HOOFDSTUK XI.

BAMBOE SPREEKT VAN EEN VERBRANDE PADI-SCHUUR, EN ONDERVINDT DAT EEN

CHRISTEN EEN ZACHT STERFBED HEEFT.

Het was een droevige verjaardag voor Leo, de droevigste uit heel zijn

leven.

Bamboe lag in zijn slaapkamer op de baleh-baleh. Naatje, de oude

dienstbode, dribbelde op haar teenen de keuken rond, met haar schort

voor de oogen. Zij huilde. Want de dokter had gezegd, dat Bamboe den

nacht wel niet zou halen.

Leo en Dirk Drijver zaten bij Bamboe’s sterfbed. Dirk, die veel aanleg

getoond had voor het teekenen, was door een familie-lid op de

ambachtsschool gedaan en werd nu opgeleid voor textiel-teekenaar. Hij

was, evenals Leo, helper aan de Zondagsschool, en gelukkig ging hij

daar thans wat verstandiger mee te werk dan vroeger.

Bamboe lag naar buiten te kijken, naar de triestige lucht, die zich,

als een wade van grijzen rouw, den ganschen dag over de stad bleef

uitbreiden. Zijn ademhaling was kort en zwaar. Van tijd tot tijd kreeg

hij hevige benauwdheden, en lag hij om het half uur enkele minuten

buiten kennis. Maar als hij weer tot het bewustzijn terugkeerde,

ontsnapte geen enkele klacht zijn mond. Dan lag hij daar, vriendelijk

en vredig, met een glimlach om de lippen.

„O, Bamboe!” zei Leo, die snikkend bij zijn leger knielde, „dat ik nu

de oorzaak moest worden van je dood!”

„Neen, neen, Leo,” fluisterde Bamboe, „dat mag je niet zeggen. Ik ben

wel erg geschrokken gister—dat is waar, maar ik heb vroeger al meer

bloed opgegeven. Sinds dat koude bad ben ik nooit meer goed geweest. Ik

had zelfs niet gedacht, je verjaardag nog te beleven.”

„Leo,” vervolgde hij na een tusschenpoos, „je bent nu zeventien jaar.

Je bent nu geen kind meer,—je bent jongeling....

„Mijn taak is nu afgedaan.... Maar blijf in ’t geen je van je vader en

mij geleerd hebt.... Waarmede zal de jongeling zijn pad rein

houden?.... Als hij dat houdt naar Gods Woord!”

Een nieuwe benauwdheid belette hem voort te gaan.

Toen hij weer bij kennis kwam, gevoelde hij zich zóó wel, als hij in

lang niet geweest was. Hij richtte zich op en keek de kamer door.

Zijn oog viel op de papegaaien.

„Dag Bamboe, goeie baas!” riep Jok, en Plok riep het hem na.

„Je moet ze in de museumkamer brengen, Leo,” zei Bamboe. „Als ze mij

zien sterven, zullen ze wellicht zelf óók dood gaan, en in elk geval

zullen ze nooit meer een woord spreken. En dat zou toch heel

onplezierig voor je wezen.

„En wil jij zoo goed zijn, eens naar meneer Van Dintelburg te gaan,

Dirk? Zeg hem, dat ik ga sterven, en dat ik hem graag nog even wou

spreken.”

Dirk vertrok en Leo bracht de vogels weg.

„Bamboe ziek, Bamboe ziek!” zei Plok.

„Ja Plok,” zei Leo schreiend, „je goeie baas is ziek, jongen! Ach,

Bamboe gaat sterven, en ik zal alleen achterblijven.”

In den hoek van de museumkamer knielde hij neer, met het hoofd voorover

op het tijgervel; maar hij was zóó door zijn droefheid overmand, dat

hij niet wist wat te bidden.

„Je moet niet schreien, Leo,” zei Bamboe, toen hij weer binnenkwam, „en

ook niet bidden dat ik beter mag worden, want God heeft mij getoond,

dat ik sterven zal. Lees mij nog iets voor uit het goede Boek. Lees den

psalm van den Goeden Herder.”

En Leo las:

„De Heer is is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.

„Hij doet mij neder liggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes

aan zeer stille wateren.

„Hij verkwikt mijne ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid,

om Zijns Naams wil.

„Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad

vreezen, want Gij zijt met mij; uw stok en uw staf die vertroosten

mij.”

„Zóó is het,” zei Bamboe. „De Heer is mijn Herder, en daarom zal ik

geen kwaad vreezen, ook niet in het dal der schaduwe des doods. De

ondervinding leert mij, dat het zoo is.”

