LEO GAAT RUPSEN ZOEKEN EN VANGT EEN HOLLEND PAARD.

„Rudolf!” zei mevrouw Van Dintelburg, terwijl zij van haar handwerkje

even opkeek en haar zoon languit op de sofa zag liggen, „Rudolf, wat

lig je daar toch lui! Heb je je thema’s al gemaakt en je

aardrijkskundige les geleerd? Je weet, jongen: over drie maanden is het

examen voor de Hoogere Burgerschool, en we zouden je graag terstond in

de tweede klas geplaatst zien.”

„Och, mama,” antwoordde Dolf, terwijl hij nog wat gemakkelijker houding

aannam, „wat maal ik toch om dat studeeren! Ik heb dat immers niet

noodig!”

„Zoo, zoo, jonkertje, heb jij dat niet noodig?” sprak de heer Van

Dintelburg, die juist de kamer binnentrad en het laatste gezegde

gehoord had.

„Welneen, papa,” antwoordde Dolf, „al dat studeeren, papa, dat is goed

voor jongens uit het plebs! Maar voor mij....!”

„Maar jongen, waarmee denk jij dan de wereld door te komen?” vroeg zijn

vader.

„Met mijn geld!” sprak Dolf, en zette daarbij zulk een hooge borst, als

alleen de zoon van zulk een rijk en voornaam man als de heer Van

Dintelburg kon zetten.

Rudolf’s pa glimlachte, want het streelde zijn ijdelheid, te weten dat

Rudolf wel eenigszins gelijk had en dat een jonge Van Dintelburg het

niet noodig had, door middel van studie en arbeid zich een positie in

de maatschappij te verwerven.

Toch wilde hij Rudolf in diens onverschillige luiheid niet sterken,

door deze gedachte uit te spreken en hem gelijk te geven.

„Hoor eens, jongen,” zei hij, „met geld alleen brengt men het niet ver.

Kennis is meer waard dan rijkdom.”

„Nu,” merkte Dolf droogjes op, „als ik tusschen die beide moest kiezen,

zou ik dan toch maar aan rijkdom de voorkeur geven. Daar heb je nu

Deurloo en Selhof en Tannekens, en hoe al die schoolvossen verder mogen

heeten, ze hebben een hoofd vol met kennis, zóó vol, dat ze er allen

dag aan dertig, veertig jongens uitdeeling van kunnen houden, en wat

zijn ze in de wereld?—Kale jakhalzen, en anders niet!”

Meneer Van Dintelburg wist niet, wat te antwoorden. Want hoe streng hij

ook was jegens zijn arbeiders, tegenover zijn kinderen was hij al te

zwak en te toegevend. Daarbij wijdde hij zich zóó geheel en al aan zijn

zaken, dat er voor toezicht op zijn kinderen bijna geen tijd

overschoot. En het eerste gevolg daarvan was, dat hij dan ook weinig

invloed op hen uitoefende.

„Maar Rudolf, al is ’t niet voor ’t geld, dan moet je je toch inspannen

terwille van de eer!” sprak hij eindelijk. „Wat zou je er van zeggen,

als de jongens uit het plebs je op school eens voorbij schoten en je op

den koop toe gingen uitlachen?”

Voor de eer was Rudolf zeer gevoelig. „Nu papa,” zei hij, „ik zal wat

gaan studeeren; maar als ik met mijn werk klaar ben, mag ik dan de

Hongaarsche pony’s eens voor het wagentje probeeren?”

„Nee, jongen,” kwam nu mevrouw angstig tusschenbeide, „niet met de

pony’s. We hebben ze maar pas en zelfs je papa kan ze nauwelijks

meester worden.

„Je kunt den stalknecht zeggen, dat hij Hans voor den ezelwagen spant,

en neem dan Henriëtte mee.”

„Ja, nu Jet mee moet, nu moet ik natuurlijk weer met den ezel rijden;

stap.... stap.... kom ik er vandaag niet, dan kom ik er morgen,” bromde

Rudolf.

