Wel terecht had Naatje gezegd, dat er aan Bamboe verloren zou worden.
De armen, die hij had geholpen, de kinderen, die hij had onderwezen, de
fabrieksbevolking, aan wie hij op zijn eenvoudige manier het Evangelie
had verkondigd, die allen beseften pas, hoeveel zij aan dezen
eenvoudigen bruinen man misten, toen zij met elkander eerbiedig zijn
stof naar de laatste rustplaats brachten.
Maar bovenal gevoelde Leo zijn gemis. O, welk een droevige tocht was
het voor hem, toen hij verhuizen ging uit de eenvoudige woning aan het
Wed naar den prachtigen Dintelburg.
Alles nam hij mee. Voor het museum werd een kamer op de bovenverdieping
afzonderlijk ingericht. Leo kreeg zelf twee kamers vlak naast die van
Dolf. De aap, de papegaaien, alles ging mee, behalve die ééne, wien Leo
het minste bij dit alles had willen missen: Bamboe!
In het prachtige huis waren al die menschen veel beschaafder en veel
ontwikkelder dan hij was geweest, maar zij misten toch iets, dat hij
had bezeten: zijn vroom hart en zijn hemelsche levenswijsheid, waarmee
hij Leo tot op dat oogenblik had geleid.
Behalve van Dolf, ondervond Leo van al zijn nieuwe huisgenooten veel
bewijzen van toegenegenheid. Maar van weerskanten bestond er toch een
besef, dat er een verschil bestond tusschen hen, en dat verschil werd
van dag tot dag duidelijker. Het was het oude onderscheid, dat er
bestaan had tusschen Leo’s vader en oom Louis; men leefde in één huis,
maar men leefde niet met hetzelfde doel. In den huize Dintelburg
stonden het verdienen van geld, het najagen van wereldsch genot en het
tentoonspreiden van weelde bij alle gedachten en gesprekken op den
voorgrond; en al was Leo nog jong,—dank zij zijn opvoeding en zijn
omgang met Bamboe zag hij toch zeer goed in, dat zulk een leven,
welbeschouwd, toch niet de moeite waard was om geleefd te worden.
Met lust en kracht zette hij na Bamboe’s dood diens werk aan de
Zondagsschool voort, en hij kwam er ook toe om, naast de Bijbelclub,
een knapenvereeniging onder de fabrieksjeugd op te richten, waarbij
Frits Wildering en Dirk Drijver hem de behulpzame hand boden. Bij zijn
bezoeken aan de ouders van zijn jongens raakte hij langzamerhand ook op
de hoogte van vele zaken, die het innerlijke leven van de fabrieken
betroffen, en meer en meer ontdekte hij, hoe de zucht van oom Louis, om
veel geld te verdienen en diens onverbiddelijke gestrengheid den
minderen man vaak deden gebukt gaan onder een zwaar kruis. De arbeiders
vertrouwden Leo, en daar zij meenden, dat hij wellicht op zijn oom
eenigen invloed zou kunnen uitoefenen, maakten zij hem dikwijls tot
vertrouweling van hun klachten. Met bescheidenheid trachtte hij dan
zijn oom te bewegen, dezen of dien misstand weg te nemen, of de een of
andere onrechtvaardigheid te herstellen. Trouwen steun vond hij voor
deze pogingen altijd bij Henriëtte.
Zoo had het bijvoorbeeld Leo bij zijn bezoeken aan de woningen der
arbeiders getroffen, te vernemen dat de werklieden in tijden van ziekte
geheel en al aan hun lot werden overgelaten. Als er een halven dag
gewerkt werd, kregen ze ook maar het halve dagloon uitbetaald en
moesten zij voor het overige gebrek lijden tot ze weer hersteld waren.
Leo sprak daar eens over met Henriëtte, en, schoon oom Louis duchtig
tegenspartelde, Henriëtte wist te bewerken, dat aan het vaste werkvolk
voortaan een deel van het loon óók in dagen van ziekte werd uitbetaald,
en dat er een ziekenfonds werd opgericht.
