames met groote belangstelling bezichtigd, evenals de prachtige
verzameling van vlinders en zeldzame torren. Nog meer echter
interesseerden haar de voorwerpen voor huiselijk gebruik en een
miniatuur-huisje met volledig ameublement, dat nog door Bamboe’s
kunstvaardige hand uit hout gesneden was. Van de kleedingstukken was
bijna alles vertegenwoordigd, van den moeizaam, maar kunstvol
gebatikten sarong* af, tot het eenvoudige kleed toe, dat de Papoea
klopt uit boomschors. Een somber gezicht leverde de verzameling van
wapenen op: de prachtige, met goud bewerkte, slangvormige kris van
Java, de vreeselijk scherpe klewang* van den Atsjinees, en de lans en
de blaaspijp met vergiftige pijlen, van den Papoea.
„Wat zijn de gevesten van die wapenen toch prachtig bewerkt,” liet
mevrouw Van Dintelburg zich hooren.
„Ja, tante,” antwoordde Leo, „en als men de eenvoudige werktuigen
gadeslaat, waarvan de inlander zich bedient, dan moet men erkennen, dat
hij het in de kunst van smeden ver gebracht heeft. Ik zal u meteen een
paar prachtige armbanden laten zien, die nog aan mama hebben
toebehoord. Ze zijn met diamantjes ingelegd en op Borneo vervaardigd.
„Maar wat is dat?” riep hij, opeens een etui openende, „ze zijn wèg!”
„Wat? Wàt is weg?” vroeg mevrouw haastig.
„De armbanden, tante; ze zijn weg; kijk maar!” zei Leo en toonde haar
het ledige etui.
„Zijn ze hier weggeraakt?” vroeg mevrouw.
„Ja, tante,” zei Leo, terwijl hij moeite had zijn tranen in te houden.
„Veertien dagen geleden waren ze er nog, en nu vind ik de deur geopend
en de armbanden weg.”
„Dat is schande!” riep mevrouw uit. „Niemand kan dat hebben gedaan dan
een van de dienstboden. Ik zal Jan onmiddellijk gaan zeggen, dat hij de
politie waarschuwt.”
„Daar zou ik niet zoo haastig mee zijn, Mama,” viel Henriëtte in; „Leo
kan eerst nog wel eens gaan zoeken. ’t Is altijd mogelijk, dat er een
vergissing heeft plaatsgehad, en ’t is evenzoo mogelijk, dat een ander
dan een van de dienstboden de schuld er van heeft,—stel dat er van
schuld sprake is.”
Leo ging naar zijn kamer, diep bedroefd, niet bepaald om de
geldswaarde, die hij verloren had, dan wel omdat het een aandenken van
zijn moeder was, dat men hem ontnomen had.
„Dag Leo, dag baas! Ben je boos?” riep Jok, toen hij de kamer
binnentrad.
Leo had namelijk de beide vogels, wegens hun voortdurende vijandige
houding jegens Rudolf, bij zich op de kamer genomen.
„Nee Jokje,” zei Leo, zonder naar de dieren om te zien, „boos ben ik
niet. Ik ben bedroefd.”
„Arm Plokje, arm Plokje,” ging de papegaai op meewarigen toon voort,
„Plokje is ziek, Plokje is ziek.”
Thans ging Leo op de kooi toe, die in een hoek van de kamer stond.
Plokje lag op den rug, met gesloten oogen en de pooten omhoog. Plokje
was erger dan ziek: Plokje was dood!
Waar was dàt aan te wijten? Vanmorgen scheelde den vogel nog niets, en
nu zoo maar ineens dood? Had Leo soms vergeten den dieren voedsel te
geven? Neen, het bakje was nog bijna vol. Drinken dan? Ook niet! Met
betraande oogen haalde Leo het arme Plokje uit de kooi. Daar viel op
eens zijn blik op enkele korrels, die op den bodem van het drinkbakje
lagen. Het waren luciferskoppen.
Thans begreep Leo wat er gebeurd moest zijn. Niemand anders kon dit
hebben gedaan dan Dolf!
Hij werd bij deze ontdekking doodsbleek, balde zijn vuisten, sloeg ze
in woede op de tafel, en riep met luide stem: „Die gemeene schoft!”
„Leo, wat is er gaande?” vroeg Henriëtte, die nog even op haar pa’s
studeerkamer was gebleven, om een boek te halen, en nu op dezen kreet
van woede ijlings kwam toesnellen.
„Plok is dood! hij is vergiftigd!” zei Leo, op somberen toon door zijn
tanden sissend.
„Vergiftigd?” vroeg Henriëtte verbaasd.
„Ja, kijk maar,” zei Leo en hield haar het bakje met luciferskoppen
voor.
Hij beefde over zijn geheele lichaam.
„Zeg aan je broer, dat hij mij vandaag niet onder de oogen komt,”
vervolgde hij met een stem, die heesch was van toorn, „want als ik hem
zie, dan trap ik hem in mekaar!”
Henriëtte werd doodsbleek.
„Leo, Leo!” stamelde zij met betraande oogen.
„Ja,” barstte hij uit, „denk je, dat ik mij àlles maar van hem zal
laten welgevallen? Hij heeft me gesard en getergd van dat wij beiden
nog jongens waren tot nu toe. Er is al deze jaren geen dag
voorbijgegaan, of ik heb allerlei hatelijkheden en schimpscheuten van
hem moeten verduren; en nu hij zijn duivelachtige vijandschap niet
genoeg op mij kan botvieren, nu doet hij het op die arme dieren.—En wie
denk je, dat mijn moeders armbanden gestolen heeft?”
