WAARIN IETS VERHAALD WORDT UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE FAMILIE VAN
DINTELBURG.
Het vorige hoofdstuk bevat enkele gezegden, die de lezer niet ten volle
kan begrijpen, zoo hij niet eenigszins bekend is met de
familie-geschiedenis der Van Dintelburgen, en daarom zullen wij in dit
hoofdstuk van die geschiedenis een en ander mededeelen.
Zooals reeds bekend is, behoorde de familie Van Dintelburg tot den
oud-Nederlandschen adel. Verscheidene leden ervan hadden onder de
regeering der Stadhouders aanzienlijke betrekkingen bekleed. Tegen het
einde der 18de eeuw waren zij echter meegesleept door den uit Frankrijk
opgestoken revolutie-storm, maar hadden helaas ook ondervonden, hoe
duur de waan van vrijheid, gelijkheid en broederschap, die niet op Gods
Woord gegrond zijn, in ’t einde betaald moet worden. In den bangen tijd
der Fransche overheersching werd het aanzienlijke familie-kapitaal
bijna geheel verslonden, en in plaats van als zijn voorouders te
schitteren aan koninklijke en prinselijke hoven, zag Leo’s grootvader,
die denzelfden voornaam droeg als hij, zich genoodzaakt het leven te
leiden van een verarmd landjonker, die alleen tegenover de
boerenbevolking op een afgelegen dorp nog zekeren stand vermocht op te
houden.
Maar al mocht de oude heer Van Dintelburg zich niet verheugen in het
bezit van een groot kapitaal, hij bezat wat in sommige gevallen even
goed is, namelijk een helder verstand en een door-en-door practischen
blik op den tijd, waarin hij leefde.
Die tijd was—dank zij de bemoeiingen der regeering van Koning Willem
I—voor ons land de tijd der herleving van de vaderlandsche industrie.
Vastbesloten om zijn geslacht zoo mogelijk tot het vorige aanzien terug
te voeren, zag de oude heer Van Dintelburg spoedig in, dat de eenige
kans om hierin te slagen, bestond in mee te doen aan den grooten
nijverheids-wedloop. In Weverstede richtte hij met deels geleend
kapitaal de eerste katoen- en linnenweverij op. De fortuin was hem
gunstig, en elk jaar zag hij de zon van zijn eer en macht hooger aan
den hemel stijgen.
Met leedwezen zag de oude man echter de zon zijns levens elk jaar al
meer tanen. Het ging hem in deze wereld zóó goed, dat hij er wel eeuwig
had willen blijven. Daar hij echter wel wist, dat zulks onmogelijk was,
zoo was het hem een troost te denken, dat zijn beide zonen, Louis en
Willem, het werk huns vaders zouden voortzetten. Daartoe had hij de
beide jongens dan ook al vroeg in de zaken ingewijd en hen van jongsaf
als hoogste levensdoel voorgesteld, wat voor hem als het hoogste gold:
geld en aanzien te verwerven.
Het gelukte hem om Louis geheel en al naar zijn eigen model te vormen.
Bij Willem kwam er echter iets tusschenbeide, dat aan diens leven een
geheel andere richting gaf. Toen hij eens voor zaken een dag of acht in
Amsterdam vertoefde, raakte de jongeling in kennis met een jong
dichter, den later zoo beroemd geworden Isaäc da Costa, en werd hij
door dezen binnengeleid in de kringen van het „Réveil”. Dezen naam
geeft men aan een groote godsdienstige opwekking, die, kort na den val
van Napoleon I, in Zwitserland begonnen, zich over geheel West-Europa
heeft uitgebreid en door middel eener schare van uitnemende mannen en
vrouwen, ook in ons land, een allergezegendsten invloed heeft
uitgeoefend en tal van doode leden der Kerk tot werkzame en liefdevolle
Christenen heeft gemaakt.
De jonge, koelberekenende industriëel werd door den vurigen,
echt-Israëlietischen dichter onweerstaanbaar meegesleept; en toen hij
bij zijn vader terugkwam, stond hij voor hem als een nieuw mensch, met
nieuwe levenskracht en een nieuw levensdoel. Mede tengevolge van een
trouwe briefwisseling met zijn nieuwe vrienden, nam dit levensdoel voor
hem gaandeweg duidelijker vorm en gestalte aan: hij wilde voortaan niet
meer leven voor zichzelven, voor eigen eer en eigen roem, maar tot eer
en roem van onzen Heiland en tot welzijn der arme en lijdende
menschheid. Na een paar jaren van voorbereidende studie trok hij als
zendeling naar Indië.