„Hoor eens, Rudolf,” brak meneer Van Dintelburg het gesprek af, „veel

tijd voor praten heb ik niet, en dus kort en goed: den ezel kun je

nemen, maar de pony’s krijg je niet.”

„Nu, zooals u wilt, papa,” antwoordde Dolf; maar terwijl hij de trap

opging naar zijn kamer, mompelde hij bij zichzelven:

„Hoor eens, kort en goed: de pony’s krijg ik wèl!”

„Jet, ben je klaar? We gaan rijden!” riep hij, toen hij na een uurtje

zijn les zoowat had overgekeken en een bladzijde van zijn dicté-boek

had volgeklad.

Henriëtte, die een jaar jonger dan Rudolf en een heel lief meisje was,

zat al op hem te wachten en beiden sloegen het pad in naar het

koetshuis.

„Jacob,” zei Dolf tot den stalknecht, „we mogen van Papa gaan rijden

met de pony’s.”

„Met de pony’s, jonker?” riep de knecht van verbazing uit, „meneer kan

ze zelf amper de baas blijven!”

„Kom, kom!” zei Dolf, „ik zal ze er wel onder krijgen, laat dat maar

aan mij over. Span maar gauw in!”

„Nu jonker,” zei Jacob, die den jongen heer Van Dintelburg net zoo min

ongehoorzaam durfde te zijn als den ouden, maar die het met een

dergelijken rit toch „een gat in ’t hoofd” zag,—„beide pony’s, dat

zullen we toch maar niet doen. U weet, Anny is de wildste van de twee

en zij heeft net haar rechtervoorpoot wat geforceerd; ze moet een paar

dagen rust houden. Ik zal er dus alleen Meta maar voorspannen.”

„Rudolf,” vroeg Henriëtte bezorgd, „heeft Papa werkelijk gezegd, dat je

de pony’s mocht nemen? We rijden anders altijd met Hans, en ik meende,

dat Mama zei....”

„Och, Jet, zanik nou niet, we rijden met Meta en daarmee uit! Ik zal

wel zorgen, dat je goed en wel weer thuiskomt, hoor, bange nuf!” was

het antwoord.

Henriëtte steeg in en nam plaats op het achterste bankje. Rudolf nam de

teugels, en nadat Jacob den pony een eindje bij den toom had geleid,

stapte het paard zoo bedaard voort, dat alle vrees bij Henriëtje week.

Even buiten de achterpoort kwamen zij Leo tegen, die met Dirk Drijver

een wandeling deed. Leo had een botaniseer-trommel bij zich. De jongens

hadden uit de school-bibliotheek het mooie boek van Heimans en Thijsse

„Van Vlinders, Bloemen en Vogels”* gelezen, en waren nu op reis om

brandnetels te zoeken, waar rupsen op zaten, want ze wilden probeeren

of ze ook niet den schoonen vlinder „Prinses Atalanta” konden kweeken.

„Zoo, plebbers, gaat uit den weg!” schreeuwde Dolf den jongens toe.

„Zou je zoo’n trotschen aap niet uit den wagen trekken en hem een pak

slaag geven?” zei Dirk.

„Als je hem daarmee kondt genezen, ja, dan wel! Maar ik vrees, dat het

niet veel helpen zal en dat Rudolf, zooals Bamboe altijd zegt, door

ondervinding moet leeren,” antwoordde Leo.

Beide knapen sloegen den weg in naar de Leyefabriek, waar zij tegen den

muur langs de kade een paar groote brandnetelboschjes hadden ontdekt,

die ze nu eens wilden onderzoeken.

„Weet je nog wel, hoe je van den winter op ditzelfde plaatsje een nat

pak hebt gehaald, Leo?” vroeg Dirk.

„Of ik het weet!” antwoordde Leo, „en als ik het soms vergeten zou, dan

is één blik op Bamboe voldoende om het mij weer te binnen te brengen,

want Bamboe is na dien tijd nooit meer gezond geweest.

