HOOFDSTUK VIII,

WAARIN IETS VERHAALD WORDT UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE FAMILIE VAN

DINTELBURG.

Het vorige hoofdstuk bevat enkele gezegden, die de lezer niet ten volle

kan begrijpen, zoo hij niet eenigszins bekend is met de

familie-geschiedenis der Van Dintelburgen, en daarom zullen wij in dit

hoofdstuk van die geschiedenis een en ander mededeelen.

Zooals reeds bekend is, behoorde de familie Van Dintelburg tot den

oud-Nederlandschen adel. Verscheidene leden ervan hadden onder de

regeering der Stadhouders aanzienlijke betrekkingen bekleed. Tegen het

einde der 18de eeuw waren zij echter meegesleept door den uit Frankrijk

opgestoken revolutie-storm, maar hadden helaas ook ondervonden, hoe

duur de waan van vrijheid, gelijkheid en broederschap, die niet op Gods

Woord gegrond zijn, in ’t einde betaald moet worden. In den bangen tijd

der Fransche overheersching werd het aanzienlijke familie-kapitaal

bijna geheel verslonden, en in plaats van als zijn voorouders te

schitteren aan koninklijke en prinselijke hoven, zag Leo’s grootvader,

die denzelfden voornaam droeg als hij, zich genoodzaakt het leven te

leiden van een verarmd landjonker, die alleen tegenover de

boerenbevolking op een afgelegen dorp nog zekeren stand vermocht op te

houden.

Maar al mocht de oude heer Van Dintelburg zich niet verheugen in het

bezit van een groot kapitaal, hij bezat wat in sommige gevallen even

goed is, namelijk een helder verstand en een door-en-door practischen

blik op den tijd, waarin hij leefde.

Die tijd was—dank zij de bemoeiingen der regeering van Koning Willem

I—voor ons land de tijd der herleving van de vaderlandsche industrie.

Vastbesloten om zijn geslacht zoo mogelijk tot het vorige aanzien terug

te voeren, zag de oude heer Van Dintelburg spoedig in, dat de eenige

kans om hierin te slagen, bestond in mee te doen aan den grooten

nijverheids-wedloop. In Weverstede richtte hij met deels geleend

kapitaal de eerste katoen- en linnenweverij op. De fortuin was hem

gunstig, en elk jaar zag hij de zon van zijn eer en macht hooger aan

den hemel stijgen.

Met leedwezen zag de oude man echter de zon zijns levens elk jaar al

meer tanen. Het ging hem in deze wereld zóó goed, dat hij er wel eeuwig

had willen blijven. Daar hij echter wel wist, dat zulks onmogelijk was,

zoo was het hem een troost te denken, dat zijn beide zonen, Louis en

Willem, het werk huns vaders zouden voortzetten. Daartoe had hij de

beide jongens dan ook al vroeg in de zaken ingewijd en hen van jongsaf

als hoogste levensdoel voorgesteld, wat voor hem als het hoogste gold:

geld en aanzien te verwerven.

Het gelukte hem om Louis geheel en al naar zijn eigen model te vormen.

Bij Willem kwam er echter iets tusschenbeide, dat aan diens leven een

geheel andere richting gaf. Toen hij eens voor zaken een dag of acht in

Amsterdam vertoefde, raakte de jongeling in kennis met een jong

dichter, den later zoo beroemd geworden Isaäc da Costa, en werd hij

door dezen binnengeleid in de kringen van het „Réveil”. Dezen naam

geeft men aan een groote godsdienstige opwekking, die, kort na den val

van Napoleon I, in Zwitserland begonnen, zich over geheel West-Europa

heeft uitgebreid en door middel eener schare van uitnemende mannen en

vrouwen, ook in ons land, een allergezegendsten invloed heeft

uitgeoefend en tal van doode leden der Kerk tot werkzame en liefdevolle

Christenen heeft gemaakt.

De jonge, koelberekenende industriëel werd door den vurigen,

echt-Israëlietischen dichter onweerstaanbaar meegesleept; en toen hij

bij zijn vader terugkwam, stond hij voor hem als een nieuw mensch, met

nieuwe levenskracht en een nieuw levensdoel. Mede tengevolge van een

trouwe briefwisseling met zijn nieuwe vrienden, nam dit levensdoel voor

hem gaandeweg duidelijker vorm en gestalte aan: hij wilde voortaan niet

meer leven voor zichzelven, voor eigen eer en eigen roem, maar tot eer

en roem van onzen Heiland en tot welzijn der arme en lijdende

menschheid. Na een paar jaren van voorbereidende studie trok hij als

zendeling naar Indië.