Onder dit gesprek trad de heer Van Dintelburg binnen en stak den zieke

de hand toe.

„Hoe gaat het?” vroeg hij op zachten, deelnemenden toon.

„Het gaat naar den hemel!” antwoordde Bamboe met een gelukkigen

glimlach.

„Maar vóór ik deze laatste reis doe, had ik u, als voogd van Leo, nog

wat te zeggen,” vervolgde hij.

De heer Van Dintelburg zette zich neer.

„U zult voortaan geheel alleen over hem toezicht moeten houden,” ging

Bamboe op voorzichtigen toon voort, terwijl hij na elke zinsnede weer

opnieuw adem moest scheppen.

„U weet, dat alles wat in dit huis is, aan hem behoort, maar wat in

deze kamer is, is het mijne.... Ook dit geld.” En meteen haalde hij een

zakje met geld onder zijn hoofdkussen vandaan.—„Ik heb dat bespaard van

mijn loon, dat ik in Indië en hier verdiend heb..... In het kasboek en

het huishoudboek, die daar in de la liggen, zult u alles verantwoord

vinden, wat op de geldzaken van mij en Leo betrekking heeft, tot op een

cent toe.

„Mijn familie-leden in Indië, zoo ik er nog heb, ken ik niet; en daarom

wenschte ik alles wat ik heb na te laten aan Naatje, onze oude meid.

Het is niet veel, maar toch misschien wel zooveel, dat zij er met haar

broeder een rustigen ouden dag van kan hebben.” De heer Van Dintelburg

beloofde zijn wensch te zullen nakomen.

„Gisteravond,” vervolgde Bamboe, „is Leo thuisgekomen in beschonken

toestand. Ik vertrouw wel, dat zoo iets niet meer bij hem zal

voorkomen, maar hij is zwak, en daarom zou ik u wel willen verzoeken,

zoolang hij bij u in huis zal zijn, hem nooit weer iets te geven,

waarvan hij dronken kan worden.”

„Bij mij in huis is hij niet dronken geworden,” zei de heer Van

Dintelburg, even kleurend.

„Dat weet ik, meneer, dat weet ik. Maar hoor eens naar wat ik u

vertellen zal.....

„In het Grobongansche* ligt een groot aleng-aleng-veld.... Eens reed

een toewan-controleur te paard door dat veld. Hij stak een sigaar aan,

en wierp achteloos den brandenden lucifer in het droge gras. De

aleng-aleng vatte vlam, de wind wakkerde het vuur aan, blies het naar

de dessa, en daardoor werd een groote padi-schuur aangestoken, die tot

den grond toe afbrandde.

Wie was nu de schuld van het afbranden der padi-schuur?”

„Natuurlijk degene, die den lucifer had weggeworpen,” sprak de heer Van

Dintelburg.

„Hij stak toch niet zelf de schuur aan; hij maakte geen groote vlam,

het was maar een lucifer, en hij wist niet eens goed waar hij dien

neerwierp,” zei Bamboe.

„Nee,” was het antwoord, „maar juist omdat hij dat niet wist, was de

controleur schuldig. Een verstandig man gooit nooit een brandenden

lucifer weg, of hij moet wel terdege weten, dat er geen brand kan

ontstaan.”

„Welnu,” zeide Bamboe, „gij zijt die man. Het eerste glas, dat u Leo

gaaft, was even onschuldig als het brandende lucifertje. Maar u wist

niet, of dat eerste glas in Leo’s hart wellicht ook een vlam van

hartstocht kon ontsteken, die hem eindelijk vernielen zou.

„O meneer,” ging hij voort, terwijl de geestdrift, waarmee hij sprak,

hem zijn lichaamszwakheid deed vergeten, „het Boek zegt: Ik zal een

vuur in Edom zenden, en dat zal zijne paleizen verteren. En de

ondervinding zegt mij, dat de drank dat vuur is. Ik heb gezien, dat de

inwoners van dit land gelijk zijn aan de droge halmen van het

aleng-aleng-veld. En de verwoestende gruwel, die daarover trekt, is de

drank! Daarom heerscht er in dit land ook armoede, alsof elk jaar te

treuren had over mislukking van den padi-oogst. Doch Jehovah geeft elk

jaar wel padi in overvloed, maar ’t is het stroomend vuur, dat halm na

halm verteert en de padi-schuren verwoest! Zullen wij dan, met deze

ondervinding voor oogen, doorgaan met brandende lucifers te werpen in

de jonge aleng-aleng?”