Het werk der Zending stond in die dagen bij velen in ons vaderland nog
bloot aan de grootste minachting. Wie er voor ijverde, werd beschouwd
als een krankzinnige dweeper; wie zelf als zendeling naar de
heidenwereld durfde trekken, werd gehouden voor een fortuinzoeker van
het allerslechtste allooi.
Dat een gewoon burgerlijk mensch, „die nergens anders toe deugde”, de
„dwaasheden” van het Christendom in de heidenwereld ging prediken, dat
vond de oude heer Van Dintelburg al verachtelijk; maar dat zijn zoon,
een Van Dintelburg, zoo iets ondernam, dàt vond hij zóó erg, dat de
dood van dien zoon hem verkieselijker ware geweest!
Toen Willem scheep zou gaan, weigerde de oude heer dan ook hem de hand
ten afscheid te reiken; Willems brieven, zoowel die aan zijn vader als
die aan zijn broeder Louis, bleven onbeantwoord, en nadat hij twee
jaren in Insulinde vertoefd had, gewerd hem een kort briefje van Louis,
waarin hem werd meegedeeld, dat zijn vader was overleden.
De regeling der nalatenschap en de verdeeling van de erfenis kwam tot
stand door tusschenkomst van een notaris. De bezittingen van den
overledene bestonden uit enkele landerijen en huizen, benevens een
zeker kapitaal, dat in de fabriek gestoken was. Natuurlijk was er Louis
veel aan gelegen, dit kapitaal geheel in gebruik te mogen houden.
Immers, werd de helft daarvan door Willem opgeëischt, dan zou hij zelf
de zaken voortaan slechts met halve kracht kunnen voortzetten.
Willem was hiertoe wel te vinden. Zijn hart hing aan andere dingen dan
aan wereldsch goed. Hij vergenoegde zich dus met de opbrengst van zijn
deel der landerijen en huizen, van welke laatste hij er twee bestemde
om verbouwd te worden tot een Christelijke school (de school van den
heer Selhof). Wat het geld betrof, dat moest Louis maar onder zich
houden. Later zou men het wel eens verrekenen.
Zooals we reeds gezien hebben, zette Louis het werk zijns vaders geheel
in diens eigen geest en met nog gunstiger uitslag voort.
Willem, die nu van zijn eigen renten, zij het dan ook sober, in Indië
kon leven, bedankte voortaan voor het tractement, dat hij van de
Zendingsvereeniging ontving.
Nadat hij op een paar plaatsen bloeiende inlandsche gemeenten had
gesticht, werd hem opgedragen, ook buiten Java geschikte terreinen voor
den Zendingsarbeid op te zoeken. Met dit doel doorkruiste hij den
geheelen Archipel, en daar hij, behalve een ijverig Evangelie-prediker,
ook een man was, die veel hart had voor de studie van natuur- en
volkenkunde, had hij op deze reizen langzamerhand al de
merkwaardigheden bijeengebracht, waarmee wij in hoofdstuk VI Bamboe’s
Zondagsschoolklas hebben zien kennismaken.
Reeds kort na zijn aankomst in Indië huwde hij een inlandsche dame, die
aan den Soesoehoenan van Djokjokarta verwant was, en die reeds vroeger
het Christendom omhelsd had. De eerste twee kinderen uit dit huwelijk
stierven op nog zeer jeugdigen leeftijd, en het derde kind, Leo, was
nog maar acht jaar oud, toen zendeling Van Dintelburg ook zijn geliefde
vrouw grafwaarts moest dragen.
Daar in zijn standplaats een Europeesche school ontbrak, moest hij zelf
voor het onderwijs van zijn zoon zorg dragen; en op welk een
uitmuntende wijze hij zich van dezen vaderplicht kweet, heeft het
onderzoek door den heer Selhof reeds aan het licht gebracht.
Een belangrijken steun voor de verzorging van den knaap vond hij in
zijn inlandschen bediende Bamboe.