„Doch zie eens! wat is dat?—Een paard op hol! Het komt recht op ons

af,” riep hij plots uit, en wees den weg op, die langs de fabriek

winkelhaaks op de kade aanliep.

„Bewaar ons,” was Dirk’s uitroep, „het is Dolf van Dintelburg. Kijk

eens, kijk eens, het paard is woest!”

Inderdaad, de pony scheen wel dol geworden te zijn. Met loshangende

teugels holde hij in blinde vaart recht op de kade aan, het rijtuig met

razende snelheid achter zich aansleepende.

Ook op het kantoor, dat een eind verder vlak bij den weg stond, had men

opgemerkt, hoe de pony, die waarschijnlijk geschrokken was van de

rookwolken uit de fabriek, plotseling op hol was geslagen. De heer Van

Dintelburg snelde zelf met nog een paar anderen naar buiten, maar hij

kwam, helaas, te laat om het wilde Hongaarsche paard nog tegen te

kunnen houden.

„Help, help!” riep Dirk, „o Leo, hij zal verdrinken op dezelfde plaats,

waar hij jou door ’t ijs heeft laten zakken!”

„Als God en onze armen het tenminste niet verhinderen!” zei Leo,

terwijl hij het razende en schuimbekkende dier kloekmoedig in den weg

trad.

Nog slechts enkele stappen, en paard en rijtuig zouden van de steile

kade in de rivier storten.

Leo vloog met uitgebreide armen naar voren. Dolf, het gevaar ziende,

richtte zich op, sprong uit het rijtuig en viel met een zwaren smak

voorover in het grint. Maar op hetzelfde oogenblik had Leo de teugels

gegrepen en liet hij zich aan den kop van het paard meesleepen.

„Leo, laat los, laat los! je gaat zelf ook mee de Leye in!” schreeuwde

Dirk.

Doch op hetzelfde oogenblik bleef de pony staan, met de voorpooten geen

anderhalven meter meer van den rand der kade verwijderd.

Met vaste hand liet Leo nu Meta zwenken.

Henriëtte leunde doodsbleek in zwijm achterover in het rijtuig, en

Rudolf lag nog altijd plat-uit op den weg.

Dirk wilde hem oprichten, maar de heer Van Dintelburg was alreede

toegesneld en beurde zijn zoon van den grond op. Dolfs gelaat zat vol

bloed en hij kermde toen men hem poogde op te richten. Voorzichtig

droeg men hem naar het kantoor, waar Leo den wagen voor de deur stil

deed houden.

Voor Henriëtte werd een glas water gebracht, en toen zij daarvan een

weinig gedronken had, kwam zij spoedig weer bij. Voor Rudolf werd een

dokter ontboden. Daar het echter bleek, dat, zoo hij al eenige

kneuzingen mocht hebben opgedaan, deze toch niet van ernstigen aard

waren, liet de heer Van Dintelburg hem voorzichtig in den wagen dragen.

Leo geleide nu den pony bij den teugel naar huis.

„En nu, mijn jongen,” sprak de heer Van Dintelburg zich tot hem

wendende en hem met warmte de hand drukkende, „door de zorg voor mijn

kinderen heb ik nog geen tijd gehad, hun moedigen, jongen redder te

bedanken; maar wees verzekerd, dat ik je edele daad nooit, nóóit

vergeten zal. Hartelijk, hàrtelijk dank, hoor!”

„O meneer, dat vereischt geen dank,” antwoordde Leo eenvoudig; „ik deed

niet meer dan wat iedereen in zoo’n geval zou doen.”

„Nu, mijn jonge vriend, ik betwijfel zeer, of iedereen in zoo’n geval

zich zoo moedig voor een hollend paard zou hebben geplaatst, als jij

dat hebt gedaan,” was het antwoord.

„Nu, iedereen is ook niet met paarden vertrouwd, maar ik heb met zulke

gastjes wel meer omgegaan,” zei Leo, den pony op den hals kloppende.

„In Indië reed ik elken dag op zoo’n soort, maar dat was een

Makassaar.”