„Ik denk Rudolf,” gaf Henriëtte met zachte, bedroefde stem ten
antwoord.
Met oogen brandende van toorn staarde Leo recht voor zich uit.
„Leo,” zei Henriëtte, terwijl zij op hem toetrad en hem vriendelijk de
hand op den schouder lei, „heb ik je laatst, in het priëel in de
Bijbelclub, niet hooren beweren, dat de vergevensgezindheid de meest
kenmerkende eigenschap van het Christendom is?”
„Ik kàn niet, Henriëtte, ik kàn niet!” snikte Leo, „ik heb hem lang en
vaak vergeven; maar nu is het te veel!”
En met de handen voor het gelaat viel hij neer op een stoel, en boog
zich weenend met het hoofd voorover op de tafel.
„Ga wat rondloopen, Leo,” zei Henriëtte, „dan zul je wat tot kalmte
komen.”
Leo stond op en ging met den dooden papegaai in de handen naar beneden.
„Gaat Plokje weg?” riep Jok. „Plokje is dood. Bamboe is dood en Plokje
is dood!”
„Ja, arm dier,” zei Leo, „als je nu zelf van verdriet óók maar niet
sterft.”
„Wat is dat?” vroeg mevrouw Van Dintelburg, toen hij beneden kwam. „Wat
scheelt den papegaai?”
„Hem scheelt niets meer, tante,” zei Leo somber; „hij is dood.”
„Wel jongen,” zei mevrouw, „dat is twee ongelukken bij mekaar. ’t Zal
me benieuwen, wat nu het derde zal wezen.”
„Daar kom ik de tijding van brengen,” zei de heer Van Dintelburg,
binnentredende. „Op het hoofdkantoor is een diefstal gepleegd van
verscheidene honderden guldens. Maar de dader is ontdekt: de
hoofdadministrateur. Ik heb hem natuurlijk op staanden voet ontslagen
en de zaak bij de politie aangegeven.”
„Wat!—meneer Korvers?” riep mevrouw, „hoe is het mogelijk! Zoo’n nette,
fatsoenlijke man!”
„Ja, je ziet het, vrouw,” gaf meneer Van Dintelburg ten antwoord, „je
wordt nergens meer mee bedrogen dan met menschen! Maar de feiten wijzen
het uit. Schoon hij ’t ook ontkent,—hij en niemand anders is de dader.”
„Maar hoe heeft zich dat toch toegedragen, Pa?” vroeg Henriëtte.
„Dat zal ik je zeggen,” antwoordde haar vader.
„Vanmorgen ontving ik van Dalfhuizen en Co., de kassiers, het bedrag
van een wissel, groot twaalfhonderd gulden, in briefjes van honderd. Ik
ben juist bezig de nommers te boeken, toen er een telegram komt, waarop
ik onmiddellijk moet antwoorden. Ik moet voor dit antwoord een en ander
nazien aan de Leyefabriek, en leg zoolang de papiertjes tusschen mijn
boek. Even over half twaalf kom ik terug en het kantoor is gesloten. Ik
kom binnen en het geld is weg. Onmiddellijk alles nagezocht. De
hoofdadministrateur was het laatst op het kantoor geweest, en kijk!
tusschen zijn lessenaar en den muur vind ik twee van de briefjes terug.
De man zit nu in hechtenis.”
Mevrouw Van Dintelburg schudde op deze mededeeling zwijgend het hoofd,
en ook Henriëtte voelde weinig lust tot spreken.
Leo deelde mee, dat hij dezen middag bij Frits Wildering bleef eten.
Het was hem onmogelijk, Rudolf vooreerst van goeder harte aan te
kijken.
„Leo,” fluisterde Henriëtte, toen hij in de gang klaar stond om uit te
gaan, „is er geen middel om die armbanden zonder veel drukte terug te
krijgen? Als je ze eens heimelijk liet terugkoopen?”
„Ik weet niet, of ik wel zooveel contanten heb, nicht!” zei hij.
„Nu,” was het antwoord, „ik heb nog wel wat; laten we het dan samen
doen.”
„Neen, dan leen ik dat geld van je,” zei Leo.
Beiden ledigden hun spaarpot en vormden zoo een som gelds, die naar hun
gedachten wel voldoende zou zijn.
’s Avonds bevond zich die som in handen van Dirk Drijver, die er zich
mee naar Knijp, den uitdrager, spoedde, want zonder hem mee te deelen,
wie naar zijn vermoeden den diefstal gepleegd had, had Leo hem gezegd,
dat het verlorene dáár wel te vinden zou zijn.
Den volgenden morgen vond Rudolf op zijn waschtafeltje een
vogeldrinkbakje met enkele doorweekte luciferskoppen, dat door de zorg
van Henriëtte daar, bij wijze van herinnering, neergezet was, en aan de
ontbijttafel werd een pakje gebracht: „voor den heer Leo van
Dintelburg”. Toen Leo het in tegenwoordigheid van de huisgenooten
openmaakte, kwamen daaruit een paar prachtige gouden armbanden te
voorschijn.
Rudolf bloosde, en boog zich over zijn bord. Dien morgen werd er over
deze quaestie verder geen woord gesproken, en ’s middags óók niet, want
toen was er weer iets anders en heel iets ergers met Rudolf gaande, en
niet alleen met hem, maar met de heele familie. Doch dat bewaren we tot
het volgende hoofdstuk.