Zij was ook de eenige, die waardeering had voor Leo’s arbeid aan de
Zondagsschool en de knapenvereeniging, en toen de vergadering van de
Bijbelclub eens om de warmte in een der priëelen van den tuin werd
gehouden, werd zij door nieuwsgierigheid gedreven om daar kort bij, met
een handwerkje bij zich, plaats te nemen op een der banken, zoodanig,
dat zij zelf niet gezien kon worden, maar alles wat er gesproken werd,
toch duidelijk kon hooren.
„Wat is dat toch voor een boek, die Bijbel, Leo?” vroeg zij een paar
dagen later.
„Wil je er wat uit lezen?” vroeg hij, en op haar toestemmend antwoord
gaf hij haar een zak-evangelie van Lukas. Eenige weken later werd er
met verbazing verteld, dat freule Van Dintelburg in het lokaal tot
Evangelisatie onder de fabrieksarbeiders een Bijbellezing had
bijgewoond, en voortaan kwam zij daar trouw elke week.
Herhaaldelijk wendde Leo pogingen aan om ook met Rudolf op wat beteren
voet te komen, maar deze scheen den jarenlangen weerzin maar niet te
kunnen overwinnen. Hun omgang bleef zich beperken tot de dagelijksche
ontmoetingen aan tafel. Het scheen alsof de vijandige verhouding
tusschen Dolf en Leo zich zelfs tot de dieren uitstrekte; Kees, de aap,
tenminste verloor, wanneer hij Dolf zag naderen, al zijn dartelheid en
trok zich, tot een bal samengekromd, in den versten hoek van het
vertrek terug, en Jok en Plok, die in korten tijd „Dag, Oom,”
„Goedenmorgen, Tante,” en „Dag, Henriëtte” hadden leeren zeggen, waren
maar niet te bewegen, de eenvoudige woorden „Dag, Dolf” uit te spreken,
hoeveel moeite Leo ook aanwendde om het hun te leeren; ze hieven
integendeel, zoodra Rudolf binnenkwam, een allervervaarlijkst gekrijsch
tegen hem aan, en Rudolf mocht dientengevolge de dieren luchten noch
zien. Indien de papegaaien met verstand begaafd waren geweest, dan had
men evenwel hun gedrag jegens Rudolf alleszins moeten billijken, want
Rudolf gaf gaandeweg meer reden tot ontevredenheid. Ofschoon hij
begaafd was met een helder hoofd, was hij slechts met zeer veel moeite
en op het nippertje af in de hoogste klasse der Hoogere Burgerschool
gekomen; en daar hij na het laatste examen volstrekt niet meer
gestudeerd had, was zijn vader wel genoodzaakt hem van school te nemen,
daar het te voorzien was dat hij het eind-diploma toch nooit zou halen.
Hij werd nu opgeleid in de zaak. Spoedig had hij zich onder de leiding
van zijn vader in dezen nieuwen werkkring ingeleefd, maar de
fabrieksbevolking was met het optreden van dezen jongen patroon
allesbehalve ingenomen. Dolf was voor zijn ondergeschikten nog strenger
dan zijn vader, en de willekeur, waarmee hij hen behandelde, kende
haast geen grenzen. Telkens en telkens weer werden de arbeiders en
arbeidsters door hem verplaatst, en stonden dan aan getouwen, waar zij
volstrekt niet mee overweg konden; en daar er telkens weer nieuw
personeel optrad, had men voortdurend te klagen over onbruikbare
helpers en helpsters. De ontevredenheid was algemeen, en alleen de
omstandigheid dat de werklieden van andere fabrieken niet mee zouden
willen doen, verhinderde dat in Weverstede een algemeene werkstaking
werd afgekondigd.
’s Avonds was Dolf altijd uit. Waar hij was en wat hij dan deed, was
voor niemand verborgen, behalve voor zijn eigen ouders.
Maar reeds van wat hij bij dag uitvoerde, wisten zij genoeg, om zijn
toekomst met bezorgdheid gade te slaan. Sport en jacht en paardrijden
waren zijn liefhebberijen, waarvoor hij altijd weer opnieuw geld te
kort kwam; en er was van geen woest vermaak of buitensporige
weddenschap sprake, of zijn naam werd er bij genoemd.