„Zoo zoo! ben je uit Indië vandaan?” sprak de heer Van Dintelburg. „Ik

meende ook wel aan je kleur te zien, dat je geen geboren Nederlander

waart.—Maar je schijnt zoo goed met den pony overweg te kunnen, dat ik

wel eens naar het rijtuig kan gaan, om naar mijn jongen wildebras om te

zien.

Rudolf kreunde wel een weinig van de pijn in het geschonden gelaat. Ook

zijn handen waren over een groot gedeelte ontveld, maar aan zijn been

verklaarde hij niet bijzonder veel pijn te gevoelen.

Zoo kwam men aan den Dintelburg. Jacob, de stalknecht, stond reeds bij

het hek en nam nu van Leo de teugels over.

Het rijtuig hield voor de stoep stil, en Dolf werd door een paar

bedienden naar binnen gedragen.

Leo en Dirk wilden zich nu verwijderen, maar Henriëtte stak hun eerst

nog de hand toe.

„Hier,” zei ze tegen Leo, „neem dit van mij aan als aandenken en als

bewijs van mijn dank.” En meteen stak ze hem een sierlijk gehaakt

beursje met geld toe.

„Nee, dank u!” zei Leo, een kleur krijgende.

„Waarom zou je dat niet aannemen?” vroeg het meisje.

„Zoudt u geld aannemen als u in de gelegenheid waart geweest, iemand

een dienst te bewijzen?” vroeg hij.

„Nee, ik niet!” was het antwoord.

„Welnu,” zei Leo, „dan doe ik het óók niet, want we dragen denzelfden

naam....”

„Wàt?” kwam de heer Van Dintelburg tusschenbeide, „denzelfden naam?—Hoe

heet je dan?”

„Leo van Dintelburg,” was het antwoord.

Een hoog rood bedekte ’s heeren Van Dintelburgs gelaat.

„Wel, jongen,” sprak hij, blijkbaar verrast, „ben jij dat? ben jij

dat?—En ben je nu hier? Ik dacht niet, dat je al in het land zoudt

zijn. Ik meende, dat het plan was, dat je vooreerst te Batavia zoudt

blijven. En leef je nu met dien Javaan ... hoe heet hij ook weer?—Waar

woon je?”

„Wed, nommer 36,” zei Leo, die natuurlijk op al deze vragen niet

tegelijk kon antwoorden, en daarom alleen maar op de laatste inging.

„Wel, jongens, komt even in huis; na zoo’n moedige daad mag mijn vrouw

wel eens kijken of ze niet iets vinden kan, dat je graag lust.”

„Nee, dank u, meneer!” gaf Leo ten antwoord, „we zouden gaan zoeken

naar Atalanta-rupsen, en daar ik om vijf uur les heb, zal ik moeten

voortmaken, als ik er nog vinden wil.”

„Och neen, jongen,” zei meneer Van Dintelburg, alsof hij zich bedacht

en met iets somber-grimmigs in zijn stem, „je moet bij Louis Van

Dintelburg ook maar geen voet over den drempel zetten,—je mocht in zijn

huis ergens mee besmet worden!

„Maar in elk geval, Leo,” vervolgde hij, opeens veel vriendelijker en

met een beweging langs het voorhoofd, alsof hij de wrevelige gedachte

van daareven wilde wegvagen, „in elk geval: ik kom je eens opzoeken, en

nogmaals: hartelijk dank voor je kloeke daad!”

Des avonds kwam de heer Van Dintelburg bij Bamboe aan huis en praatte

heel lang met hem.

Leo wachtte zoolang in de andere kamer.

Eindelijk ging de deur open, en Bamboe en de heer Van Dintelburg traden

binnen.

„Daar hebt u het portret van Leo’s papa,” zei Bamboe, naar den wand

wijzende.

De heer Van Dintelburg bleef er geruimen tijd stilzwijgend voor staan.

„Goeie, goeie Willem!” zei hij, als tot het portret sprekende,—„we

hebben elkaar niet begrepen, omdat we in ons leven verschillende wegen

zijn gegaan.—En ik weet niet, of mijn weg wel de beste is,” voegde hij

er bij, terwijl hij een traan uit zijn oog veegde.