„Ik beloof u, Bamboe, dat Leo het bij mij nooit meer krijgen zal,”

sprak de heer Van Dintelburg getroffen.

De stervende keek hem aan met dankenden blik.

„En mijn laatste woord,” ging hij weer na een pauze voort, „geldt u

persoonlijk.

„U sprak me eens over twee wegen. U zei niet te weten, of uw eigen weg

wel de goede was. Welnu, de ondervinding leert mij, dat de beste weg,

waarlangs wij onze levensreis kunnen gaan, de weg met God is. Het goede

Boek zegt: De wereld gaat voorbij en al hare begeerlijkheid, maar die

den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. En mijn ondervinding

zegt, dat dit woord waarachtig is. Ik wilde daarom zoo graag, dat

mijnheer besluiten kon, dien anderen weg voortaan te betreden.”

De heer Van Dintelburg wist niet, wat te antwoorden en keek getroffen

voor zich. Hij dacht aan zijn zaken en aan wat het groote doel van zijn

leven was geweest. Hij was nu, wat hij altijd begeerd had te worden:

een schatrijk man, maar op dit oogenblik kwam wat hij vroeger als een

geluk had beschouwd, hem bijna als een ramp voor. Want hij wist, dat

hij, als hij zoo bleef als hij nu was, met al zijn schatten toch een

armer sterfbed zou hebben, dan deze eenvoudige Javaan.

Bamboe liet hem aan den loop zijner eigen gedachten over, en

stilzwijgend nam hij afscheid.

Toen de heer Van Dintelburg buiten kwam, keek hij op zijn horloge.

Het was half zeven en hij stond in twijfel, of hij nog even rond zou

loopen, om over wat hij bij Bamboe gehoord had, eens rustig na te

denken, òf dat hij maar terstond langs de fabrieken zou gaan, om zijn

gewone avond-inspectie te houden. Hij koos toen het laatste. Zaken

gingen vóór mijmeringen, vond hij. Maar toen hij zich van zijn zaken

gekweten had, vond hij voor mijmeringen geen tijd. De „zorgvuldigheden

des rijkdoms” hadden ook nu weer het goede zaad verstikt.

Na zijn vertrek zonk de zieke achterover in de kussens. Het gesprek had

hem te veel ingespannen. Hij begon te ijlen. Het was hem, of hij zich

weer in Indië bevond en op reis was met Leo’s vader. Dàn verbeeldde hij

zich op Bali te zijn, en een oogenblik later sprak hij weer over de

Minahassa. Leo merkte op, dat hij hierbij geen enkel Nederlandsch woord

gebruikte; de taal, die zijn moeder hem geleerd had, was ook de taal

van zijn sterfbed.

Toen zijn bewustzijn terugkeerde, riep hij Leo tot zich. Schreiend boog

deze zich over hem heen en greep zijn hand. Hij voelde dat die hand

reeds koud werd.

„Dag Leo,” fluisterde de kranke, „vaarwel...... tot weerziens!..... Dag

mijn jongen!..... De ondervinding leert mij..... dat het sterven....

met Jezus..... licht is!”

Toen richtte hij zich plotseling op. En terwijl zijn gelaat schitterde

van dien hemelschen glans, die door duizenden op het aangezicht van

stervende kinderen Gods is waargenomen, strekte hij zijn handen uit,

als om een paar menschen, die onzichtbaar bij zijn sterfbed aanwezig

waren, te begroeten, en zeide hij op blijden toon:

„Tabik, Toewan! tabik, Njonja! [17] Nù leert mij de ondervinding dat de

kleur....”

Maar wat de ondervinding hem nog in dit uiterste oogenblik leerde, kon

hij niet meer vertellen; zijn laatste woorden gingen over in een zucht,

die zoo zacht was als de ademhaling van een slapend kind. — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — „Och, och,” huilde

Naatje, haar zakdoek tegen de oogen drukkende, „hij is weg, hij is weg!

Och, jongeheer, ik heb bij een boel blanke menschen gediend, al zeg ik

het zelf, maar zóó’n goeje blanke als deze bruine er een was, heb ik

nog nooit ontmoet. Och, och, al was-ie dan bruin, d’r zal wat an gemist

worden,—ik en u en een boel andere menschen!”

En terwijl ze dit zeide, leekten uit haar oude oogen groote,

glinsterende tranen, die als paarlen van droefheid vielen op het witte

laken waarmee zij Bamboe’s lijk bedekte.

Blank en Bruin · 第 19 / 35 题