Het werk der Zending stond in die dagen bij velen in ons vaderland nog

bloot aan de grootste minachting. Wie er voor ijverde, werd beschouwd

als een krankzinnige dweeper; wie zelf als zendeling naar de

heidenwereld durfde trekken, werd gehouden voor een fortuinzoeker van

het allerslechtste allooi.

Dat een gewoon burgerlijk mensch, „die nergens anders toe deugde”, de

„dwaasheden” van het Christendom in de heidenwereld ging prediken, dat

vond de oude heer Van Dintelburg al verachtelijk; maar dat zijn zoon,

een Van Dintelburg, zoo iets ondernam, dàt vond hij zóó erg, dat de

dood van dien zoon hem verkieselijker ware geweest!

Toen Willem scheep zou gaan, weigerde de oude heer dan ook hem de hand

ten afscheid te reiken; Willems brieven, zoowel die aan zijn vader als

die aan zijn broeder Louis, bleven onbeantwoord, en nadat hij twee

jaren in Insulinde vertoefd had, gewerd hem een kort briefje van Louis,

waarin hem werd meegedeeld, dat zijn vader was overleden.

De regeling der nalatenschap en de verdeeling van de erfenis kwam tot

stand door tusschenkomst van een notaris. De bezittingen van den

overledene bestonden uit enkele landerijen en huizen, benevens een

zeker kapitaal, dat in de fabriek gestoken was. Natuurlijk was er Louis

veel aan gelegen, dit kapitaal geheel in gebruik te mogen houden.

Immers, werd de helft daarvan door Willem opgeëischt, dan zou hij zelf

de zaken voortaan slechts met halve kracht kunnen voortzetten.

Willem was hiertoe wel te vinden. Zijn hart hing aan andere dingen dan

aan wereldsch goed. Hij vergenoegde zich dus met de opbrengst van zijn

deel der landerijen en huizen, van welke laatste hij er twee bestemde

om verbouwd te worden tot een Christelijke school (de school van den

heer Selhof). Wat het geld betrof, dat moest Louis maar onder zich

houden. Later zou men het wel eens verrekenen.

Zooals we reeds gezien hebben, zette Louis het werk zijns vaders geheel

in diens eigen geest en met nog gunstiger uitslag voort.

Willem, die nu van zijn eigen renten, zij het dan ook sober, in Indië

kon leven, bedankte voortaan voor het tractement, dat hij van de

Zendingsvereeniging ontving.

Nadat hij op een paar plaatsen bloeiende inlandsche gemeenten had

gesticht, werd hem opgedragen, ook buiten Java geschikte terreinen voor

den Zendingsarbeid op te zoeken. Met dit doel doorkruiste hij den

geheelen Archipel, en daar hij, behalve een ijverig Evangelie-prediker,

ook een man was, die veel hart had voor de studie van natuur- en

volkenkunde, had hij op deze reizen langzamerhand al de

merkwaardigheden bijeengebracht, waarmee wij in hoofdstuk VI Bamboe’s

Zondagsschoolklas hebben zien kennismaken.

Reeds kort na zijn aankomst in Indië huwde hij een inlandsche dame, die

aan den Soesoehoenan van Djokjokarta verwant was, en die reeds vroeger

het Christendom omhelsd had. De eerste twee kinderen uit dit huwelijk

stierven op nog zeer jeugdigen leeftijd, en het derde kind, Leo, was

nog maar acht jaar oud, toen zendeling Van Dintelburg ook zijn geliefde

vrouw grafwaarts moest dragen.

Daar in zijn standplaats een Europeesche school ontbrak, moest hij zelf

voor het onderwijs van zijn zoon zorg dragen; en op welk een

uitmuntende wijze hij zich van dezen vaderplicht kweet, heeft het

onderzoek door den heer Selhof reeds aan het licht gebracht.

Een belangrijken steun voor de verzorging van den knaap vond hij in

zijn inlandschen bediende Bamboe.