„Dag, Leo, flinke vent!” zei hij vervolgens, met warmte Leo de hand

drukkende, „ik kom nog wel eens aan, hoor, en je moet ook eens bij ons

komen. Je hebt je papa zeker wel eens hooren spreken van oom Louis,

nietwaar? Welnu, die woont op den Dintelburg, en de jongen en het

meisje, dien je vandaag het leven hebt gered, zijn je neef en je

nicht.”

Bamboe liet den bezoeker uit.—„Meneer,” zei hij in de gang, met zijn

zachte, bedachtzame stem, „meneer sprak daarnet van twee wegen. Als

meneer denkt, dat zijn eigen weg niet goed is, dan moest meneer, dunkt

mij, dien ànderen weg inslaan.”

„Och,” was het antwoord, „we zitten nu eenmaal in dezen trein en we

moeten doorstoomen!”

„Oók als men weet, dat men aan een verkeerd station uitkomt? Is er in

dit land geen spreekwoord, dat zegt: beter ten halve gekeerd, dan ten

heele gedwaald?” drong Bamboe aan.

„Men kan zien, goede vriend, dat je bent grootgebracht door een

zendeling,” sprak de heer Van Dintelburg, opeens een

luchtig-schertsenden toon aanslaande.

En daarmee vertrok hij.

Maar Bamboe, toen hij den bezoeker uitgelaten had, bleef nog eenige

oogenblikken met gevouwen handen in de donkere gang staan.

Hij bad.

„Maar vind je het toch niet vreemd, dat je broer Willem zijn zoon aan

zulk een bruinen, dommen inlander kan toevertrouwen, terwijl er bij ons

voor den jongen plaats genoeg is?” vroeg mevrouw Van Dintelburg des

avonds aan haar man. „We zouden hem tegelijk met Rudolf kunnen

opvoeden, en, me dunkt, Leo zou toch veel beter door de wereld komen,

als hij met Rudolf werd grootgebracht, dan wanneer hij daar bij dien

Javaan bleef. Wat kan die man voor toezicht uitoefenen op een

Europeeschen jongen, die daarenboven toch zijn heer en meester blijft?”

„Hoor eens, lieve,” was het antwoord, „Willem heeft dat nu eenmaal zoo

gewild, en wij moeten zijn laatsten wil eerbiedigen.

„En als wij naar onzen eigen jongen zien, kunnen we hem dan wel zoo

geheel en al ongelijk geven?” vervolgde hij, terwijl er een smartelijke

trek om zijn mond kwam.

Mevrouw zweeg, want zij wist, dat hij de waarheid sprak.

Eenige oogenblikken later zat de heer Van Dintelburg weer op zijn

werkkamer, geheel verdiept in zijn geldelijke berekeningen. Hij was

thans weer geheel en al de trotsche koopman en de strenge fabrikant,

wien ’t alleen te doen was om geld en macht en aanzien.

Maar mevrouw ging naar Rudolfs kamer, om nog even naar haar jongen te

zien. Daar lag hij, met een drietal pleisters op het gezicht, in een

rustigen slaap.

Zijn moeder bukte zich over hem heen, en drukte een kus op zijn

voorhoofd.

Toen zij zich oprichtte, blonken er in haar oogen een paar groote

tranen.

Rudolf echter wist van niets, en sliep door.

Zijn er meer zulke moeders?

O ja, er zijn er duizenden, die op dezelfde wijze zich des nachts over

haar slapende kinderen buigen, om ze een kus des vredes en der

vertroosting op het voorhoofd te drukken, zelfs al draagt dat voorhoofd

het merkteeken van zonde en van schande.

O, als wij allen wisten, welke smartelijke tranen daarbij de oogen van

onze moeders kunnen vullen, we zouden ze meer vreugde en minder

verdriet aandoen.

Maar de meeste kinderen zijn als Rudolf en weten het niet!

Blank en Bruin · 第 14 / 35 题