BAMBOE SPREEKT VAN EEN VERBRANDE PADI-SCHUUR, EN ONDERVINDT DAT EEN
CHRISTEN EEN ZACHT STERFBED HEEFT.
Het was een droevige verjaardag voor Leo, de droevigste uit heel zijn
leven.
Bamboe lag in zijn slaapkamer op de baleh-baleh. Naatje, de oude
dienstbode, dribbelde op haar teenen de keuken rond, met haar schort
voor de oogen. Zij huilde. Want de dokter had gezegd, dat Bamboe den
nacht wel niet zou halen.
Leo en Dirk Drijver zaten bij Bamboe’s sterfbed. Dirk, die veel aanleg
getoond had voor het teekenen, was door een familie-lid op de
ambachtsschool gedaan en werd nu opgeleid voor textiel-teekenaar. Hij
was, evenals Leo, helper aan de Zondagsschool, en gelukkig ging hij
daar thans wat verstandiger mee te werk dan vroeger.
Bamboe lag naar buiten te kijken, naar de triestige lucht, die zich,
als een wade van grijzen rouw, den ganschen dag over de stad bleef
uitbreiden. Zijn ademhaling was kort en zwaar. Van tijd tot tijd kreeg
hij hevige benauwdheden, en lag hij om het half uur enkele minuten
buiten kennis. Maar als hij weer tot het bewustzijn terugkeerde,
ontsnapte geen enkele klacht zijn mond. Dan lag hij daar, vriendelijk
en vredig, met een glimlach om de lippen.
„O, Bamboe!” zei Leo, die snikkend bij zijn leger knielde, „dat ik nu
de oorzaak moest worden van je dood!”
„Neen, neen, Leo,” fluisterde Bamboe, „dat mag je niet zeggen. Ik ben
wel erg geschrokken gister—dat is waar, maar ik heb vroeger al meer
bloed opgegeven. Sinds dat koude bad ben ik nooit meer goed geweest. Ik
had zelfs niet gedacht, je verjaardag nog te beleven.”
„Leo,” vervolgde hij na een tusschenpoos, „je bent nu zeventien jaar.
Je bent nu geen kind meer,—je bent jongeling....
„Mijn taak is nu afgedaan.... Maar blijf in ’t geen je van je vader en
mij geleerd hebt.... Waarmede zal de jongeling zijn pad rein
houden?.... Als hij dat houdt naar Gods Woord!”
Een nieuwe benauwdheid belette hem voort te gaan.
Toen hij weer bij kennis kwam, gevoelde hij zich zóó wel, als hij in
lang niet geweest was. Hij richtte zich op en keek de kamer door.
Zijn oog viel op de papegaaien.
„Dag Bamboe, goeie baas!” riep Jok, en Plok riep het hem na.
„Je moet ze in de museumkamer brengen, Leo,” zei Bamboe. „Als ze mij
zien sterven, zullen ze wellicht zelf óók dood gaan, en in elk geval
zullen ze nooit meer een woord spreken. En dat zou toch heel
onplezierig voor je wezen.
„En wil jij zoo goed zijn, eens naar meneer Van Dintelburg te gaan,
Dirk? Zeg hem, dat ik ga sterven, en dat ik hem graag nog even wou
spreken.”
Dirk vertrok en Leo bracht de vogels weg.
„Bamboe ziek, Bamboe ziek!” zei Plok.
„Ja Plok,” zei Leo schreiend, „je goeie baas is ziek, jongen! Ach,
Bamboe gaat sterven, en ik zal alleen achterblijven.”
In den hoek van de museumkamer knielde hij neer, met het hoofd voorover
op het tijgervel; maar hij was zóó door zijn droefheid overmand, dat
hij niet wist wat te bidden.
„Je moet niet schreien, Leo,” zei Bamboe, toen hij weer binnenkwam, „en
ook niet bidden dat ik beter mag worden, want God heeft mij getoond,
dat ik sterven zal. Lees mij nog iets voor uit het goede Boek. Lees den
psalm van den Goeden Herder.”
En Leo las:
„De Heer is is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
„Hij doet mij neder liggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes
aan zeer stille wateren.
„Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid,
om Zijns Naams wil.
„Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad
vreezen, want Gij zijt met mij; uw stok en uw staf die vertroosten
mij.”
„Zóó is het,” zei Bamboe. „De Heer is mijn Herder, en daarom zal ik
geen kwaad vreezen, ook niet in het dal der schaduwe des doods. De
ondervinding leert mij, dat het zoo is.”