We zeggen hier bediende, maar eigenlijk mocht deze met meer recht zijn

pleegkind worden genoemd.

Een ongelukkig geval had hem met dezen braven Javaan, toen nog een

knaap van een jaar of tien, in aanraking gebracht.

Toen hij namelijk op zekeren dag in de residentie Kedoe door het

gebergte dwaalde, om naar enkele zeldzaam voorkomende planten te

zoeken, had hij gezien, hoe plotseling een man en een jongen, die een

eindweegs voor hem uit gingen, besprongen werden door een reusachtigen

tijger. In minder dan geen tijd had het monster door een slag met zijn

geweldige klauwen den armen man de hersenpan verbrijzeld; en juist

maakte hij zich gereed om ook den knaap tot zijn slachtoffer te maken,

toen een welgemikt schot uit des zendelings geweer aan zijn bloedgierig

bestaan een einde maakte. Van den jongen vernam hij, dat deze met zijn

vader op reis was gegaan naar Soerabaja, om zich daar te laten

aanwerven voor de zoutmakerijen te Soemenap.* Verder verklaarde de

jongen, dat zijn moeder dood was. Zijn voornaam was Patoe, maar zijn

familienaam wist hij niet op te geven. Verder vernam de zendeling, dat

hij afkomstig was uit het Tjeribonsche; maar alle pogingen om daar de

familie van den knaap te ontdekken, bleven vruchteloos. Daarom besloot

hij den knaap maar bij zich te houden en groot te brengen. Deze

beloonde zijn zorg en toewijding met de grootste dankbaarheid, en

wilde, ook toen hij tot een volwassen man was opgegroeid, zijn meester

en zijn redder onder geen voorwaarde verlaten. Daar de heer Van

Dintelburg hem gevonden had bij een klein bamboe-boschje, had hij hem

den toenaam gegeven van Bamboe; bij zijn doop werd zijn voornaam Petrus

genoemd.

Ofschoon Bamboe zichzelven als niets meer beschouwde dan als de

bediende van zendeling Van Dintelburg, zoo was hij in der waarheid

diens trouwe vriend en onwaardeerbare helper. Hij vergezelde hem op al

zijn tochten, en op zijn ziekbed, dat zijn sterfbed zou worden, stond

hij hem met moederlijke teederheid tot het laatste oogenblik bij.

Willem van Dintelburg maakte zich op dit ziekbed geen illusies van nog

eens te zullen herstellen. Hij wist, dat hij sterven ging, en zag met

volkomen gerustheid den dood tegemoet, want hij was er zeker van, dat

hij uit de sluimering des doods ontwaken zou tot een nieuw leven, een

heerlijker leven, dan hij ooit op aarde gekend had.

Slechts één enkele zorg kwelde hem in deze laatste uren: die voor Leo,

zijn zoon! De jongen zou na zijns vaders dood naar Holland moeten, en

daar onder de hoede moeten komen van zijn oom Louis. Willem zag hier

erg tegen op. Leo was een jongen van een driftig karakter en met sterke

neigingen tot zinnelijk genot. Het gemengde bloed bruiste hem door de

aderen met al te onstuimige levenskracht en levenslust. Zeker, wat de

stoffelijke zijde des levens betreft, zou het den knaap ten huize zijns

ooms aan niets ontbreken. Maar de zendeling wist te goed, dat de mensch

alleen bij brood niet kan leven, om voor zijn jongen niet meer dan dat

noodig te achten. En hij wist óók, dat Leo dat „ééne noodige” ten huize

van zijn oom niet vinden zou. Hij wist, dat Louis als hoogste

levensdoel stelde: de genietingen dezer aarde, en in dien geest ook

zijn kinderen grootbracht. Zijn ideaal was echter, Leo te zien

opgroeien tot een Christen,

„In werk en woord waarachtig

En aan zijn God gedachtig.”

Als hij dat ideaal verwezenlijkt wilde zien, dan mocht en kon hij zijn

zoon niet doen opnemen in een familiekring, waar alles er op ingericht

was om het ontvankelijke jongenshart mee te sleepen in de jacht naar

„begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleesches en grootschheid

des levens.”