We zeggen hier bediende, maar eigenlijk mocht deze met meer recht zijn
pleegkind worden genoemd.
Een ongelukkig geval had hem met dezen braven Javaan, toen nog een
knaap van een jaar of tien, in aanraking gebracht.
Toen hij namelijk op zekeren dag in de residentie Kedoe door het
gebergte dwaalde, om naar enkele zeldzaam voorkomende planten te
zoeken, had hij gezien, hoe plotseling een man en een jongen, die een
eindweegs voor hem uit gingen, besprongen werden door een reusachtigen
tijger. In minder dan geen tijd had het monster door een slag met zijn
geweldige klauwen den armen man de hersenpan verbrijzeld; en juist
maakte hij zich gereed om ook den knaap tot zijn slachtoffer te maken,
toen een welgemikt schot uit des zendelings geweer aan zijn bloedgierig
bestaan een einde maakte. Van den jongen vernam hij, dat deze met zijn
vader op reis was gegaan naar Soerabaja, om zich daar te laten
aanwerven voor de zoutmakerijen te Soemenap.* Verder verklaarde de
jongen, dat zijn moeder dood was. Zijn voornaam was Patoe, maar zijn
familienaam wist hij niet op te geven. Verder vernam de zendeling, dat
hij afkomstig was uit het Tjeribonsche; maar alle pogingen om daar de
familie van den knaap te ontdekken, bleven vruchteloos. Daarom besloot
hij den knaap maar bij zich te houden en groot te brengen. Deze
beloonde zijn zorg en toewijding met de grootste dankbaarheid, en
wilde, ook toen hij tot een volwassen man was opgegroeid, zijn meester
en zijn redder onder geen voorwaarde verlaten. Daar de heer Van
Dintelburg hem gevonden had bij een klein bamboe-boschje, had hij hem
den toenaam gegeven van Bamboe; bij zijn doop werd zijn voornaam Petrus
genoemd.
Ofschoon Bamboe zichzelven als niets meer beschouwde dan als de
bediende van zendeling Van Dintelburg, zoo was hij in der waarheid
diens trouwe vriend en onwaardeerbare helper. Hij vergezelde hem op al
zijn tochten, en op zijn ziekbed, dat zijn sterfbed zou worden, stond
hij hem met moederlijke teederheid tot het laatste oogenblik bij.
Willem van Dintelburg maakte zich op dit ziekbed geen illusies van nog
eens te zullen herstellen. Hij wist, dat hij sterven ging, en zag met
volkomen gerustheid den dood tegemoet, want hij was er zeker van, dat
hij uit de sluimering des doods ontwaken zou tot een nieuw leven, een
heerlijker leven, dan hij ooit op aarde gekend had.
Slechts één enkele zorg kwelde hem in deze laatste uren: die voor Leo,
zijn zoon! De jongen zou na zijns vaders dood naar Holland moeten, en
daar onder de hoede moeten komen van zijn oom Louis. Willem zag hier
erg tegen op. Leo was een jongen van een driftig karakter en met sterke
neigingen tot zinnelijk genot. Het gemengde bloed bruiste hem door de
aderen met al te onstuimige levenskracht en levenslust. Zeker, wat de
stoffelijke zijde des levens betreft, zou het den knaap ten huize zijns
ooms aan niets ontbreken. Maar de zendeling wist te goed, dat de mensch
alleen bij brood niet kan leven, om voor zijn jongen niet meer dan dat
noodig te achten. En hij wist óók, dat Leo dat „ééne noodige” ten huize
van zijn oom niet vinden zou. Hij wist, dat Louis als hoogste
levensdoel stelde: de genietingen dezer aarde, en in dien geest ook
zijn kinderen grootbracht. Zijn ideaal was echter, Leo te zien
opgroeien tot een Christen,
„In werk en woord waarachtig
En aan zijn God gedachtig.”
Als hij dat ideaal verwezenlijkt wilde zien, dan mocht en kon hij zijn
zoon niet doen opnemen in een familiekring, waar alles er op ingericht
was om het ontvankelijke jongenshart mee te sleepen in de jacht naar
„begeerlijkheid der oogen, begeerlijkheid des vleesches en grootschheid
des levens.”