Onder dit gesprek trad de heer Van Dintelburg binnen en stak den zieke
de hand toe.
„Hoe gaat het?” vroeg hij op zachten, deelnemenden toon.
„Het gaat naar den hemel!” antwoordde Bamboe met een gelukkigen
glimlach.
„Maar vóór ik deze laatste reis doe, had ik u, als voogd van Leo, nog
wat te zeggen,” vervolgde hij.
De heer Van Dintelburg zette zich neer.
„U zult voortaan geheel alleen over hem toezicht moeten houden,” ging
Bamboe op voorzichtigen toon voort, terwijl hij na elke zinsnede weer
opnieuw adem moest scheppen.
„U weet, dat alles wat in dit huis is, aan hem behoort, maar wat in
deze kamer is, is het mijne.... Ook dit geld.” En meteen haalde hij een
zakje met geld onder zijn hoofdkussen vandaan.—„Ik heb dat bespaard van
mijn loon, dat ik in Indië en hier verdiend heb..... In het kasboek en
het huishoudboek, die daar in de la liggen, zult u alles verantwoord
vinden, wat op de geldzaken van mij en Leo betrekking heeft, tot op een
cent toe.
„Mijn familie-leden in Indië, zoo ik er nog heb, ken ik niet; en daarom
wenschte ik alles wat ik heb na te laten aan Naatje, onze oude meid.
Het is niet veel, maar toch misschien wel zooveel, dat zij er met haar
broeder een rustigen ouden dag van kan hebben.” De heer Van Dintelburg
beloofde zijn wensch te zullen nakomen.
„Gisteravond,” vervolgde Bamboe, „is Leo thuisgekomen in beschonken
toestand. Ik vertrouw wel, dat zoo iets niet meer bij hem zal
voorkomen, maar hij is zwak, en daarom zou ik u wel willen verzoeken,
zoolang hij bij u in huis zal zijn, hem nooit weer iets te geven,
waarvan hij dronken kan worden.”
„Bij mij in huis is hij niet dronken geworden,” zei de heer Van
Dintelburg, even kleurend.
„Dat weet ik, meneer, dat weet ik. Maar hoor eens naar wat ik u
vertellen zal.....
„In het Grobongansche* ligt een groot aleng-aleng-veld.... Eens reed
een toewan-controleur te paard door dat veld. Hij stak een sigaar aan,
en wierp achteloos den brandenden lucifer in het droge gras. De
aleng-aleng vatte vlam, de wind wakkerde het vuur aan, blies het naar
de dessa, en daardoor werd een groote padi-schuur aangestoken, die tot
den grond toe afbrandde.
Wie was nu de schuld van het afbranden der padi-schuur?”
„Natuurlijk degene, die den lucifer had weggeworpen,” sprak de heer Van
Dintelburg.
„Hij stak toch niet zelf de schuur aan; hij maakte geen groote vlam,
het was maar een lucifer, en hij wist niet eens goed waar hij dien
neerwierp,” zei Bamboe.
„Nee,” was het antwoord, „maar juist omdat hij dat niet wist, was de
controleur schuldig. Een verstandig man gooit nooit een brandenden
lucifer weg, of hij moet wel terdege weten, dat er geen brand kan
ontstaan.”
„Welnu,” zeide Bamboe, „gij zijt die man. Het eerste glas, dat u Leo
gaaft, was even onschuldig als het brandende lucifertje. Maar u wist
niet, of dat eerste glas in Leo’s hart wellicht ook een vlam van
hartstocht kon ontsteken, die hem eindelijk vernielen zou.
„O meneer,” ging hij voort, terwijl de geestdrift, waarmee hij sprak,
hem zijn lichaamszwakheid deed vergeten, „het Boek zegt: Ik zal een
vuur in Edom zenden, en dat zal zijne paleizen verteren. En de
ondervinding zegt mij, dat de drank dat vuur is. Ik heb gezien, dat de
inwoners van dit land gelijk zijn aan de droge halmen van het
aleng-aleng-veld. En de verwoestende gruwel, die daarover trekt, is de
drank! Daarom heerscht er in dit land ook armoede, alsof elk jaar te
treuren had over mislukking van den padi-oogst. Doch Jehovah geeft elk
jaar wel padi in overvloed, maar ’t is het stroomend vuur, dat halm na
halm verteert en de padi-schuren verwoest! Zullen wij dan, met deze
ondervinding voor oogen, doorgaan met brandende lucifers te werpen in
de jonge aleng-aleng?”