Doch ook in deze moeielijkheid wist het trouwe en liefdevolle hart van

Bamboe een uitweg. Zijn meester mocht het hoofd gerust tot sterven

leggen. Hij, Bamboe, zou den jongen toewan dienen met dezelfde liefde,

als hij den ouden toewan gediend had, en hem vergezellen naar het koude

en gure Holland.

Bamboe, die den knaap van diens geboorte had zien opgroeien, kende

Leo’s karakter tot in de fijnste kreukels, en ofschoon hij „maar een

Javaan” was, bezat de brave inlander zulk een fijnen tact en zulk een

nobel hart, dat de heer Van Dintelburg de opvoeding van zijn zoon

veiliger achtte in de handen van dezen bruinen man, dan in die van

éénigen blanke.

Hij nam dus maatregelen, dat de huur, die hij trok van zijn huizen en

landerijen, voortaan zou worden uitbetaald aan Bamboe, die met Leo zich

zou vestigen in Weverstede. Met opzet koos hij deze plaats, opdat,

wanneer Bamboe iets overkwam, Leo niet hulpeloos in de wereld zou

staan, en in dat geval een toevlucht zou kunnen vinden bij zijn oom

Louis.

Aan den laatste schreef hij nog op zijn ziekbed den volgenden brief:

„Beste Louis!

Indien het waar is, dat de dood alles verzoent, dan zul je dezen

brief ontvangen met dezelfde liefde, waarmee wij als kinderen met

elkaar omgingen en geen zweem van den vroegeren wrevel, dien onze

scheiding veroorzaakte, zal er langer in je hart overblijven. Want

dezelfde mail, die je dit schrijven brengt, zal je ook het bericht

doen geworden van mijn overlijden. Ik ben ziek en ik hoor reeds het

wiekgesuis van den engel des doods. Maar hij vindt mij bereid, want

ik weet, dat ik uit dit mijn vleesch mijn God zal aanschouwen,—ik

zal Hèm zien en niet een vreemde.

Louis, wij hebben in ons leven twee verschillende wegen

bewandeld,—jij hebt geleefd voor je zelven en voor wat je het geluk

en het welzijn van de familie achtte; ik heb, schoon in zwakheid,

getracht te leven voor God.

Ik laat een zoon na, mijn lieven Leo. Ik zal hem naar Holland

zenden en jij zult voortaan zijn voogd zijn.

Maar juist omdat wij tweeërlei wegen gaan, en ook onze kinderen

voor tweeërlei leven opleiden, daarom zul je het mij ten goede

houden, zoo ik je verzoek, Leo vooreerst niet bij je in te nemen.

Mijn bediende, en tevens mijn vriend en broeder, Bamboe, kent zijn

karakter beter dan iemand anders, en ik wensch mijn lieven jongen

dan ook onder zijn leiding te stellen.

Indien mijn Leo echter ook deze steun mocht komen te ontvallen,

wees dan zoo goed, den jongen tot je te nemen en tracht hem dan op

te voeden in den geest, waarin zijn vader dat zou hebben gedaan.

Het is mijn wensch, dat hij tot zijn negentiende levensjaar

studeert, en dat hij dan voor de keuze van een betrekking of een

beroep zal worden gesteld. En ik verzoek je, hem alsdan in die

keuze volkomen vrij te laten, ook al mocht hij het levenslot kiezen

van een gewoon ambachtsman.

En nu, lieve broeder, in gedachten reik ik je van mijn sterfbed de

hand ten afscheid, ter vergiffenis en ter verzoening. Ofschoon ik

sterf ver van mijn vaderland, en ik mijn eenigen zoon aan de hand

van een vreemde de onbekende toekomst zie tegengaan, zoo heb ik

nochtans geen berouw over dien anderen levensweg, dien ik gekozen

heb, en mijn laatste bede is, dat onze lieve Heiland ook úw

schreden moge leiden op dien weg. Terwijl ik sta voor de poort des

doods, betuig ik je plechtig, dat alleen een leven in Zijn dienst

de moeite waard is om geleefd te worden, en dat alleen zùlk een

leven gevolgd wordt door een sterfbed als het mijne,—een sterfbed

waaromheen de vrede des hemels zweeft als blanke duiven over een

landschap van purperen bloemen en gouden zonneschijn.

Blank en Bruin · 第 15 / 35 题