LEO EN RUDOLF ZIJN VOOR EEN OOGENBLIK GOEDE VRIENDEN, ’T GEEN ECHTER
VOOR DEN EERSTE SLECHTE GEVOLGEN HEEFT.
Rudolf en Leo waren juist een dag na elkaar jarig, en de eisch der
beleefdheid bracht mee, dat Leo dan natuurlijk een felicitatie-bezoek
aflei. Zooals reeds gezegd is, waren de visites, die hij op villa
Dintelburg moest maken, voor hem nu juist niet van de pleizierigste,
vooral niet als hij wist, Dolf te zullen thuis treffen. Toch hadden aan
de andere zijde deze bezoeken ook wel iets aantrekkelijks voor hem. Hij
miste er iets, en hij vond er iets. Hij miste er dat eigenaardige, dat
uitging van Bamboe’s leven in de gemeenschap met God; hij vond er een
zekere deftige gezelligheid, die, hoe ouder hij werd, te grooter
bekoorlijkheid op hem uitoefende. De ware gezelligheid in een huis
wordt er in gebracht door de moeder. Als Leo in het salon van zijn
tante zat en haar zoo genoegelijk hoorde babbelen met zijn nicht
Henriëtte, dan dacht hij dikwijls aan zijn eigen moeder terug en kreeg
het huis aan het Wed voor hem iets ledigs. Tante en Henriëtte waren
altijd hartelijk jegens hem gestemd, evenals oom, die de gewoonte had,
bij Leo’s bezoeken een goed glas wijn te schenken, ’t geen onze vriend
thuis nooit kreeg en waar hij nochtans heel veel van hield.
Ditmaal wist Leo echter niet, of hij wel zou gaan, want Bamboe was
ziek,—niet zóó ziek, dat hij te bed lag, maar hij was toch erg moe en
op; de hoest, die hem de laatste jaren altijd had gekweld, was
schrikbarend toegenomen en hijzelf opvallend vermagerd. Bamboe echter
wilde niet, dat Leo om zijnentwil thuis bleef, en Leo ging.
De ontvangst op de villa was nu natuurlijk nog feestelijker dan anders.
Rudolf had een van zijn joviale buien en wenschte Leo met een stevigen
handdruk meteen maar geluk tegen morgen. Hij stond zelf op om Leo wat
in te schenken.
„Drink je eens een glaasje cognac mee?” vroeg hij.
Leo had het nog nooit geproefd en wilde het dus wel eens probeeren.
De drank steeg hem terstond naar het hoofd en joeg zijn Indisch bloed
door de aderen met dubbele snelheid.
Lang wilde hij zijn visite ditmaal niet maken, met het oog op den
toestand, waarin Bamboe verkeerde, en derhalve maakte hij reeds vrij
spoedig aanstalten om te vertrekken.
„Wil je eerst nòg een?” vroeg Dolf, de karaf opnemende.
„Als je blieft,” zei Leo.
„Nee, Leo,” kwam Henriëtte tusschenbeide, „dat zou ik niet doen. Ik
geloof niet, dat je er tegen kunt.”
„Kom, kom, wat zijn twee glaasjes voor zulk een vent,” zei oom Louis.
„Nee, nee, Henriëtte heeft gelijk,” zei Mevrouw, „één is voor Leo meer
dan genoeg!” En welstaanshalve moest Leo dus nu wel bedanken, hoewel
hij het met leedwezen deed, want dat prikkelende goedje smaakte hem
terdege. We weten reeds, dat hij voor genietingen van stoffelijken aard
uiterst vatbaar was.
„Nu, als je dan bepaald niet meer durft nemen,” zei Dolf met een
minachtenden nadruk op dat woord durft, „dan ga ik mee om je een eindje
weg te brengen.”
’t Was buitengewoon vriendelijk, en Leo nam het zeldzame aanbod
dankbaar aan.
Dolf was er voor, een omwegje te maken, en sloeg met Leo de Molsteeg
in.
„Goeden avond, heeren,” zei Knijp, de uitdrager, die in deze steeg zijn
magazijn had. Op zeer opvallende wijze, alsof het oude bekenden gold,
trok hij bij dezen groet zijn pet in zijn oogen en gaf hij Rudolf
grinnikend een knikje op den koop toe.
„Vanavond, hoor,.... je weet wel, morgen geef ik een fuif....”
fluisterde Rudolf hem in ’t voorbijgaan toe.
„Tot je dienst, meneer,” zei de schacheraar, terwijl hij in zijn
knokige vingers wreef.
Op het Molenplein zagen ze voor het café „Loop-in” Pauw van Lockhoff en
nog een stuk of wat „Donder-studenten” zitten.