Doch ook in deze moeielijkheid wist het trouwe en liefdevolle hart van
Bamboe een uitweg. Zijn meester mocht het hoofd gerust tot sterven
leggen. Hij, Bamboe, zou den jongen toewan dienen met dezelfde liefde,
als hij den ouden toewan gediend had, en hem vergezellen naar het koude
en gure Holland.
Bamboe, die den knaap van diens geboorte had zien opgroeien, kende
Leo’s karakter tot in de fijnste kreukels, en ofschoon hij „maar een
Javaan” was, bezat de brave inlander zulk een fijnen tact en zulk een
nobel hart, dat de heer Van Dintelburg de opvoeding van zijn zoon
veiliger achtte in de handen van dezen bruinen man, dan in die van
éénigen blanke.
Hij nam dus maatregelen, dat de huur, die hij trok van zijn huizen en
landerijen, voortaan zou worden uitbetaald aan Bamboe, die met Leo zich
zou vestigen in Weverstede. Met opzet koos hij deze plaats, opdat,
wanneer Bamboe iets overkwam, Leo niet hulpeloos in de wereld zou
staan, en in dat geval een toevlucht zou kunnen vinden bij zijn oom
Louis.
Aan den laatste schreef hij nog op zijn ziekbed den volgenden brief:
„Beste Louis!
Indien het waar is, dat de dood alles verzoent, dan zul je dezen
brief ontvangen met dezelfde liefde, waarmee wij als kinderen met
elkaar omgingen en geen zweem van den vroegeren wrevel, dien onze
scheiding veroorzaakte, zal er langer in je hart overblijven. Want
dezelfde mail, die je dit schrijven brengt, zal je ook het bericht
doen geworden van mijn overlijden. Ik ben ziek en ik hoor reeds het
wiekgesuis van den engel des doods. Maar hij vindt mij bereid, want
ik weet, dat ik uit dit mijn vleesch mijn God zal aanschouwen,—ik
zal Hèm zien en niet een vreemde.
Louis, wij hebben in ons leven twee verschillende wegen
bewandeld,—jij hebt geleefd voor je zelven en voor wat je het geluk
en het welzijn van de familie achtte; ik heb, schoon in zwakheid,
getracht te leven voor God.
Ik laat een zoon na, mijn lieven Leo. Ik zal hem naar Holland
zenden en jij zult voortaan zijn voogd zijn.
Maar juist omdat wij tweeërlei wegen gaan, en ook onze kinderen
voor tweeërlei leven opleiden, daarom zul je het mij ten goede
houden, zoo ik je verzoek, Leo vooreerst niet bij je in te nemen.
Mijn bediende, en tevens mijn vriend en broeder, Bamboe, kent zijn
karakter beter dan iemand anders, en ik wensch mijn lieven jongen
dan ook onder zijn leiding te stellen.
Indien mijn Leo echter ook deze steun mocht komen te ontvallen,
wees dan zoo goed, den jongen tot je te nemen en tracht hem dan op
te voeden in den geest, waarin zijn vader dat zou hebben gedaan.
Het is mijn wensch, dat hij tot zijn negentiende levensjaar
studeert, en dat hij dan voor de keuze van een betrekking of een
beroep zal worden gesteld. En ik verzoek je, hem alsdan in die
keuze volkomen vrij te laten, ook al mocht hij het levenslot kiezen
van een gewoon ambachtsman.
En nu, lieve broeder, in gedachten reik ik je van mijn sterfbed de
hand ten afscheid, ter vergiffenis en ter verzoening. Ofschoon ik
sterf ver van mijn vaderland, en ik mijn eenigen zoon aan de hand
van een vreemde de onbekende toekomst zie tegengaan, zoo heb ik
nochtans geen berouw over dien anderen levensweg, dien ik gekozen
heb, en mijn laatste bede is, dat onze lieve Heiland ook úw
schreden moge leiden op dien weg. Terwijl ik sta voor de poort des
doods, betuig ik je plechtig, dat alleen een leven in Zijn dienst
de moeite waard is om geleefd te worden, en dat alleen zùlk een
leven gevolgd wordt door een sterfbed als het mijne,—een sterfbed
waaromheen de vrede des hemels zweeft als blanke duiven over een
landschap van purperen bloemen en gouden zonneschijn.