„Ik beloof u, Bamboe, dat Leo het bij mij nooit meer krijgen zal,”
sprak de heer Van Dintelburg getroffen.
De stervende keek hem aan met dankenden blik.
„En mijn laatste woord,” ging hij weer na een pauze voort, „geldt u
persoonlijk.
„U sprak me eens over twee wegen. U zei niet te weten, of uw eigen weg
wel de goede was. Welnu, de ondervinding leert mij, dat de beste weg,
waarlangs wij onze levensreis kunnen gaan, de weg met God is. Het goede
Boek zegt: De wereld gaat voorbij en al hare begeerlijkheid, maar die
den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. En mijn ondervinding
zegt, dat dit woord waarachtig is. Ik wilde daarom zoo graag, dat
mijnheer besluiten kon, dien anderen weg voortaan te betreden.”
De heer Van Dintelburg wist niet, wat te antwoorden en keek getroffen
voor zich. Hij dacht aan zijn zaken en aan wat het groote doel van zijn
leven was geweest. Hij was nu, wat hij altijd begeerd had te worden:
een schatrijk man, maar op dit oogenblik kwam wat hij vroeger als een
geluk had beschouwd, hem bijna als een ramp voor. Want hij wist, dat
hij, als hij zoo bleef als hij nu was, met al zijn schatten toch een
armer sterfbed zou hebben, dan deze eenvoudige Javaan.
Bamboe liet hem aan den loop zijner eigen gedachten over, en
stilzwijgend nam hij afscheid.
Toen de heer Van Dintelburg buiten kwam, keek hij op zijn horloge.
Het was half zeven en hij stond in twijfel, of hij nog even rond zou
loopen, om over wat hij bij Bamboe gehoord had, eens rustig na te
denken, òf dat hij maar terstond langs de fabrieken zou gaan, om zijn
gewone avond-inspectie te houden. Hij koos toen het laatste. Zaken
gingen vóór mijmeringen, vond hij. Maar toen hij zich van zijn zaken
gekweten had, vond hij voor mijmeringen geen tijd. De „zorgvuldigheden
des rijkdoms” hadden ook nu weer het goede zaad verstikt.
Na zijn vertrek zonk de zieke achterover in de kussens. Het gesprek had
hem te veel ingespannen. Hij begon te ijlen. Het was hem, of hij zich
weer in Indië bevond en op reis was met Leo’s vader. Dàn verbeeldde hij
zich op Bali te zijn, en een oogenblik later sprak hij weer over de
Minahassa. Leo merkte op, dat hij hierbij geen enkel Nederlandsch woord
gebruikte; de taal, die zijn moeder hem geleerd had, was ook de taal
van zijn sterfbed.
Toen zijn bewustzijn terugkeerde, riep hij Leo tot zich. Schreiend boog
deze zich over hem heen en greep zijn hand. Hij voelde dat die hand
reeds koud werd.
„Dag Leo,” fluisterde de kranke, „vaarwel...... tot weerziens!..... Dag
mijn jongen!..... De ondervinding leert mij..... dat het sterven....
met Jezus..... licht is!”
Toen richtte hij zich plotseling op. En terwijl zijn gelaat schitterde
van dien hemelschen glans, die door duizenden op het aangezicht van
stervende kinderen Gods is waargenomen, strekte hij zijn handen uit,
als om een paar menschen, die onzichtbaar bij zijn sterfbed aanwezig
waren, te begroeten, en zeide hij op blijden toon:
„Tabik, Toewan! tabik, Njonja! [17] Nù leert mij de ondervinding dat de
kleur....”
Maar wat de ondervinding hem nog in dit uiterste oogenblik leerde, kon
hij niet meer vertellen; zijn laatste woorden gingen over in een zucht,
die zoo zacht was als de ademhaling van een slapend kind. — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — „Och, och,” huilde
Naatje, haar zakdoek tegen de oogen drukkende, „hij is weg, hij is weg!
Och, jongeheer, ik heb bij een boel blanke menschen gediend, al zeg ik
het zelf, maar zóó’n goeje blanke als deze bruine er een was, heb ik
nog nooit ontmoet. Och, och, al was-ie dan bruin, d’r zal wat an gemist
worden,—ik en u en een boel andere menschen!”
En terwijl ze dit zeide, leekten uit haar oude oogen groote,
glinsterende tranen, die als paarlen van droefheid vielen op het witte
laken waarmee zij Bamboe’s lijk bedekte.