„Hallo, Dintelburg! kom eens aan! Wèl gefeliciteerd, hoor!” zei Pauw,
terwijl hij Dolf de hand toestak.—„En jij óók hoor,
Bruintje-neef!”—vervolgde hij tot Leo.
„Ja, jongens,” zei Dolf, „’n gelukwensch moet beklonken worden, hè?
anders geldt hij niet. Wat wil je gebruiken?”
Al de jongeheertjes getuigden van hun voorliefde voor cognac.
„En jij, neef?” vroeg Dolf.—„O ja, ’t is waar óók: je moogt niet meer
drinken, want je kunt er niet tegen, hè?”
„Mogen?—voor wie niet?” vroeg Pauw.
„Wel, voor zus Henriëtte niet; ze heeft het hem plechtig verboden,” zei
Dolf, met spottende gestrengheid den vinger tegen Leo opheffend.
„Allemaal gekheid, hoor!” zei Leo, een kleur krijgende, „ik doe mee!”
De laatste woorden waren er uit vóór hij er aan dacht. Hij had daarmee
bewijs van zijn moed willen geven; maar zoodra hij ze had uitgesproken,
had hij er heimelijk spijt van.
Het was nu evenwel te laat, want ze te herroepen zou àl te flauw hebben
gestaan.
Leo dronk een glaasje cognac mee, en nog één ...
Bamboe gevoelde zich onrustig. Het was al donker en Leo was nog niet
thuis. Bamboe stond op, om in de duistere kamer naar de klok te gluren.
Toen hij zich weer neerzette, voelde hij een vreemd geruisch in zijn
borst, alsof daar een steen zat, die iets opzoog. Hij luisterde naar
dat geruisch, en naar het gerucht van voetstappen daarbuiten. Eindelijk
stak hij de lampen aan en hoestte en luisterde opnieuw, maar de
voetstappen gingen voorbij. Toen ging hij weer zitten met gevouwen
handen, en bad, en luisterde.
Eindelijk, daar ging het hekje open en hoorde hij een geweldigen ruk
aan de bel, heel anders dan Leo altijd deed. Hij opende de deur, en in
plaats van één persoon, zag hij bij het licht van de ganglamp er twee
voor de deur staan, die een derden tusschen zich in droegen.
Die derde hield het hoofd voorover, slap als een lijk, maar toch had
Bamboe hem onmiddellijk herkend.
„O, Leo, mijn jongen!” schreide hij, „o Leo, wat is er gebeurd?”
„O, het is niets, Bamboe!” stelde Pauw van Lockhoff hem gerust. „Hij is
alleen maar wat boven zijn bier.”
Bamboe poogde hem in zijn armen naar binnen te dragen, maar was daar
thans niet meer toe bij machte.
Rudolf en Pauw namen die taak van hem over en legden Leo op de sofa in
de voorkamer.
Daar lag hij en keek Bamboe met doffe oogen wezenloos aan.
Deze knielde bij hem neer en nam zijn bleek gelaat tusschen de handen.
„O Leo, mijn jongen,”—sprak hij met door tranen verstikte stem, „wat
zal ik beginnen....? O, mijn lieve, lieve jongen....”
Verder kon hij niet. Hij hoestte en gaf een groote golf bloed op, die
vlak voor Leo als een roode plas op het donkere vloerkleed neervloeide.
Leo sprong op.
De schrik had hem plotseling ontnuchterd.
„Help, help,” riep hij, „gauw om den dokter!—hij sterft!”
Pauw waggelde naar buiten, om een geneesheer te halen, en met behulp
van Rudolf lei Leo den armen Javaan op de plaats, waar hij zooeven zelf
gelegen had.
„Heb je mij nog noodig?” vroeg Rudolf na eenigen tijd op zachten,
berouwvollen toon, want de groote droefheid, waaraan hij Bamboe ten
prooi had gezien, en de verschrikkelijke gevolgen daarvan, hadden toch
zijn hart geraakt.
„Neen,” zei Leo schreiend, „als de dokter maar gauw komt.”
„Nu, bonsoir dan en beterschap, hoor!” zei Rudolf, terwijl hij hem de
hand toestak. „Je ziet het, Leo,” vervolgde hij, op een toon alsof hij
ditmaal eens zijn gewone minachting op zijn eigen hoofd wilde
uitstorten, „je ziet het: ’t is niet goed, dat „Blank” en „Bruin”
mekaar ontmoeten. Ik ben zelf een beroerling, en dat zou ik op den duur
ook van jou maken.”
Met deze woorden stapte hij de deur uit en spoedde zich naar de
Molsteeg, naar de uitdragerij van Knijp.